9.2.16

Herinneringen van Hans (12): Mijn lagere school jaren op de St. Aloysiusschool (1953-1959) deel 1

door Hans Smeekes

Het was in 1953 dat ik voor het eerst naar de grote school, zoals we dat toen noemden, kon gaan. We waren datzelfde jaar in het voorjaar verhuisd van de Zandvoortweg naar de Lepelaarstraat. Ik kan me niet herinneren dat mijn moeder me ooit heeft gebracht.
In feite zette ik en ook later mijn broers de familietraditie voort. Ook mijn vader en mijn ooms en tante hadden op de St. Aloysiusschool gezeten.



In 1995 werd het 100 jarig bestaan gevierd en werd er ter gelegenheid hiervan een fraai boekwerk uitgegeven.
Er waren diverse fases. In de tijd van mijn vader (dat was voor de tweede wereldoorlog) was er ook nog een St. Bonifaciusschool (een lagere school en een ULO), dat was in wat we nu het oude, hoewel gerestaureerde gebouw met de twee vleugels zouden noemen.
Een school voor de beter gesitueerden. Beide scholen strict gescheiden door een schutting dwars over de huidige binnenplaats. 
De school van mijn vader (de oorspronkelijke St. Aloysius dus) werd de  klompenschool genoemd. Dat was wel duidelijk waarom. Er was toen dus nog scheiding tussen arm en rijk. Mijn vader kon zich daarover nog wel eens opwinden.


Tante Corrie, Oom Jan en mijn vader Joop Smeekes
Volgens bovengenoemd boekwerk zaten de kinderen tijdens de schoolmis streng gescheiden en het vermeldt ook dat er wel eens ruzie was tussen de jongens van de twee scholen. Maar als de schoenenjongens over de schutting probeerden te klimmen, werden ze met de klompen door de klompenjongens op de vingers geslagen.
Na de tweede wereldoorlog gaan beide scholen samen in elkaar op. Er is dan nog maar één lagere school de St. Aloysiusschool. De naam Bonifacius wordt dan alleen nog gebezigd in de naam van de ULO.
Beide gebouwen worden dan door de St. Aloysiusschool gebruikt. 
Van de eerste klas heb ik een deel niet meegemaakt. Ik was vaak ziek, soms had ik zelfs twee ziektes tegelijk. Zo herinner ik me dat ik met geelzucht in bed lag en daarbij ook nog de mazelen had. Nou was dat laatste iets dat je toch eens moest krijgen, maar toch. 
Ik had ook last van bronchitis en toen kreeg ik ineens longontsteking. Dubbele ook nog. Het kon niet op. Ik heb toen zes weken in het ziekenhuis gelegen. Dat was nog in het oude ziekenhuis aan de Torenlaan. 


Het ziekenhuis aan de Torenlaan
Voor een deel van de tijd ook nog in quarantaine. Dat weet ik nog, aan de ene kant kon je naar buiten (in de tuin achter het ziekenhuis) kijken en aan de andere kant had ik zicht op de andere patiënten in de grote zaal. Aanvankelijk reageerde ik nergens op. Elke dag kwam de zuster met een grote spuit aanzetten die dan ook nog niet bleek te helpen. Tot men een nieuw pas ontwikkeld antibioticum (penicilline) als laatste redmiddel ging uitproberen en dat bleek wonderwel te helpen. Zodra het toen een beetje ging met mij, mocht ik op de grote zaal liggen, waar ik eerst op uitkeek. Wat ik me ook nog herinner uit die tijd, was de soep. Een soort dikke groentesoep, misschien helemaal niet zo speciaal, maar ik vond het lekker en thuis kregen we die niet.
Juffrouw Veldhuizen


Nadat ik weer thuis was gekomen, kwam de schoolklas met de onderwijzeres juffrouw Veldhuizen voorop bij mij in de Lepelaarstraat op bezoek. 
Geweldig natuurlijk. Maar soms vraag ik me wel af of dat wel echt gebeurd is. Want 40 kinderen bij ons thuis in de huiskamer, dat kon toch helemaal niet. Bij nader inzien zal het wel een afvaardiging zijn geweest. Vaag herinner ik me dat mijn moeder rondging met glaasjes ranja.
Zo zwak als ik toen eigenlijk was, zo sterk ben ik nu. Want zoals de dokters toen al hadden aangekondigd aan mijn moeder: het kon vergroeien. En dat is ook gebeurd. Vanaf mijn twaalfde ben ik eigenlijk nooit meer ziek geweest. Zelfs griepjes gaan aan mij voorbij. En tegen hepatitis A en B hoef ik niet ingeënt te worden. Dat is steeds handig gebleken met het op reis gaan. Eigenlijk had mijn moeder zo’n zelfde verschijnsel. Ze had in haar jonge jaren Engelse ziekte, zoals dat werd genoemd. Iets aan de botten. Maar is er toch mooi 92 jaar mee geworden en ook bijna nooit ziek geweest.

Hoe dan ook de gezondheidsperikelen in die tijd stonden een overgaan naar de tweede klas niet in de weg, ik had goede cijfers.









We kregen elk trimester een fraai klein rapportboekje mee naar huis, dat we mee terug moesten nemen met de handtekening van één der ouders erin (mijn vader had een fraaie handtekening!). 

Aan de binnenkant van het boekje stond een tekst met aanbevelingen aan de ouders. Echt iets van die tijd.




In de 2e klas staan er geen cijfers ingevuld bij het vak lichamelijke oefening. Dus kennelijk had ik nog wat nasleep van mijn ziektes en heb ik daaraan niet (of nauwelijks) deelgenomen (vreemd genoeg had ik bij nader inzien wel cijfers voor gymnastiek in de 1e klas).


In dit verband weet ik nog goed, dat als er in de pauzes spelletjes als krijgertje werden gedaan op de binnenplaats, ik alleen mee mocht doen op de conditie van ‘spek en bonen’. Dat was een vreemd fenomeen, je deed wel mee, maar ook weer niet echt. Maar last had ik er niet van.
Ik ben er ook nooit om gepest. Een verschijnsel dat überhaupt niet voorkwam. Er was eerder een grote solidariteit. Ik weet niet meer in welke klas dat voorkwam, maar ik heb er beeld van dat strafregels meestal in de prullenmand terechtkwamen, die er weer door één van ons werden uitgevist. 
Speciaal enkele heel slimme meisjes hielden zich daarmee bezig. Zo hadden ze een hele voorraad. En zodra iemand strafregels kreeg opgedragen, werd gekeken of die er tussen zaten.




Ik denk dat we nog hebben leren lezen met behulp van het bekende aap-noot-mies dat vooraan in de klas hing.
Het schrijven met het kroonpennetje was een ware crime. Dit vanwege het vlekken.



Het was oppassen voor stoten tegen het lessenaartje. 

Vooral als het inktkokertje net was bijgevuld. Ik herinner me dat het penhoudertje aardig door mij was afgekluifd en ik was niet de enige.

Het boek ‘Het tovervisje’ is volgens mij het eerste boek dat ik thuis las. Het lag onder in de boekenkast en vaak kroop ik in een hoekje met het boekje en was ik voorlopig onzichtbaar en onhoorbaar. 



De leuke tekeningetjes  van Nans van Leeuwen en de eerste regels zijn me altijd bijgebleven. 
Dat het dwergenpaartje in een keulse pot woonde, vond ik fascinerend, want een dergelijke pot hadden we bij ons thuis achter in de tuin staan. 


Hoewel niet omgekeerd, maar toch keek ik of ik iets van de dwergjes kon ontwaren. En waar ik nu woon, in het zuiden van het land met mijn partner Fifi, staat er zowaar ook een keulse pot achter in de tuin ... met het dwergenpaartje. 


Dat zijn wij dus.

In dit verband is het ook grappig om te vertellen dat toen ik in Friesland (in Hindeloopen) als nieuwbakken beheerder van het gemeenschapscentrum voor het eerst achter de bar stond, iemand begon te roepen: ‘Hé, het is precies Piggelmee.!’ En vanaf dat moment werd ik zo genoemd. Dat vond ik eigenlijk best wel toepasselijk want Pigggelmee is zo’n beetje mijn alter ego. En betekende gelijk dat ik erbij hoorde, want iedereen had in dat Friese stadje een bijnaam.

De St. Nicolaaskerk




Het zal wel in de eerste klas geweest zijn dat ik aan de z.g. eerste H. Communie heb deelgenomen.


Hans in zijn communiepak met broers Gerard en Henk


Mijn opa in Hilversum, de vader van mijn moeder, die kleermaker was, had het communiepak deskundig genaaid. 

Korte broek met colbertje in dito stof. Heel sjiek. 




Het was in de tijd dat Pastoor Kaarsgaren de scepter zwaaide in de St. Nicolaaskerk.


Pastoor Kaarsgaren met kapelaans en acolieten


Ik vond het wel imponerend om nu eens helemaal vooraan te zitten, voor het eerst had ik goed zicht op het tabernakel en zo. Want normaliter op de zondag konden we slechts een plaatsje veroveren ergens helemaal achteraan en dan ook nog achter één van de dikke pilaren. 

Dat kwam voornamelijk omdat we meestal aan de late kant binnenkwamen. Mijn vader was daar voornamelijk debet aan, want hij had meestal niet zo’n zin. En: we moesten er allemaal goed opgedoft uitzien. Dus dat nam tijd.
Bovendien puilde de kerk uit door een toename aan gelovigen. Het is daarom dat er toen voorzichtig werd gedacht aan een nieuwe parochie, dat dus later is geresulteerd in de bouw van de Mariakerk. 
Alvorens we aan de eerste communie mochten meedoen, moesten we voor het eerst biechten. 


Met de hele klas gingen we dan naar de kerk, daarvoor hoefden we slechts de Kerkstraat over te steken. We stoeiden dan in de banken en schoven één voor één op tot je aan de beurt was en dat enge hokje in moest. Dan schoof de kapelaan het gordijntje dicht en zat je in het pikkedonker op je knieën door een gaasje naar het onduidelijke hoofd van de kapelaan te kijken. Net als alle anderen wist ik gewoon niet wat ik op te biechten had. Dus verzon ik snel maar wat, bijvoorbeeld dat ik een snoepje had gepikt. Nou hield ik nog niet eens van zoetigheid in die tijd, maar ja je moest wat zeggen. En ook later is dat altijd zo gebleven, je zei maar wat tot tevredenheid van de kapelaan. En dan moest je een gebedje doen voor de absolutie en vloog je weer naar buiten.

Na de communieceremonie was het een drukte van belang bij ons thuis aan de Lepelaarstraat. 

Mijn beide opa’s en oma’s waren er en diverse ooms en tantes. 





Ik werd aardig gefêteerd, maar de cadeautjes waren allemaal 
religieus gerelateerd. Zoals een mariabeeldje, rozenkrans, een wijwaterbakje en 'last but not least' een kindermissaaltje, dat ik nog heb.


Het moet in de eerste of tweede klas geweest zijn dat we ook een tijdje zijn ondergebracht in het St. Nicolaasgebouw. Ik denk vanwege een verbouwing. Ik herinner me het beheerdersechtpaar nog goed. De Heer en Mevrouw Hecker. Volgens mijn gevoel waren zij al sinds mensenheugenis verbonden met het St. Nicolaasgebouw. Dat ze er ook woonden zal daar wel toe hebben bijgedragen. Zij waren één en hetzelfde.
St. Nicolaasgebouw

Het leslokaal was op de bovenverdieping. Ik vond het een gebouw met historie. Ik herinner me de brede statige trap met veel hout naar boven nog heel goed. 


En ook de de oude lessenaartjes. Die waren nog van voor de tweede wereldoorlog. 

Voor de gymnastieklessen moesten we naar de oude school. En dan moesten we keurig in de pas twee aan twee over het trottoir van de Brinkstraat lopen.
Gezien mijn zwakke gezondheid had ik het overigens niet op die gymnastiek (als ik er al aan deelnam). Vooral het klimrek haatte ik. Ik was er echt bang van om naar boven te klimmen. Maar er viel vaak niet aan te ontkomen. Als ik dan eindelijk boven was en naar beneden keek, dan begon het me te draaien. En vogelnestjes maken aan de ringen, wat de anderen zo leuk vonden, ik had het er niet op. 
Van de onderwijzer in de tweede klas de heer Ram weet ik me totaal niets te herinneren.
Meneer Jessurun


Zo veel te meer van de onderwijzer in de derde klas, meneer Jessurun. 



Ik heb van die klas een fraaie foto, diverse medeleerlingen herinner ik me nog goed. Te meer omdat ze steeds mee promoveerden tot aan de zesde klas toe.


Op de foto staan:
1e (voorste) rij van links naar rechts: Leo Lodenstijn, Hans Smeekes, Egied Hartman, Cees Schothorst, Nol Molenaar, Jan v.d. Werf, Theo v.d. Voort.
2e rij: Ineke Schouten, Bea Flapper, Emmy van Diermen, Mieke van Wegen, onbekend, Carla de Haan, Ria van Remmerden, Willie Smeets, Thea v.d. Ploeg, Martha Hilhorst, Joan Sterneberg, Hannie Schouten.
3e rij: Leontien van Liempt, Gonnie Vredendaal, Rudi Betsman, Annette Kraakman, Hans Hunting, Monica de Groot, Marcus v.d. Steenen, onbekend, Hans Tijhuis, Marianne Kok, onbekend, Mieke v.d. Zwaan.
4e (achterste) rij: Meneer van Gisbergen (hoofd van de school), Nannie Gieskens, Henri Verhoef, Joke Kieft, Jan Kuijer, Rietje Luif, Hennie Westerveld, Gerda Dorrestijn, Ko de Leeuw, Nellie ..., Thomas ..., Meneer Jessurun.

Met Hans Tijhuis was ik vriendjes toen we nog op de Zandvoortweg woonden.
Rietje Luif woonde twee huizen verder bij ons aan de Lepelaarstraat. Bij Hans Hunting kwam ik wel eens thuis, hij woonde vlakbij de speeltuin, in de Begoniastraat, denk ik.
En ik was bevriend met Leo Lodenstijn, die woonde in de Gruttostraat of Kievitstraat. Zijn vader was een bekend politieman in Baarn.
Egied Hartman, zijn vader had een fotozaak in de Oranjestraat, heb ik vooral gekend toen we samen op het zangkoor zaten.

Opmerkelijk is, dat ik de enige leerling ben met een stropdas om en keurig wit overhemd. 
Dat was echt iets van mijn moeder. Want op foto’s moest ik er netjes uitzien.
Sinds jaren heb ik al geen stropdas meer aangeraakt. Ik heb er nog één (een zwarte), voor je weet maar nooit.  

Van meneer Jessurun herinner ik me dat hij geweldig verhalen kon vertellen. Die verhalen speelden zich vaak af in verre oorden. Indonesië en zo. Ik denk dat hij deels Indisch bloed had, maar dat is echt een vermoeden. Hij had in elk geval wel heel donker haar. 
Maar hoe het ook zij, het is absoluut zo, dat hij mede de zaadjes heeft gelegd, dat ik belangstelling voor oosterse landen heb gekregen. 
Het zal ook in die tijd geweest zijn, dat ik mijn eerste fiets tot mijn beschikking kreeg. Mijn vader, die voor hij bij de PPI ging werken, enige jaren als rijwielhersteller bij de gebroeders Karhof in de Nieuwstraat in dienst was geweest, had van de bruikbare onderdelen van drie oude fietsen een ‘nieuwe’ fiets voor mij gefabriceerd. Een damesfiets weliswaar maar dat mocht de pret niet drukken. Mét bagagedrager en dat was belangrijk want ik moest mijn twee jaar jongere broer Henk daarop naar school brengen.


Voor die tijd had ik dat dus nog lopend moeten doen. Ik kan de route nog dromen:



Lepelaarstraat-Reigerstraat-Oosterstraat-Noorderstraat-Faas Eliaslaan-Kerkstraat.










In de Oosterstraat ter hoogte van de openbare school (de Oosterschool) rechtsaf de Noorderstraat in. 


Daar was een kolenboer rechts geloof ik. Schattige kleine huisjes. Een leuk wijkje inclusief een groenteboer en bakker. 

En de kruidenier op de hoek met de Javalaan. 



En dan de statige Faas Eliaslaan in. Ik herinner me de prachtige schaduwrijke bomen, die de laan een heel oud en magisch aanzien gaven.
Ja het was een hele tocht, vier keer op een dag. Want tussen de middag gingen we allemaal naar huis. Maar dat was geen probleem, dat deed je gewoon. Geen brengen en ophalen door de ouders zoals dat heden ten dage vaak gebeurt. Natuurlijk was er toen minder verkeer, maar toch. Het gaf je al heel jong een zeker verantwoordelijkheidsgevoel. En er was onderweg nog wel eens wat te beleven. In elk geval te zien en dat prikkelde dan weer mijn fantasie. 


Luchtfoto Noorderstraat, Oosterstraat, Javalaan 1949

Wordt vervolgd met deel 2.

Hans Smeekes  















Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

3.2.16

Jan van der Woord

Een hommage aan mijn zeer gewaardeerde schoonvader

door Frans Wellink


Wie kende in de jaren1926 tot 1968 expeditie
Jan van der Woord in Baarn en omgeving niet?


(slechte) Foto: Dijkweg 52
Hij slaakte zijn eerste kreten op de Dijkweg 52 op 31-10-1901. 
Zijn vader was verzekeringsagent.
Zijn moeder was een dochter van de rasechte Baarnse familie van Koutrik.
Hij was een geboren en getogen Baarnaar.









Zijn voorvaderen, “Eeltink” geheten, leefden in “aen de Woord” te Corle, een buurtschap bij Winterswijk. Ter onderscheid van de vele Eeltink’s die in de buurt woonden, werden zij als "Eeltink aen de Woord" aangeduid. Deze naam is verbasterd tot "van der Woord" en dat hielden ze maar zo. Zij woonden o.a. in de links afgebeelde boerderij, nu gerestaureerd en dienst doende als restaurant. 
Er naast is een zalencentrum en café genaamd  "De Woord" .
Eind jaren 1700 trouwt ene Dirk van der Woord met een Maartensdijkse  schone en hij trekt naar Soest als timmerman op het landgoed Pijnenburg. Zij woonden in een huis genaamd  “het Spie”. Waarschijnlijk het latere uitgebreide restaurant  “Spiehuis”.
Hierna volgden enkele generaties van der Woord’en als timmerlieden, wonende te Soest en de Lage Vuursche. Indien u geïnteresseerd bent in de juiste afstamming kijk  “de Beeldbank van het Groene Graf” er  maar op na. Verschillende oude bekende Baarnse families zoals  Hornsveld, Prins, Pater en Geers komt u dan tegen.

Schoolfoto 1907-1908. Welke school is mij niet bekend. Jan (x)met matrozenpakje. Zijn twee zussen staan erboven (x).
Foto1918: Proefrit op een stoomfiets van het merk “Henderson”,
van een Brabantse klant.
Zijn oudste zus Stien trouwde met Henk Geers de kleermaker uit de Laanstraat.  Zijn tweede   zus Katrien trouwde met ene Radstok die verongelukte. Later met Wim Pater, de bekende fiets-schaats-naaimachine winkelier in de Brinkstraat. Zijn jongste zus was de eveneens bekende en geliefde  “badjuf” bij de Baarnse zwembaden en getrouwd met Co Prins, een bekende voetballer.
Jan doorliep allereerst de technische ambachtschool. Veertien jaar jong poogde hij de geheimen van de “stoomfiets” te doorgronden bij een motorfiets-importeur te Amersfoort.


Foto 1918: Trots achter het stuur, maar nog niet als chauffeur 

Hij zat liever langs de weg en ging op zijn 17e jaar als bijrijder bij expeditie van de Biezenbos in Amersfoort werken. Op zijn 18e verjaardag ging hij in Amersfoort zijn rijbewijs “halen”. 




Foto1919: Nu als chauffeur, poserend naast de vrachtauto van Biezenbos.


Afleggen van “ene proeve van zijn kunne “ was niet nodig. Aangekomen bij de woning van de examinator, zei deze, de grote vrachtwagen ziende: “iemand die op zo een bakbeest kan rijden moet wel heel erg deskundig zijn”. 


De leeftijd van 20 jaar bereikt hebbend riep het vaderland hem op voor de militaire diensplicht. Hij kwam bij de Genie als chauffeur. Hij verliet na een jaar de “dienst” als korporaal. 

Foto 1922: Als geniesoldaat met het eeuwige sigaretje in de aanslag. 
De rang van korporaal werd aangegeven door een rood onderscheidingsteken op de mouw,“Bananenschil” genaamd, vaag op de foto te zien.

Op zijn 25e jaar (1926) begon hij een een-mans expeditie bedrijf vanuit het ouderlijk huis. Hij begon met een oude omgebouwde personenauto. Zijn eerste ”echte” vrachtauto was een Minerva. Een Belgisch merk. Een fabriek die in die tijd o.a. zeer luxe automobielen bouwde. Voor de zeer rijke lieden en hofhoudingen. Bekend door zijn schuivenmotor.  In de stallen van paleis het Loo te Apeldoorn staat er nog een in rijdbare toestand.  
Indien liefhebbers meer willen weten over dit merk, even op Wikipedia of 
Google kijken. 





In 1927 werd er tijd gevonden om te trouwen. Hij trouwde te Soest met de knappe dochter van de tolbaas van de Lage Vuursche: Coba van Kooi.

Hij was niet erg met zijn gedachten bij de trouwerij, aangezien hij bezorgd was of het wel goed ging met zijn andere geliefde, de “Minerva”, deze werd namelijk bereden door een invaller . 


Foto 1932: “de Minerva” met het eerste personeelslid: chauffeur Piet Horst. 


Zij gingen wonen boven de verhuizer van der Heiden (nu Witteveen) in de Nieuwstraat waar hij  zijn vrachtwagen reeds stalde.
                                                                                                                                                                    De zaken gingen goed. Er werd dag en nacht gewerkt.  Coba was helaas aan huis gekluisterd vanwege het aannemen van de telefoons der klanten en Jan was druk met pakjes ophalen en bezorgen.                                                                                                                                             

In 1930 kon een tweede auto aangeschaft worden en een chauffeur aangenomen. Deze auto was geen lang leven beschoren daar een andere automobilist de voorrangsregels kennelijk nog niet goed kende en deze vrachtauto in elkaar ramde. (zie foto hiernaast)
Een andere (een Federal meen ik) werd aangeschaft, deze hield het wat langer vol, kwam zelfs de oorlog door. 


Na het in dienst nemen van een chauffeur kon er gedacht worden aan de uitbreiding van het gezin. Een drietal dochters, Nelly (1931), Sonja (1932) en Dolly (1934) waren de beloning voor de hiervoor verrichtte  inspanningen.
De zaken floreerden. Er kwamen nog enkele vrachtwagens en chauffeurs bij. De ruimte bij de firma van der Heiden werd hierdoor wat klein en er werd omgekeken naar een passende woning en onderkomen voor de auto’s. Deze werd in 1932 gevonden op de hoek van de Gen. K. v. d.
Heijdenlaan en de Oude Utrechtse weg. Een voormalige chauffeurswoning met dubbele garage -en smeerkuil- van de familie Tak, bewoners van een grote villa aan de Amalialaan. Aan de overzijde van deze woning was een garage en paardenstal van (waarschijnlijk ) de familie Sandberg welke gehuurd werd. Later werd deze garage gekocht.
Zo werd een expeditiebedrijf gevestigd midden in een woonwijk, dit kon toen nog zonder vergunningen. Men hield rekening met elkaar, er werd nooit door de buurt geklaagd.


Foto: In 1933 vierden Jan zijn ouders hun 35 jarig huwelijk aan de Dijkweg.


Ondanks de crisisjaren ontwikkelde  het expeditiebedrijf zich tot een gezond bedrijf. Dit door het nakomen van gemaakte afspraken en nette verzorging van de te vervoeren goederen. Constante inkomsten werden verkregen door het kleine werk, pakjes bezorgen en ophalen voor enkele dubbeltjes per stuk.
In 1939 dreigde er oorlog, iedereen die een militaire opleiding had gehad werd opgeroepen om per direct in militaire dienst te treden. Vanwege zijn bedrijf en onmisbaarheid  kon hij voorlopig uitstel krijgen van de mobilisatie.
Eind April 1940 nam de oorlogsdreiging zó toe dat ook degenen die uitstel hadden gekregen zich gereed moesten houden. Van Jan zijn dienstplicht is het er toen niet meer van gekomen. De oorlog brak uit gevolgd door de bezetting  met alle nare gevolgen van dien. De bezetters vorderden alles wat los en vast zat waarvan zij dachten dit nodig te hebben voor hun oorlogsvoering.  Benzine, olie, banden, onderdelen enz. werden steeds schaarser en op het laatst niet meer verkrijgbaar.
Er werd met een oude vrachtauto de beurtvaart-
dienst op Amsterdam onderhouden waar hij een bestelhuis had. Omdat er geen benzine meer was werd deze auto van het merk  “Federal”  voorzien van een “houtgasgenerator”, ingebouwd aan de zijkant. De Duitsers wilde dit vehikel niet hebben vanwege de Amerikaanse afkomst. 

Foto 1942:Met zo een vrachtauto moesten de goederen vervoerd worden.
Arme chauffeur die dit vehikel moest bedienen.
Het was een verschrikking om dit stinkende en walmende apparaat lopend te krijgen en te houden. De werking was -in het kort- als volgt: houtblokjes van 5 x 5 cm. moesten smeulen, hierbij kwamen etherische gassen vrij. Op dit  houtgas liep de motor, de overige troep -houtteer- werd afgescheiden en opgevangen in een tankje. Moest men b.v. naar Amsterdam, dan moesten onderweg houtblokjes bijgevuld worden, deze werden mee genomen in zakken op de spatborden. Opa van Kooi hakte en zaagde zich suf om de benodigde kleine houtblokjes te vervaardigen. 's Nachts om 4-5 uur moest de vergasser aangestoken worden, niet direct tot vreugde van de buurt. Indien het apparaat niet wilde starten (wat bijna altijd het geval was) werd deze de Oude Utrechtseweg afgeduwd. 
Met name het dagelijks aftappen van de vrijgekomen houtteer was letterlijk een “teering” klus. 
De lampen waren verduisterd, zodat het rijden in het donker niet te doen was. De banden waren versleten en spekglad. Huisraad werd bovenop geladen , in de hoop dat de geallieerde vliegers zouden begrijpen dat het burgervervoer betrof en niet zouden schieten. In deze wagen werden ook wel onderduikers,  neergestorte vliegeniers en goederen ten behoeve van de Ondergrondse vervoerd. Uiteraard goed verstopt.
Jaren later kreeg Coba, zijn vrouw, bij Jan zijn overlijden, nog een condoleance-brief (hiernaast gedeeltelijk weer gegeven) die hier aan herinnerde. (Bij Beeldbank van het Groene Graf wordt over bedoelde  zoon Wilco  Jiskoot uitvoerig geschreven.) 




Het vervoer in de omgeving van Baarn werd onderhouden met een 1 pk. haver-motor, genaamd “Bruin”, bediend door de eerste chauffeur Piet Horst. Het laatste jaar van de oorlog lag het bedrijf praktisch stil. Er waren bijna geen goederen meer te vervoeren en het was té gevaarlijk.  







De bevrijding kwam, de hier en daar verstopte wagens werden onder het stro vandaan gehaald en werden rijklaar gemaakt.

Foto 1945:
Een “Federal” overleefde de oorlog, zei het onder het stro op bokken zonder wielen. De wielen waren na de oorlog zoek. Let daarom op de achterwielen, die kwamen van een Canadese truck  en pasten voor geen meter, maar er kon weer worden gereden. 

Foto 1945: De ingekwartierde geallieerden  met hun bren-carrier voor de garage.
De garage aan de “overkant” werd gevorderd ten behoeve van de Engelsen / Canadezen met hun bren-carriers .
De militairen waren, net als wij, blij dat de oorlog afgelopen was. Het waren welkome, gezellige en vriendelijke “gasten”.



Er kon een Amerikaanse legertruc, een zgn. 5 tonner op de kop getikt worden.
Nu niet meer voor te stellen , er werd zelfs vlees mee vervoerd. (1947-1948)

Zie foto hiernaast

Het bedrijf begon weer te lopen.
De meest uiteenlopende goederen moesten vervoerd worden, er was gebrek aan alles. 
Het was wel improviseren.
In 1948 werd een nieuwe Diamond en een Austin toegewezen. Deze werden afgeleverd als kaal chassis zonder cabine.
De laadbak en cabine werden er op gebouwd door een carrosseriebedrijf te Nijkerk.
Later werd het wagenpark uitgebreid met nieuwe Bedfords. Langzamerhand kon van de oude, totaal versleten meuk afscheid worden genomen.


In de nalatenschap van mijn schoonvader kwam ik bovenstaande foto tegen. Waarom en waar de foto (ong. 1948) van deze vergenoegde heren gemaakt werd en wat deze behelst weet ik niet. In de pakken zitten hammen in blik. Wie het weet mag het zeggen.

Foto van l-r:Reijer Jette-Frans Wellink-vrouw van Reijer Jette-Nel Wellink v.d.Woord-Co Prins-Coba v.d.Woord-Jan v.d. Woord-n.n.-vrouw Willem van Loon-Willem van Loon-vrouw Jan Metten-Jan Metten-
voorste rij: Lydia Horst-Piet Horst-vrouw Piet Horst-man van Lydia.
In 1956 werd het 25 jarig jubileum van de eerste chauffeur Piet Horst herdacht.


Het bedrijf groeide in de loop van de jaren uit tot een vloot(je) van 10 vrachtwagens. Enkele wagens waren vast verhuurd aan bedrijven.

Als enthousiast liefhebber van de voetbalsport met name van  “B.V.V. Baarn”, zat hij in het bestuur van deze vereniging. In 1948 werd het 40 jarig jubileum van deze voetbalvereniging in het Badhotel herdacht. Oh nee, toen was het al “Astoria Chalet” genaamd, zie ik op de foto.

Foto: van l-r: Jan v.d. Woord-J. Dral-Co Prins-K. Mayer-n.n.-A. Posthuma-n.n.-n.n.-Koudijs-Visser-N. de Ru- mevr. Koffrie- K. v. Ginstel- Koffrie.
Hierboven een foto van het toenmalig bestuur.  



Foto 1948.
Op 31 Juli 1948 met de voetbalvereniging ? naar Londen voor fl. 75.00 de man heen en weer.
Co Hoksbergen (slager in de N. Baarnstraat) onder vlaggetje, Jan v.d. Woord in deuropening.










Jan  van der Woord leefde voor zijn zaak .

Na verloop van tijd ging de fut er toch  een beetje uit en de groei van het bedrijf hield op, mede omdat hij geen opvolgers had en ontzettend veel last (en pijn) aan zijn door het harde werken versleten heupen had. 
Nieuwe heupen inzetten was toen nog niet in de mode.
Verkoop werd – in de familie – wel eens voorzichtig ter sprake gebracht, maar de zaak was zijn kindje en je kindje verkocht je niet.
Een fatale hartverlamming op zijn 66e jaar bespaarde hem de beslissing om zijn bedrijf te verkopen.
Hij is op 31 Juli 1968 begraven op  het kerkhof Den en Rust te Bilthoven. 




















Waar de voorliefde voor de begraafplaats te Bilthoven vandaan kwam is mij onbekend.

De expeditie, woonhuis en garage's  werden vier maanden na zijn dood verkocht aan Piet Roest, een collega expediteur te Baarn. 
Het bedrijf werd opgenomen in deze expeditie en ging verder onder de naam Roest-Baarn. Na enige tijd werden de werkzaamheden in de panden aan de G. K. v.d. Heidenlaan beëindigd. Later na verhuizing naar Soest, Roest-Soest.
In  de tegenoverliggende garage werden appartementen gerealiseerd.
Piet Roest ging met zijn familie in de woning aan de 
Gen. K. v.d. Heijdenlaan wonen.
Jan's vrouw Coba, kocht in 1969 een nieuw gebouwd appartement aan de Prins Hendriklaan (Sparrenhorst) waar zij tot  midden 1996 gewoond heeft.  Zij verhuisde vanwege haar steeds slechter wordende gezondheid naar haar oudste dochter te Rheden waar zij vier maanden later  op 94 jarige leeftijd is overleden. 
Dochter Sonja bleef ongehuwd en overleed te Baarn in 1993.
Beiden zijn bijgezet in het graf van hun man /vader.
Dochter Dolly  trouwde in 1958 met Gerard Boudewijn, zoon van een Baarnsche architect. Zij kregen samen drie kinderen. Het gezin  emigreerde in 1966 naar Olean in de U.S.A. Later verhuisde zij naar  Dallas in Texas. Gerard overleed aldaar in 1998.




De oudste dochter Nelly (1931) kreeg “verkering” met de zoon van een der vaste klanten: Frans Wellink (1931).
Vanwege het geloof van Frans zijn ouders, of beter gezegd de ongelovigheid van Frans, werd er in alle beslotenheid getrouwd.
De enige trouwfoto
Op Zaterdag omdat er door de week geen tijd voor was en de twee gemeenteboden als getuigen. Nelly vond het prima, zij hield niet zo van alle gedoe rond een trouwerij.
Zij trokken naar Rheden en wonen nu in Hoog-Keppel.
Zij kregen samen vier kinderen. De kinderen zorgden weer voor twaalf kleinkinderen en twee achterkleinkinderen.                                                        




Het 60 jarig huwelijk werd
met deze aanwas -mede- herdacht te Baarn op de dag dat het “Groene Graf” zijn 10 jarig jubileum vierde in het voormalig stationnetje van Baarn.

Foto: 2015. Nostalgie vóór en in  Laanstraat 1.
Frans Wellink
De Kruishorst Worth-Rheden 2005
Bewerkt voor het "Groene Graf" 2015

1.2.16

IJs en weder dienende

door Cees Roodnat



Hoezo ijsbaan?
Wie zich bejaard mag noemen vraagt zich o.a. twee dingen af: a. gaat de tijd sneller als je ouder wordt? En b. hadden we vroeger meer strenge winters dan nu? Het eerste blijkt een gevoelskwestie, het tweede een feit. Ik heb de top 10 koudste winters maar even voor u opgezocht, dat waren ‘in orde van kou’ die van 1963, 1947, 1940, 1942, 1929, 1979, 1996, 1941, 1970 en 1917. 

Die van 1963 herinner ik mij het best. Ik was in Amsterdam in de kost bij een echtpaar op twee hoog. In mijn slaapkamertje was het stervenskoud, bij het wassen ‘s morgens moest ik het washandje van de wastafel kraken. In het toilet bevroor alles wat ik er achterliet waar ik bij stond/zat. Door kleden in het trapgat worstelde ik me naar buiten. In de stad liepen de trams uit de rails en vroren kinderen met hun tong aan de brugleuning. Maar Reinier Paping won de Elfstedentocht en heel Nederland schaatste zich nog een hernia. Dit alles overdacht ik naast mijn vrouw en kleinzoon
De oude ijsbaan aan de August Janssenweg
(Foto: Coll. R. van de Hesseweg)
gezeten, bij een vuurkorf voor restaurant Peking, waar wij een prachtig uitzicht hadden op de ijspret op het baantje van Winter Village. Hoewel “De Warme Witte Winterweken” van tuincentrum ‘t Vaarderhoogt al weer weken achter ons liggen, zou Winter Village Baarn de komende jaren wel eens onze vaste winter-traditie kunnen worden. Want dat het al jaren kwakkelen geblazen is met het natuurijs, dat kunnen ze u bij de Baarnse IJsbaan nog veel beter vertellen. De voorverkoop van abonnementen heeft wel eens harder gelopen en de problemen met het exploiteren van het ijsbaangebouw c.q. terrein vult al jarenlang de kolommen van deze krant. Want wij willen helemaal niet bridgen, sjoelen of darten in wat als Koek en Zopie bedoeld is. En hoewel de Stichting Baarnse IJsbaan en NoName-Events natuurlijk geen gelijkwaardige concurrenten zijn zal er niet zonder jaloezie naar dit Winterdorpje in de Pekingtuin zijn uitgekeken. Konden ze aan de Geerenweg maar een overdekte kunstijsbaan van zo’n 30 bij 16 meter neerleggen waarop een groot deel van de winter geschaatst kan worden. Achter de schermen vindt al wel overleg plaats, las ik. Maar ja, breek over de noodzakelijke vergunningen de bek van Jan Koops, Rutger van Uden of Mary Papo maar niet open.

De ijsbaan van Thijmen de Ruig vóór de zweminrichting aan de August Janssenweg
Heeft u vroeger trouwens nog op de ijsbaan aan de August Jansenweg geschaatst? Als in de 60er jaren ‘s winters de camping van Thijmen de Ruig er verlaten bij lag, moesten er andere inkomsten gevonden worden. Samen met Jas van Schaik, die de theetuin ‘de Watermolen’ exploiteerde, richtte Thijmen een ijsbaan in op het land van boer Dijs. Het land werd onder water gezet, en net als op de huidige ijsbaan, deed toen de vorst nog de rest. Toen boer Dijs het welletjes vond ging de Ruig door
Wielerbaan in de zomer, ijsbaan in de winter
met een veel kleinere ijsbaan op zijn kampeerterrein. Tot er woningbouw kwam was dit baantje (eigenlijk bedoeld voor kinderen) het enige dat er was in Baarn. Toen rond 1981 de huidige ijsbaan aan de Geerenweg werd aangelegd, op een bestaand stuk grond met een agrarische bestemming, raakte het ijsbaantje van Thijmen in onbruik. En ook de ijsbaan aan de Geerenweg is al een keer opgeschoven om de tennissers een onderdak te verschaffen. Met mijn kinderen schaatste ik in de tachtiger jaren trouwens liever op de vijver van kasteel Groeneveld of de vijver in het AGO-bosje (Rusthoek). Vóór mijn tijd werd er ook op de toenmalige Pekingkom en op de vijver achter Villa
Schaatsen achter Villa Vijverhof
Vijverhof (naast AH) geschaatst. Gaan we nog verder terug in de tijd dan hadden we in 1897 naar de tussen de Wilhelminavijver en het spoorravijn gelegen wielerbaan gekund, waar schaats- en wielerkampioen Jaap Eden voor uitverkochte tribunes op 11 augustus van dat jaar zijn rondjes kwam rijden. In de winter kon die baan onder water worden gezet en na bevriezing voor  de nodige ijspret zorgdragen. Maar dat kan niemand meer navertellen, want ‘dooien’ spreken niet. Barometers wel en die vertellen ons weinig nieuws op het koufront. Maar laten we niet wanhopen; de meeste Elfstedentochten werden verreden in februari. U kunt nog twee weken naar Wintervillage en dat is wel zo gezellig.

Geraadpleegd: 
- Berichten Baarnsche Courant over IJsbaan en Wintervillage 2015/2016
- Interview met Thijmen de Ruig door Riet Uileman (ongedateerd)
- De Baarnse wielerbaan, door Gerard Brouwer in Van Baerne tot Baarn, 1999

Cees Roodnat












Dit verhaal verscheen op maandag 1 februari 2016 in de Baarnsche Courant  in de rubriek

  ’Vandaag is morgen alweer gisteren (bruggetjes naar vroeger)’

Deze rubriek is een samenwerking tussen de Historische Kring Baerne en Groenegraf.nl    

30.1.16

Wie, Wat, Waar? Willem Heetmayer en Veldhuizen


Speurder, de speurhond van Groenegraf.nl
Vandaag is een nieuwe uitzending in de rubriek Wie, Wat, Waar? bij RTV Baarn gestart. De rubriek is een samenwerking met Stichting Groenegraf.nl. U kent inmiddels onze speurhond "Speurneus". Tijdens de uitzending van de rubriek Wie, Wat, Waar? graaft Speurneus telkens een foto van Groengraf.nl op. Wij hopen dan dat de kijkers van RTV Baarn en de volgers van Groenegraf.nl de vragen die we hebben over de foto kunnen beantwoorden.










Deze foto is gemaakt in de Javalaan. Op de achtergrond ziet u het torentje van het voormalig koetshuis van villa Canton. Willem Heetmaijer (1898-1984), links op de foto, was getrouwd met Alie van Maanen, dochter van Jacob van Maanen van het transportbedrijf in de Schoolstraat.
Willem werkte voor Hooghiemstra, meelfabriek, of beter gezegd, fouragehandel in de Schoolstraat. Dan kwam hij zo wit als een tamme muis thuis. Daarom kreeg hij de scheldnaam van meelmuis. Weer later was hij huisbediende bij de familie Huneus op het Stationsplein. De man rechts heet Veldhuizen en komt mogelijk uit Bunschoten.
Wie weet wie deze Veldhuizen is?
Deze vrachtwagen is volgeladen met meel van Fa. Hooghiemstra. Wie heeft er nog foto’s van de meelfabriek Hooghiemstra in de Schoolstraat?

Wat we precies willen weten leest u op onze site via deze link, of bekijkt u op RTV Baarn. De uitzending blijft ook te zien op onze site via deze link. Op die plek kunt u gelijk ook uw reacties plaatsen.

We zijn heel erg benieuwd of u ons kunt helpen!




RTV Baarn via het digitale pakket van Ziggo op kanaal 42 of via de stream op www.rtvbaarn.nlYouTube en Facebook.

Op onze site is deze rubriek te volgen via www.groengraf.nl/wiewatwaar

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter