donderdag 5 juli 2018

Voor de Goede Orde deel 2

EERSTE UITBOUW
Heel geleidelijk ontwikkelde Baarn zich van een agrarisch dorp tot een meer algemene woongemeente. De aanzet daartoe werd gegeven door de derde burgemeester in die na-Franse tijd. In 1858 was de tweede Pen (zoon Jan) overleden en zijn jeugdige opvolger was de 32-jarige Mr J .C.G .C. Laan.

Zijn echtgenote was overigens nog jonger (nog geen 19!), maar toch had men er in Baarn vrede mee, dat opnieuw een plaatsgenoot de leiding op zich zou nemen. Oorspronkelijk in Zuilen geboren, kwam de jonge Laan op 10 maart 1851, nadat hij zijn rechtenstudie succesvol afgerond had, bij zijn oom in Huize Steevlied (gelegen in de hoek van Groeneveld en Drakenburg) wonen.
 
Een van de eerste maatregelen van de nieuwe burgemeester was het afschaffen van een oud gebruik in Baarn. Op de eerste dag van het nieuwe jaar trokken 'Nieuwjaarwensers' in Baarn namelijk van huis tot huis en die personen waren heus niet uitsluitend uit Baarn afkomstig. Met name in Bunschoten had men 't op die eerste januari op onze gemeente voorzien. Burgemeester Pen zelf zorgde er altijd voor, dat er bij de voordeur een zak met centen kwam te liggen, waaruit de huis­houdelijke hulp elke nieuwjaarwenser iets moest geven. Op initiatief van burgemeester Laan werd dat particulier bezoek vervangen door een heuse commissie, waarvan iemand langs de deuren ging. Mr Laan werd zelf voorzitter van deze commissie, welke voor het opgehaalde geld (en men haalde een aardige cent op) in de dure wintermaanden spek en vet kocht voor die gezinnen, die het niet breed hadden.

Zelfs de Baarnse politiemacht werd op Nieuwjaarsdag versterkt om voldoende controle uit te kunnen oefenen. Dat commissiewerk heeft voorbestaan tot 1918. In die oorlogstijd waren spek en vet zo duur geworden, dat uitrei­king onmogelijk werd. Een nieuw opgerichte 'Centrale Armenzorg' nam het werk toen over.
Incidenteel bleef men de jeugd op die eerste januari nog wel onthalen. Op Huize Peking is het nog jarenlang gewoonte gebleven te trakteren op een grote kom chocolademelk, samen met maar liefst drie krentenbollen. Er viel al duidelijk enige groei in Baarn te bemerken. De Oosterhei, tot dan voornamelijk in gebruik bij schaapskudden, kreeg met een eerst nog doodlopende Oosterstraat en Sparrenlaan enige betekenis. Die schapen kwamen uit een schaapskooi op de plaats, waar nu ongeveer de begraafplaats ligt. Plus van een kooi nabij de Eemnesserweg (ongeveer waar nu de Veldweg daar uitmondt). Die dieren werden dan over de Schapendrift (nu Kerkstraat) en Noorderlaan (nu Faas Eliaslaan en Noorderweg) naar hun voedselgebieden gedreven. Een verruiming van de oppervlakte, welke ertoe leidde dat op 8 juli 1870 veldwachter W. Heere in gemeentedienst trad, voornamelijk bedoeld als opvolger van Boering. Dat het in Baarn goed werken was, blijkt wel uit het feit, dat deze Heere pas in 1906 als hoofdagent eervol ontslagen werd en dat om te kunnen worden benoemd tot keurmeester van vlees en andere waren.

* * *

"Daar krijgen ze me mooi niet in". "Dan moet het eerst wel in mijn hoofd geslagen zijn". Dat en nog veel meer riep het publiek als uit één mond op 10 juni 1874 in Baarn, toen hier de allereerste stoomtrein uit Amsterdam binnenliep. Een dag beslissend voor de verdere ontwikkeling van onze gemeente en dus ook voor de uitbouw van ons plaatselijk politiekorps. Honderden, nee, duizenden hadden die dag een plaatsje gezocht langs het nieuw gegraven spoorravijn, waar eigenlijk ongewild de mooist denkbare tribunes geboden werden. Belangstellenden afkomstig uit Baarn, maar ook uit de omliggende gemeenten als Eemnes, Bunschoten en Spaken¬burg. Waar men de ontwikkelingen rond die spectaculaire aanleg dwars door de bossen - en zelfs werden er Baarnse wegen zo maar doorsneden, zoals de (Oude) Utrechtseweg, toen een van de breedste in ons dorp, Wittelaan, Amsterdamsestraatweg, de Oranjeboomlaan (zoals de Lt.gen. van Heutszlaan toen nog heette) en Pekinglaan (Torenlaan) - met argusogen gevolgd had.
Het verschil van vóór en na die eerste trein was zonder meer enorm. Er passeerde weliswaar een diligence in Baarn, waarmee men omstreeks half twaalf richting Amersfoort en 's middags half vier naar de hoofdstad reizen kon. Maar het aantal zitplaatsen was beperkt: negen in de wagen en nog een op de bok naast de koetsier. Tweemaal in de week, alleen op maandag en woensdag, kon men vanuit Baarn op één dag naar Amsterdam en nog dezelfde dag terug. Dat gebeurde dan met de 'glazen' wagen, maar ook daar was de capaciteit uiterst beperkt van. Om maar te zwijgen van de omstandigheden waaronder zo'n reis gemaakt moest worden.
De passagiers dienden daarvoor die dag reeds om zes uur 's morgens op één van de twee opstapplaatsen die Baarn kende, gereed te staan. Dat was of bij Hotel Groeneveld aan de Amsterdamsestraatweg, of bij het kruispunt de Oranjeboom. Dus voor dag en dauw op en eerst een flink stuk lopen. Om zich vervolgens in het gunstigste geval in een uur of drie - maar vaak met die in modderpoelen veranderde 'wegen' langer - in zo'n wagentje te laten radbraken. Men kon tot 's middags half zes in de grote stad blijven, om dan opnieuw in te stappen teneinde omstreeks half negen (maar vaak dus later) aan de rand van Baarn uit te stappen.

Laten we echter nooit vergeten, dat Baarn dit alles te danken had aan het feit, dat Amsterdam een railverbinding naar het Oosten nodig had en de bewoner van Soestdijk de grond daarvoor wel beschikbaar wilde stellen, mits Baarn een volledig station zou krijgen.
Hem was trouwens een aftakking van Baarn naar Soestdijk toegezegd. Maar tenslotte moest Prins Hendrik genoegen nemen met een 'lokaaltje' (Baarn-Utrecht), waarmee zijn broer Koning Willem III later moeilijkheden had. Die had immers geen oren naar een railverbinding met Soestdijk, liever wilde hij zo'n lijntje van Apeldoorn naar het Loo.

BERENJACHT IN BAARN
De Baarnse politie op jacht naar een beer in het Baarnse Bos?! Dat klinkt natuurlijk ongeloofwaardig, maar toch was het in 1887 werkelijkheid. Zoveel agenten waren er op dat moment overigens niet, maar allen werden ingezet om in de buurt van de Grote Kom een beer te gaan schieten. Voor die gelegenheid versterkt met de jachtopzieners van Paleis Soestdijk.
Het begon allemaal op de eerste september van dat jaar, toen Baarn bezoek kreeg van een beer. Preciezer gezegd van een berengeleider met zijn sokkige dier. Uitgerust zoals men zich dat voorgesteld had, zo'n beer met een ring door de neus voor een ketting. Plus als extra beveiliging ook nog een leren muilkorf aan. Voor dat optreden in ons net ontwakend plaatsje had burgemeester Jhr de Beaufort zoals dat behoorde vergunning verleend. Terwijl de beer danste, haalde de man centjes op. Tot groot vermaak van jong en oud, want zoveel ander vertier was er in die tijd in ons dorp niet te beleven.
Het zal de berengeleider zeker niet tegengevallen zijn, zoveel als het optreden in Baarn opgeleverd had. Want met een goed gevulde buidel verdween hij aan het eind van de middag uit ons dorp richting Oranjeboom, zijn volgende doel was Hilversum. Zoals toen normaal was, liepen zij dat stuk samen, de beer aan de ketting en hij gewoon te voet. Bij die viersprong gekomen, kon de man geen weerstand bieden aan de verleiding even in café de Oranjeboom uit te rusten. Met zoveel geld op zak was het begrijpelijk, dat hij zich tevens tegoed deed aan het nodige brood, vlees en drank - alcoholvrij was die in die tijd zeker niet - dat in de zaak geboden werd.
Maar hoe gezellig ook, het tweetal moest verder. Hoewel het al zo donker geworden was, dat het de man verstandiger leek in het bos een slaapplaats op te zoeken. De beer werd zoals gebruikelijk aan een den gebonden en de baas zocht zich een lekker plekje. Dat vastbinden moet echter niet al te nauwkeurig gebeurd zijn, want nauwelijks was de man inslaap gevallen, of het dier wist zich los te rukken en slaagde er zelfs in zich van zijn muilkorf te bevrijden. De beer wist zich te herinneren, dat er niet alleen voor de baas, maar ook voor hem lekkere hapjes wachtten bij de herberg aan de Oranjeboom. Hij had er immers diverse konijnen en kippen geroken en het bleek niet moeilijk die terug te vinden. Plus te vangen en vervolgens heerlijk op te peuzelen. De volgende morgen tenminste moest de herbergier vaststellen, dat vijf van zijn langoren om zeep waren geholpen, terwijl in het kippenhok een ware slachting was aangericht.
Niet moeilijk na te gaan, dat de beer de dader moest zijn, vooral toen ook de geleider de ontsnapping ontdekte en naar zijn dier op zoek ging. Het duurde dan ook niet lang of de jobstijding ging door Baarn: "De beer is los!". Al spoedig gevolgd door een meer preciezere opgave "Er loopt een beer in ons bos!", want het spoor leidde duidelijk naar het bos tussen de v. Heutszlaan en de Kroningslaan. Het zal voor de Baarnse 'sterke arm' wel voor het eerst (en 't laatst) geweest zijn, op berenjacht te gaan. Wie houdt daar rekening mee, maar nu moest het er toch van komen. Zoals gezegd, de politie kreeg versterking van de zijde van het Paleis en het succes liet niet lang op zich wachten. Met een welgemikt schot - ook van verdoven had men toen nog nooit gehoord - werd het 'monster' onschadelijk gemaakt. In triomf werd de buit Baarn in gedragen, de poten gebonden aan een stok die over de schouders werd genomen. Juichend stonden de nieuwsgierig geworden Baarnaars langs de weg. Wie liet zich zo'n niet-alledaags schouwspel ontlopen?
Volgens de overleveringen werd het dier vervolgens bij enkele Baarnse gezinnen gebraden. Allereerst werden de kanen (de uitgebraden stukjes vet) uit de pan geprikt. Iedere keer dat zo'n kaantje aan de punt van een vork naar boven kwam moet men - het is nog lang een gevleugeld woord gebleven, terwijl men opgewonden was over zo'n buitenkansje - geroepen hebben: "Kwaan, kwaan (komaan, komaan), alweer een (beren)kaan". Misschien hoort u die kreet ook nog wel eens in Baarn, u weet dan in ieder geval waar dat nog vandaan komt.
* * *
Tot vandaag de dag heeft de Baarnse politie bemoeienis met ander groot wild, dat in onze bossen - zij het steeds schaarser - nog voorkomt. Helaas meestal in verband met een verkeersongeval, u weet wel 'overstekend wild'. Dan wordt weer zo'n ree aangereden; kennelijk heeft het stropen en de jacht - zo'n bout was immers niet te versmaden - nog geen einde aan die fauna in onze bossen gemaakt. Dat die dieren hier zijn, dankt Baarn aan de komst van de Oranjes in onze gemeente. Toen Prins Willem III in 1674 Huize Soestdijk tot een jachtslot ombouwde, legde hij daar ook een wildbaan (soort hertenkamp) aan, om op die dieren te kunnen jagen.
Twee eeuwen later, toen in 1879 de toenmalige Soestdijkbewoner kinderloos stierf - Prins Hendrik was vooral bekend als Zeevaarder en in Baarn als een gul - Hoog Ambachtsheer - kwam het domein in bezit van zijn broer, Koning Willem III. Deze Nederlandse vorst gaf er echter de voorkeur aan in Paleis Het Loo te gaan wonen, wat als consequentie had, dat het Baarnse Paleis in feite leeg kwam te staan. Wel had Willem belangstelling voor de wildbaan. En dus werden alle herten achter Soestdijk gevangen en naar het Loo overgebracht. Volgens zeggen zijn daarbij diverse dieren ontsnapt en namen een toevlucht in de Baarnse bossen. Daar achtergebleven zorgden zij er wel voor, dat hun ras niet uitstierf, zodat er nog steeds herten - de schatting is zo'n stuk of zeventig - rond ons dorp te vinden zijn.

Schuwe dieren waarop gelukkig niet gejaagd mag worden, maar helaas komen zij nogal eens in het nieuws, wanneer zij op zo'n buitenweg aangereden zijn. Van agressie hunnerzijds is bij deze reeën evenmin sprake. Op een enkele nieuwsgierige of verdwaalde na, die zich wel eens dichtbij en soms zelfs wel eens in de bebouwde kom waagt. Een jong dier, dat eenmaal aangeraakt is door een mensenhand, zal zeker door de moeder verstoten worden. Terwijl loslopende honden nog wel eens de jacht op deze ranke dieren willen openen.
EERLIJK DELEN
De komst van een spoorwegstation in Baarn luidde een geleidelijke koerswijziging voor de Baarnse gemeentepolitie in. Er kwam zoals gezegd nog een derde kracht bij en natuurlijk schreef de burgemeester toen ook een uitvoerige instructie. Die burgemeester was Mr J .H.M. baron Mollerus van Westkerke, die in 1876 als hoofd van zijn manschappen het een en ander op papier zette. Artikel 7 daarvan zal door die gemeente-veldwachters wel in 't bijzonder beoordeeld zijn. 'De veldwachters zullen alle fooien en giften die zij ontvangen zonder enige uitzondering storten in een bus met twee sleutels. Daarvan wordt de ene sleutel door de veldwachters bewaard, de andere door een klerk ter secretarie. Om de drie maanden (te beginnen op 1 juli 1876) wordt de bus geledigd en gelijkelijk verdeeld'. Baarn begon te groeien, de spoorlijn was al twee jaar in functie. Dus vond de burgemeester dat ieder van zijn drietal moest weten, wat hij precies moest doen en ... laten. Er waren vier grote en twee kleine 'toernees' (zoals de ronden in de instructie genoemd werden). Die kleine betroffen Eembrugge en Zandvoort, de grotere werden aangeduid met de Katoenbaal - de omgeving van die boerderij in de hoek bij Eemnes - Groeneveld/Buitenzorg, Hooge en Lage Vuursche en eens in de week ging de veldwachter ook bij Soestdijk een oogje in het zeil houden.
Voorts was er een controle ingebouwd. De veldwachters moesten hun boekjes bij een daarvoor aangewezen ingezetene in die 'wijken' laten aftekenen. Bovendien gold bij dat ronde-lopen een rookverbod. Vrij kregen zij per keuze één dag per maand, mits minimaal twee dagen van tevoren aangevraagd. Indien dat nodig was voor zo'n vrije dag had een oudere collega voorrang op zijn jongere. De instructie sprak over de kom van de gemeente en 'het buitengebied', waartoe bijvoorbeeld ook het Amaliapark bij het station gerekend werd. Er stonden met nu vergeleken opvallende voorschriften in, waarvoor de huidige politieagent soms de neus zou ophalen.


De gemeentereiniging van Baarn in de eerste fase aan het begin van deze eeuw.
Wat te zeggen van de opdracht, dat de veldwachters omdat zij toch in dienst van de gemeente waren, tevens in touw waren voor het bevolkingsregister. Zij moesten ervoor zorgen, dat de Baarnaars alles keurig voor dat systeem opgaven. Dat ging zo ver, dat de politie zelf de verhuizingen moest bijhouden en elke maand hun bevindingen op de secretarie diende in te leveren.
Minder gek was, dat een van de manschappen op zondagmorgen dienst moest doen bij het uitgaan van de R.K.-kerk. Dat toezicht in de Kerkstraat betrof dan het verkeer en bestond trouwens ook dagelijks bij het uitgaan van de ene openbare school, die Baarn telde. Want het gooien door de schoolgaande jeugd met stenen naar en het achterna schreeuwen van rijtuigen, was een overlast waartegen de veldwachters op moesten treden. Bij het uitbreken van brand moest de gemeentepolitie op volle sterkte onmiddellijk naar de plaats des onheils gaan. Nog zo'n taak, waar men nu beslist anders over zou denken: bij sneeuwval was de veldwachter belast met het toezicht op de berijd- en begaanbaarheid van de Baarnse wegen. Zo nodig moesten daarvoor de handen uit de mouwen gestoken worden. Omdat dit tevens gold voor doorgaande wegen naar en van Groeneveld en de Oranjeboom, moet daar niet te min over gedacht worden.
En wat vindt u van de taak, er op te letten dat de straatverlichting goed functioneerde. Daarvoor moesten de olielampen aangestoken worden. Met de komst van de gasverlichting in 1878 kwamen er speciale lantaarnopstekers, maar de politie zag erop toe, dat alles naar wens brandde.
Ook het nieuwe stationsgebouw werd in de instructie met name genoemd. De treinreizigers mochten op het Stationsplein geen overlast van belangstellend publiek krijgen. Er moest op worden toegezien, dat het publiek niet bij vergissing de trap naar de bovenverdieping van het stationsgebouw blokkeerde. Daar immers bevond zich de restauratiezaal, bediend uit de 'bierhal' die met een terras eveneens bij de uitgang geplaatst werd. Exploitant was de heer van Duursen. De bierhal werd in 1955 gesloopt, hetzelfde jaar dat boven het station woningen kwamen. Sinds 1935 had Hastrich er een bloeiend bedrijf van gemaakt, waarbij concerten, kermissen, varietévoorstellingen, bloemententoonstellingen en kinderfeesten hoorden. De wonderlijkste opdracht uit die tijd was wel, dat de veldwachter ook de tijd en dus de klokken in Baarn in de gaten moest houden. In een raadsbesluit van 16 mei 1876 is zelfs terug te vinden, dat de gemeente daartoe een 'horologie' aanschafte. Dat kreeg de dienstdoende veldwachter op zak, om zo te controleren, dat de torenklok op de Brink ... vier minuten voorliep op de klok bij het station. De verklaring is even simpel als ontnuchterend: men moest er op toezien, dat de (ver)late treinreiziger toch nog op tijd bij het station zou arriveren, om de geplande trein te halen!  




Na de wielerbaan verfraaide de heer Sweris het Wilhelmina¬park met een vijver. Die ligt er ook nu nog, maar de oorspronkelijke vorm was rechthoekig. Dit met het oog op het gebruik als ijsbaan. Op de plaats waar nu Patria staat, was toen een café gebouwd.

Daarnaast moesten de drie mannen bij toerbeurt dorps- en kantoordienst doen. Er zat overigens een voordeeltje aan. Wie deze dienst had behoefde pas 's morgens om negen uur op het gemeentehuis te verschijnen. Daar immers had de politie bij de ingang rechts (tegenover de bodekamer) een vast plaatsje gekregen. De beide anderen mochten die ochtend niet later dan acht uur beginnen.
In het gemeentehuis bleef de dienstdoende veldwachter tot bijna twaalfuur. Want hij was ook belast met het toezicht op het uitgaan van de school in de Hoofdstraat. Vervolgens was de man van één tot half drie vrij, om de middag te eindigen met de dorpsdienst. Dat omvatte de bebouwde kom, dus de Brink en omgeving. Maar ook de Eemnesserweg tot de villa Heuveloord, de Laanstraat, de Kerkstraat, de Javalaan, de Noorderlaan - na de eeuwwisseling voor een groot gedeelte omgedoopt in Faas Eliaslaan - en de Amalialaan naar het station.
De mannen van de buitendienst waren 's middags ook in de kom van de gemeente te vinden. Een vast punt was de komst tegen 18.00 uur bij de burgemeester, om vervolgens ook bij het Stationsplein te eindigen. Denk niet dat het er dan voor hem op zat, want pas om half tien 's avonds had hij genoeg gedaan en kon de veldwachter van zijn rust gaan genieten. Baarn aan de zorgen van de nachtwacht overlatend. Bovendien sprak de instructie nog van speciale zondagsdiensten, waarvoor dan een 'buitengewone' (dus een veldwachter van elders) kwam helpen. Erg lang heeft burgemeester Mollerus overigens het functioneren van zijn dienstrooster niet zelf kunnen gadeslaan.
Na ruim 12 jaar in Baarn (en Eemnes) eerste burger te zijn geweest, ruilde hij die positie op 1 mei 1880 voor de post van Commissaris der Koningin in de provincie Gelderland. Zijn opvolger in Baarn werd Mr P.J. Teding van Berkhout, die na vijf jaren de ambtsketen alweer overdroeg aan Jhr Mr B.Ph. de Beaufort.

Bronnen:
Uitgegeven in verband met de reorganisatie van de Nederlandse politie en het opgaan van de Gemeentepolitie Baarn in Regiopolitie Utrecht District Eemland-Noord.
Tekst:  S.N.  Zwiep 

Illustraties:  Historische  Kring  Baerne  Politiearchief, Baarnsche Courant en vele particulieren
Druk:  Bakker  Baarn 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten