maandag 30 oktober 2017

Sint Nicolaas en Baarn: een bericht van Sint

door Sint Nicolaas


U zult wel denken, een bericht van Sint: dat zijn wij niet gewend zo vroeg in het jaar. Nou ja, wat heet vroeg, over vier weken, om precies te zijn op zaterdag 25 november hoop ik, Deo Volente, weer voet aan wal te zetten in uw vorstelijke of moet ik zeggen bisschoppelijke dorp Baarn.
Toch voel ik mij door recente ontwikkelingen en daaruit voortkomende discussies gedwongen mij nu al tot u de lezers en de kijkers van de prachtige site Groenegraf.nl te wenden. Velen van u blijken in verwarring te zijn over mijn toekomst en die van mijn trouwe hulpen, de Pieten, in het bijzonder.


Om de ontstane onrust bijtijds de kop in te drukken nodig ik u allen uit een bezoekje te brengen aan de op zaterdag 21 oktober jl. geopende Sint Nicolaas en Baarn tentoonstelling bij de Historische Kring Baerne. Opgezet en ingericht door Baarnaar Frits Booy, Sint Nicolaaskenner bij uitstek, en zijn vele HKB-hulpen. Voor de echte liefhebbers! Vitrines vol met prachtige Sint Nicolaas memorabilia! Een unieke gelegenheid om mijzelf en mijn Pieten beter te leren kennen en te waarderen. Sint zegt: doen! Mocht u ondanks mijn welgemeende uitnodiging toch tegenstribbelen, u weet wat u te wachten staat!

Tevens wil ik u alvast verklappen dat Groenegraf.nl zoals u dat de afgelopen jaren van hen gewend bent ook nu weer uitgebreid aandacht aan het komende Sinterklaasfeest zal besteden, ditmaal door middel van een exclusieve berichtgeving over één van mijn meest illustere voorgangers op maandag 27 november a.s.

Wij, de Sint en zijn Pieten, kunnen niet wachten en naar wij aannemen u ook niet.
Nog maar een kleine achtentwintig nachtjes slapen en dan is het zover!
Tot dan, het ga u allen goed.

donderdag 26 oktober 2017

Het gruwelijke verhaal van pater-missionaris Bernardus Johannes van Klaarwater uit Baarn



Bernardus Johannes van
Klaarwater (1896-1943)

Bernardus Johannes (Bernard) van Klaarwater werd in Baarn geboren op 2 februari 1896 als zoon van Bernardus Johannes van Klaarwater (1866-1934) en Anna Elisabeth Kessels (1862-1897). Vader Bernard was timmerman en had een groot gezin. Na de geboorte van Bernard jr. beviel moeder Anna Elisabeth Kessels van een levenloze zoon. Die bevalling zou zij zelf ook niet overleven. Ze stierf al toen Bernard jr. pas tweeëneenhalf jaar oud was. Vader Bernard bleef achter met vijf jonge kinderen. Hij trouwde een jaar later met Anna Portengen. Anna Portengen kreeg ook nog eens negen kinderen waardoor het totaal aantal kinderen op vijftien (waarvan twee levenloze) kinderen uitkwam. Ook stiefmoeder Anna werd niet oud. Zij stierf in 1917, op 48 jarige leeftijd.



Bernard jr. besloot al jong dat hij priester wilde worden. Het is begrijpelijk dat deze priesterroeping in het gezin met wat reserve werd kennisgenomen. Toch mocht hij naar de apostolische school van de missionarissen van het H. Hart (M.S.C.) te Tilburg. Nadat hij het gymnasium had doorlopen, volgde het noviciaat in Someren. Op 21 september 1916 deed hij professie. Daarna begon hij aan een studie filosofie en theologie in Arnhem. Met nog zes medebroeders werd hij op 15 augustus 1921 te Utrecht priester gewijd en daarna was het wachten op een benoeming. Het liefst wilde hij aan het werk in overzeese gebieden, bij voorkeur Indonesië of de Filippijnen. Het werd het apostolisch vicariaat van Rabaul (en daar nog 670 km vandaan, bij het eiland Manus, een plek nog drie keer verder dan het einde van de wereld). Op 30 januari vertrekt hij vanaf Londen.
 
Bernardus Johannes van Klaarwater (midden) tot priester gewijd (1921)
 


 
Bernard sr. en Bernard jr. bij de priesterwijding 1921
Bernard was groot van postuur, stevig gebouwd, intellectueel ruim voldoende begaafd, goed in organiseren, graag en spontaan helpend, opgewekt van aard, oprecht vroom en in alles een serieuze kloosterling. Als minder positieve puntjes worden van hem vermeld dat hij regelmatig vergeetachtig is en vaak te laat komt. De overste destijds besluit zijn rapport: Joh. 1, 47 (een echte Israëliet, een mens zonder bedrog.) Samen met twee Duitse medebroeders en drie Nederlandse zusters begint hij met grote ijver. In het gebied Manus met zijn vele kleinere eilanden erbij was de katholieke missie pas in 1913 begonnen, met een zeer moeilijke start. Nu het Duits koloniaal gebied inmiddels Australisch was, had men er nu niet-Duitse hulp nodig. Ook de Lutherse kerkgemeenschap had een aantal zendelingen op het eiland. De bevolking voelde zich heel wat beter thuis op het water dan op vaste grond. Er werden ook heel wat, onderling sterk verschillende, dialecten gesproken. Gelukkig waren er kostbare en vaak zeer toegewijde catechisten.

Na 11 jaar komt Van Klaarwater voor de eerste keer (en zoals we nu weten voor de laatste keer) naar Nederland terug voor een goede vakantie. Hij scheept weer in op 4 december 1935. Terwijl in het Westen vanaf september 1939 de oorlog al volop woedde, besloot de Japanse kroonraad in 1941 tot oorlog tegen V.S. en Groot-Brittannië en werden daardoor ook de noordkust van Papua Nieuw-Guinea en de eilanden in de Bismarck-Zee daar bezet. Ook Manus Island kwam onder Japans gezag. Op New-Brittain werden toen alle aanwezige missionarissen en andere vreemdelingen (350 personen) in een enorm kamp nabij Rabaul achter prikkeldraad gezet, bewaakt door de Japanse militaire politie.



Manus Island bij Papua New Guinea
Bron: Google Maps
In 1943 ontving de Japanse commandant kort achtereen drie brieven vanuit het hoofdkwartier:
- alle buitenlanders naar Rabaul overbrengen
- de Akikaze (een torpedojager) komt langs om de mensen aan boord te nemen
- en, eenmaal op open zee, werd door een kleine boot de derde brief aan kapitein Sabe overhandigd. Het was woensdag 17 maart 1943. De brief was verzegeld. Luitenant Kai en de gehele bemanning raakten van streek, maar bevel was bevel. In alle haast werd op het achterdek een houten platform met daarop een soort schavot gebouwd. 2 bij 2 meter, 3,50 meter hoog. Terwijl de snelheid van het schip werd opgevoerd begon de moordpartij.



Het schip Akikaze waar de gruweldaden plaatsvonden
(bron: Wikipedia)

De mannen kwamen eerst aan de beurt, daarna de vrouwen. Men moest zich uitkleden tot op het ondergoed. Dan werd men geblinddoekt. De handen werden bij de polsen vastgebonden aan een haak die aan een kabel bevestigd was. Het slachtoffer werd dan omhooggetrokken en door enkele soldaten doodgeschoten. Men liet het lichaam zakken, maakte het los en wierp het in zee. Drie kinderen werden levend in zee gegooid. De schietpartij begon kort na het middaguur en duurde ongeveer drie uur. Er werden 62 mensen omgebracht. Het schip voer op volle snelheid om zodoende het geluid van het schieten te overstemmen. Na zonsondergang bereikte men Rabaul. Jarenlang is men onwetend gebleven omtrent het lot van Bernard van Klaarwater. Hij moest op zee verdwenen zijn, maar nadere gegevens ontbraken. Pas in de jaren zestig is pater Ralph M.Wiltgens S.V.D. erin geslaagd via officiële instanties in Australië en de Verenigde Staten van Amerika de geschiedenis van de Akikaze te achterhalen.

Zo kwam pater-missionaris Bernardus Johannes van Klaarwater op gruwelijke wijze aan zijn einde. Op 17 maart 1943, op open zee bij het eiland Manus, op weg naar Rabaul. Hij werd slechts 47 jaar oud. Vader Bernard leefde al niet meer, maar voor de rest van de familie moet het nieuws als een bom zijn ingeslagen.


 
Dit verhaal is eerder in 2012 gepubliceerd op onze eigen website.
 

Bron: Website Nicolaaskerk Baarn. Een uitgebreide beschrijving van dit vindt u in hoofdstuk VIII van het boek GETUIGEN VOOR CHRISTUS, ondertitel: Rooms-katholieke bloedgetuigen uit Nederland in de twintigste eeuw, dat in 2008 is uitgegeven in opdracht van de Nederlandse bisschoppenconferentie.
Met dank aan mevr. E. Sierink-Van Klaarwater uit Soest voor het prachtige beeldmateriaal. Het familieportret is afkomstig van dhr. F.H.J. van Klaarwater uit Udenhout, waarvoor hartelijk dank.


Geplaatst door L.J.A.Bakker
http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  

Kom in actie en deel ook uw Baarnse herinneringen op Groenegraf.nl

 

zaterdag 21 oktober 2017

Wie, wat waar: Has Loomans


Speurder, de speurhond van Groenegraf.nl
Vandaag is een nieuwe uitzending in de rubriek Wie, Wat, Waar? bij RTV Baarn gestart. De rubriek is een samenwerking met Stichting Groenegraf.nl. U kent inmiddels onze speurhond "Speurneus". Tijdens de uitzending van de rubriek Wie, Wat, Waar? graaft Speurneus telkens een foto van Groengraf.nl op. Wij hopen dan dat de kijkers van RTV Baarn en de volgers van Groenegraf.nl de vragen die we hebben over de foto kunnen beantwoorden.




Het witte pand op de hoek van de Parkstraat en de Laanstraat, naast de Blokker is inmiddels afgebroken, maar vele Baarnaars zullen zich dit pand nog wel herinneren. Hierin was een heel bijzonder winkeltje gevestigd. Has Loomans, of eigenlijk H.A.S. Loomans, want Has was niet zijn voornaam maar waren zijn voorletters.
Wie er wel een geweest is kan zich zeker nog dit gezellige winkeltje, waar je alles was los en vast zit kon kopen, herinneren. Helaas hebben we helemaal geen foto's van het winkeltje over van dhr. Loomans zelf. Het zou leuk zijn als we die op onze website zouden kunnen tonen. Wie kan ons helpen aan mooie foto's?

Wat we precies willen weten leest u op onze site via deze link, of bekijkt u op RTV Baarn. De uitzending blijft ook te zien op onze site via deze link. Op die plek kunt u gelijk ook uw reacties plaatsen.

We zijn heel erg benieuwd of u ons kunt helpen!





De uitzendingen van RTV Baarn zijn te zien via het digitale pakket van Ziggo op kanaal 42 of via de stream op www.rtvbaarn.nlYouTube en Facebook

Ook via Xs4all en Telfort met de witte afstandsbediening op kanaal 626 en via XMS, Edutel, Fiber.nl, Stipte, Lybrandt en Telfort met de zwarte afstandsbediening op kanaal 2125.

Op onze site is deze rubriek te volgen via www.groengraf.nl/wiewatwaar

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

Geïnspireerd geraakt door onze oud Baarn-verhalen?
Kom in actie en deel ook uw herinneringen op Groenegraf.nl.

vrijdag 20 oktober 2017

Bakker Franciscus van Dijen


Van dhr. Wim van Dijen uit Hoogkarspel kreeg ik een leuk verhaal toegestuurd. Het verhaal, geschreven door J. Lindenkom, is in november 1937 gepubliceerd in de Baarnsche Courant. De bakker in het verhaal is bakker Franciscus van Dijen. Zijn bakkerij was te vinden in de Laanstraat, onder de rieten dakjes. Franciscus werd geboren op 12 november 1834 in Baarn als zoon van Bastiaan van Dijen en Anna Elisabeth Ottenkoot. Franciscus had het bakkersbedrijf overgenomen van zijn vader. In 1864 trouwde hij in Baarn met Anna Maria Elisabeth van der Heijden. Uit het huwelijk werden maar liefst elf kinderen geboren. Franciscus van Dijen stierf op 18 juni 1922 in Baarn. Hij werd begraven op de katholieke begraafplaats aan de Kerkstraat in Baarn. Hieronder volgt het verhaal. De tekst is hier en daar een beetje aangepast aan de huidige schrijfwijze en spelling.





Het logement annex rechthuis aan de Brink in Baarn

Het is nu ongeveer 1860, op een mooie dag in het begin van mei, toen zaten in het Rechthuis op de Brink twee commiezen te vigileren. Zij konden op een bakkerswinkel zien. Niet heel goed, want twee of drie lindebomen benamen het gezicht wel wat. Door de ruiten van het hoekraam van het Rechthuis tuurden ze. De kar van de molenaar van de Vuursche stond voor de deur. Hoeveel zakken er in gedragen werden konden zij niet zien, maar minstens zes, dat stond vast.
De bakker had niets opgegeven, geen tarwe, geen rogge, maar als hij smokkelde, dan was het toch wel onvoorzichtig om het meel maar zo door de voordeur te ontvangen. Dat de bakker smokkelde, daarvan waren de ambtenaren overtuigd, hij moet meer meel verbakken dan hij aangaf voor de belasting op het gemaal. Ze loerden stevig op hem, de ambtenaren, doch te pakken krijgen konden ze hem niet.
En de molenaar van de Vuursche, in de wandeling Hein van de Vuurst genoemd, die stond al in een heel slecht blaadje bij de commiezen. Hij was ongetwijfeld de grootste smokkelaar uit de omtrek en de slimste, want te snappen was hij niet. Voor een jaar of zes terug had de oudste commies hem eens te pakken gekregen voor een onnozele twee zakjes rogge, dat was alles. Overal had Hein 't toen uitgebazuind, dat hij een enkel keertje zo'n ambtenaar wel een extraatje wilde wilde laten verdienen; eens in de tien jaar, meer niet. De oude commies had zijn standplaats in Amersfoort en de jonge, een vrijgezel van vier en twintig jaar, was te Baarn gevestigd. Hij woonde bij een paar oude mensen in een klein huisje, schuin achter het logement de Pauw.





"Onder de rieten dakjes" aan de Laanstraat in Baarn, met de bakkerij Van Dijen.
Overigens heette dat stukje Laanstraat in die tijd nog Oranjestraat.


Voor zover ze zien konden was de kar leeg en de molenaar bleef bij de bakker binnen. Nu zouden zij er op los. Voor het Rechthuis bleven ze toch nog staan, want ze hoorden in de verte een luid zweepgeknal. Alle mensen liepen uit, ook voor het huis van de bakker kwam de molenaar weer te voorschijn en de bakkersvrouw en de bakker. Voor ieder huis stonden de mensen te wachten. De Koningin-Moeder was in aantocht.
Anna Paulowna was verleden jaar slechts een paar weken op Soestdijk geweest en het praatje ging, dat ze niet meer daar terug zou komen.Het was maar een praatje, want voor zes weken wist ieder al dat ze begin mei het paleis betrekken zou. Gister was ze gekomen en nu maakte ze haar eerste rijtoer door de omtrek.
Het zweepgenknal van de dikke koetsier van de Koningin kenden ze in Soest en Baarn allemaal wel. Het was niet alleen veel luider dan het knallen dat Nardus de varkensdrijver met zijn reusachtige zweep deed, maar het klonk ook veel voornamer, het was koninklijk geknal!
Daar kwamen de kleine paardjes in snelle draf. Ze waren sierlijk getuigd, elk met een boog boven zich, waaraan kleine zilveren belletjes en een wapperende pluim bovenop. De vierspan werd meesterlijk bestuurd door de zware koetsier. De Koningin zag er goed en opgewekt uit, ze knikte nu en dan tegen de mannen, die met ontbloot hoofd stonden, tegen de vrouwen en meisjes die diep bogen.
Toen het rijtuig in een stofwolk verdwenen was, waren bakker, bakkerin en molenaar weer binnen en de twee ambtenaren liepen haastig de Brink over naar het lage huis met het rieten dak. De oude ging niet de deur in, maar liep de hoek om, zo naar achter het huis. Daar stond een wagen met takkebossen, die nagenoeg heel het kleine werfje vulde achter de bakkerij. De ambtenaar moest zich bukken, want de wagen was breed geladen en de takken kwamen tegen de muur van het huis aan.
De jonge commies ging de voordeur in, doorvorste met snelle blik het kleine winkeltje, liep de smalle gang in en zag in het huiskamertje de molenaar bezig met het vuurslaan. Hij blies in de tondel en dampte toen geweldig; had geen aandacht voor zijn krom pijpje.
"Mag ik 't accijnsbiljet zien?", vroeg de ambtenaar kortaf doch op beleefde toon. De molenaar scheen door de wolken tabaksrook te zoeken naar de man, die de vraag deed en eindelijk vond hij hem. "Mijnheer Nanning, u weet toch wel dat het accijnsbiljet tegelijk met het meel wordt afgeleverd, of... weet u dat nog niet?"
Nanning voelde dat hij een kleur kreeg. Hij had een domheid begaan, eenmaal het gemalen graan afgeleverd was de molenaar van alle verantwoordelijkheid af. Hij moest den bakker vragen, die was nu aansprakelijk.
De jonge man liep naar de bakkerij, waar inmiddels ook de oude man was gearriveerd, na eerst het houtschuurtje (alles was daar klein in deze nering) doorzocht te hebben. In het schuurtje lagen zowat een dozijn takkenbossen, wat knuppels, wat sparrennaalden, een rommeltje brandhout, anders niet.
In de bakkerij was een jonge bakkersvrouw. Ze stond zowat tegen, zat zowat op de trog. Een groot, blinkend mes had ze in de hand. Op de trog stond een plaatje beschuitbollen en de bakkerin was aan 't beschuit snijden, een werkje, waarmee ze rustig voortging toen de twee ambtenaren door de twee deuren de bakkerij binnen stapten. In de linkerhand nam zij een beschuitbol en met het vlijmscherpe mes sneed zij een, twee, drie sneden en de zacht gele bolder viel in twee helften. Het mes kwam tot op de vereelde huid in de holte van haar kleine hand, maar zonder dat het een ietsje te ver ging. Zó beschuit snijden deed bijna geen enkele bakker haar na. Meestal deed men twee sneden, keerde de bolder dan om en trok het mes de hoogte er door. Om zo te snijden, een mes als een scheermes zo scherp telkens tot op de huid te laten komen, moest je geen last van zenuwen hebben. Dit had de bakkerin ook niet. Ze groette de heren beleefd en op de vraag naar het accijnsbiljet wees ze met haar groot mes naar de muur en sneed rustig verder.
Ja, waar de briefjes gewoonlijk hingen, dat wist Nanning wel. Hij nam ze alle van het spijkertje en keek ze na. Allemaal oude biljetten, van het laatste konden hoogstens twee honderd pond tarwemeel aanwezig zijn. Wat er dus meer dan twee honderd pond gemalen tarwe in huis was, moest door een ander biljet gedekt wezen.








De bakkerin uit dit verhaal:
Anna Maria Elisabeth van der Heijden
(ca. 1839-1912)

"Heeft u geen ander biljet?", vroeg Nanning. "Dat zal mijn man misschien weten, ik niet", antwoordde de bakkerin. "Hij is op zolder, hij is aan 't zakken uitkloppen. De molenaar zit erop te wachten".
Zakken uitkloppen. De ambtenaren keken elkaar zuur aan en Nanning zag weemoedig naar het zwart van zijn lakense jas. De oude had een slipjas aan van onbestemde kleur, die grijs of groen of bruin of zwart kon wezen, net toevallig hoe het licht erop viel. Maar Nanning was netjes, keurig in 't pak altijd, dat kon hij wezen want de kleding van vrouw en kinderen eiste geen deel van zijn traktement op. De commiezen kenden de hatelijkheid. Als een bakker ze verwachtte dan moest hij toevallig altijd zakken uitkloppen. Hij had ze zeker aan zien komen. Vooruit maar, dat zijn de tegenheden van het ambt. De twee mannen klommen de trap op en Nanning duwde het luik omhoog, tenminste, hij wilde het doen. Het ging niet omhoog. De oude, die een dikke stok in de hand had, stootte tegen het luik en van boven kwam een geluid, dat zeker "wiedaar" moest betekenen. "Ambtenaren", riep de oude. "Wij komen peilen. Ga van het luik af, doe open dat luik!". "Ga je gang maar!", was het antwoord. Het zware luik ging door middel van een touw met tegenwicht gemakkelijk, maar toen Nanning tot borsthoogte boven het zoldergat uit was, week hij onwillekeurig terug, want een witte meelwolk vloog hem pardoes in 't gezicht. "Vooruit kerel", riep de oude, want met de stap terug botste hij de ander bijna van de ladder af. "Vooruit!".





Bakker Franciscus van Dijen
(1834-1912)
De witte wolken vlogen in het rond, de bakker sloeg zijn zakken als een razende. Aanvankelijk konden de twee ambtenaren niets onderscheiden. "Doe het luik dicht alsjeblieft heren", zei de bakker. Nanning wilde het luik laten vallen, maar de oude hield hem terug. "Als je het luik dicht wilt hebben, doe je het zelf maar", riep de oude. "Nou, nou, de heren zijn niet in hun humeur vanmiddag", zei de bakker kalm, terwijl hij het luik deed dalen. Toen begon hij weer als een woeste aan 't kloppen. "Je hebt zo-even meel ontvangen, heb je een accijnsbriefje?", vroeg de oude. "Ik heb geen meel ontvangen", antwoordde de bakker, terwijl hij bleef doorkloppen. Geen van beiden vroeg hem daarmee uit te scheiden, zij wisten wel dat hij het toch niet zou doen. "Geen meel ontvangen? Wat dan?", vroeg Nanning. "De heren hebben alleen maar te maken met meel. Geen meel, da's genoeg". De zakken leken erg slecht uitgeschud, want zulke wolken wit poeder, die konden haast niet uit een meelzak komen. De zolder was maar klein van oppervlakte en was spoedig doorzocht. Rechts van het luik was de korenzolder, daar lagen een hoop tarwe en een hoop rogge, beide bedekt met schone zakken voor het meelstof. De oude schroefde de knop van zijn stok los, het was een degenstok. Hij stak het lange stuk metaal hier en daar in de hopen koren. Daarin was niets. Links van het luik was de builzolder. De buil stond in een vertrekje, met latten en linnen afgescheiden, dat een heel licht deurtje had. Dat deurtje was op slot. "De sleutel van de builzolder!", beval de oude kortaf. De bakker staakte zijn geklop en wroette tergend langzaam, eerst in de rechter- en toen in de linker broekzak. De sleutel was er niet. Daarna in het rechter-, dan in het linker vestzakje. Hij moest daarvoor eerst zijn boezeroen losknopen. En toen knoopte hij het weer vast, wat eveneens uiterst langzaam ging. Toen keek hij een keer hulpeloos de zolder rond alsof zo'n sleuteltje een ding was dat ergens in de lucht zweefde en eindelijk, toen de oude op het  punt stond uit zijn vel te springen, vond hij het ding eindelijk toch in de zak van zijn broek.

Maar het sleuteltje paste niet. De oude probeerde. Nanning probeerde. "O, wacht eens heren, ik heb jelui per abuis het verkeerde gegeven, hierzo, dat is het goede...". Nanning ruilde de sleuteltjes en toen hij zich weer omdraaide, flap, flap, uit de meelzak joegen weer dikke wolken, precies in zijn richting.
Het builkamertje kom maar juist de builkist bevatten en dan was er precies ruimte voor degeen, die stond te draaien en achter de kist kon net iemand de zemelen wegschuiven. Verder was er plaats voor één of twee zakken. Er stond een hele en een halve zak meel, doch die waren allebei nog door het laatste briefje gedekt.
Tussen het builkamertje en de schuinte van het dak was een bedstede getimmerd, waar het knechtje sliep. Het was een bekrompen slaapgelegenheid, maar de gordijntjes en - dit had Nanning bij een vorige gelegenheid al eens gezien - het bedlinnen waren hagelwit.
Werktuigelijk sloeg Nanning het ene gordijntje opzij. Geen beddengoed, maar zakken. Hé, een rare plaats om zakken op te bergen". Heel gewoon heren, mijn nieuwe knechtje slaapt bij zijn moeder thuis, ik heb geen schepel ruimte teveel, geen wonder dat ik daar mijn boekweitdoppen berg. Dat zijn zes zakken die Hein zojuist heeft gebracht". Bakkers, die niet veel roggebrood bakken en niet de gehele oven vol kunnen maken, dekken het brood met nat gemaakte boekweitdoppen, teneinde een zachte korst erop te krijgen. De oude wist dit wel en daarom vond hij het niet vreemd dat dit oneetbaar materiaal aanwezig was.
Hij bevoelde de bovenste zak, ja, er zaten boekweitdoppen in. Maar alleen doppen? Hij kon met zijn degen moeilijk door het linnen van de zak steken. Nanning beurde er één uit, de krop werd opengemaakt, het dunnen metaal ging gemakkelijk tot de bodem toe. De ambtenaren wilden zeker van hun zaak zijn. Alle zes de zakken beurden zij uit de bedstede, maakten ze open, peilden ze, niets dan doppen.


De bakker was inmiddels met kloppen klaar gekomen en bond een aantal zakken tot een bundel. Hij had met een lange stoffer het meelstof van het luik geveegd en stond er nu op.
"Hier is niets dat er niet wezen mag", zei de oude, "dus we gaan weer". "De heren zullen toch zeker wel zo goed zijn om die zakken weer behoorlijk dicht te binden en op hun plaats te leggen?", vroeg de bakker. "Neen bakker, dat zullen we nu eens niet doen", teemde de oude. "Dat zal je verd.... wel doen!", schreeuwde de bakker driftig. "Dat zullen we niet doen", ging de oude daar bedaard tegenin, "en ga jij nu maar van dat luik af, dan kunnen wij naar beneden."
"Je komt niet eer beneden voor die zakken op hun plaats zijn". Een ogenblik stonden de drie mannen zwijgend, onbeweeglijk. Alle drie kookten ze inwendig. De bakker niet, maar de twee ambtenaren wendden kalmte voor. "Nu nog eens voor het laatst, wil je ons van de zolder laten, ja of neen?" "Denk erom bakkertje", zei de oude met honende zalving, "denk erom, ik vraag het je nou voor het laatst, ja of neen?"
De bakker zweeg. De ambtenaren zagen elkander een ogenblik aan. Even was het heel stil in het huis. Het was of nergens een levend wezen was. Toen klonk van van beneden ineens een geluid alsof een zware ijzeren deur onbehoorlijk hard werd dichtgesmeten. De bakker scheen te schrikken. "Donders, mijn beschuit, da's waar ook." En zonder van de twee ambtenaren enige notitie te nemen, tilde hij het luik op en snelde de trap af. De twee mannen volgden. In de bakkerij zat de vrouw nog te snijden. De bakker vloog naar de oven, rukte de deur open, de vrouw lachte "Je dacht zeker dat de bovenkorsten er nog in stonden, die heb
De oude kommies was man van ervaring, en had een scherp oog, maar hij merkte toch niet op dat de vrouw gedurende al die tijd dat ze op de zolder geweest waren, nagenoeg niets met haar beschuitensnijderij was opgeschoten. Zij was nog aan dezelfde plaat bezig, die ze onder handen had toen de mannen de trap op gingen en nog aan dezelfde rij bolders. Zodra het luik zo-even onder de twee ambtenaren was dichtgevallen, had zij het mes neergelegd en was onhoorbaar de bakkerij uitgewipt. Op 't zelfde moment was ook de molenaar te voorschijn gekomen. Zonder elkaar een woord te zeggen, vaardig en beslist, zonder een enkele onnodige beweging of enig geluid te maken, deden ze beiden hun werk. De vrouw legde gezwind enige takkenbossen in het schuurtje opzij, veegde met een gereed staande bezem de sparrennaalden weg van een deel van de vloer. Daar kwam nu een vierkant luik te voorschijn, waaraan geen ring of iets was om het op te lichten, maar de bakkerin was een stevig frommes, ze had gespierde armen. Onderwijl had de molenaar het voorschot en het kistje van de wagen met takkenbossen losgemaakt. Dat alles zat vernuftig met haakjes en pennetjes vast, zo, dat als je 't niet wist, je het niet zien kon.
De wagen had hoge leren en zoals het altijd gebeurt, dwars over de leren gingen houten en op deze, langs de wagen de lange houten. Daar werden dan de takkenbossen op geschikt.  Onder die takkenbossen, in de eigenlijke wagen, lagen acht zakken meel. De molenaar was een flinke, sterke kerel, hij speelde als 't ware met zo'n zak meel. In een wip waren de eerste zakken uit de wagen en in de ruimte, die onder het luik in het schuurtje daar blijkbaar opzettelijk voor was ingericht.


Aan de kroppen van de achterste zakken was een touw vastgemaakt, zodat de vrouw telkens een zak naar voren kon trekken. Zo gezegd, het ging alles zwijgend, wondervlug, ongelooflijk behendig. De wagen leeg, het luik dicht, weer de takkenbossen erop en wat sprik en wat knuppels. Het kistje en het voorschot weer aan de wagen, elk spoor van meel verwijderd, het ging met een onbegrijpelijke vaardigheid. Maar...., het duurde toch enkele minuten. Een laatste blik over alles heen, niets meer te zien. De molenaar sloop onhoorbaar naar het huiskamertje en nam zijn pijp weer. Die was nog niet eens geheel uitgegaan. De vrouw ging in de bakkerij, deed heel voorzichtig de ovendeur open en smeet die met een geweldige smak weer dicht. Toen ging ze bedaard zitten en sneed weer beschuitbollen, zo, dat het haarscherpe mes telkens de huid in de holte van haar hand raakte, en toch niet schond. Toen ging ook het zolderluik open.


Nanning deed enigszins aarzelend de deur van de kleine slaapkamer open en keek rond. Het was daar alles kraak en kraak netjes. Hij zag wel dat hier geen meelzakken konden zijn ingebracht. De oude lichtte nog het deksel van de trog op, waartoe de vrouw natuurlijk haar plaat met beschuitbollen moest wegnemen. Ook daar was niets te zien.
Och hé... alles was zo beknopt, dat je zou zeggen, nog niet een enkele zak was te verbergen. De oude neusde nog eens in 't schuurtje, de takkenbossen en het losse hout lagen er nog precies zo. Hij keek wantrouwend naar de wagen.
"Nanning, kijk eens hier!", riep hij. Nanning kwam naar buiten en heel toevallig was nu ook de molenaar naar buiten gekomen. Ze konden met z'n drieën ternauwernood op het werfje staan. "Nanning, heb jij 't wel ooit gezien, dat een wagen met hout geladen is en dat dan nog het achterslot er aan zit?". "Wat zal mijnheer dáár nou van weten", meende de molenaar. "Daar weet ik wel van, ik ben van boerenafkomst", zei de oude. "Van boerenafkomst, en dan... commies!"....


De molenaar zei dat op zo'n meewarige toon, alsof hij wilde zeggen, wat kan een mens toch diep zinken. Nanning meende ook, dat gebeurde nooit, ook niet in de Vuursche. De wagen was van Westener, maar de boer was het dorp ingegaan met zijn paard. Straks zou hij terugkomen om te lossen. De oude en Nanning probeerden om het achterschot los te krijgen, maar natuurlijk ging dat niet of er moesten eerst de takkenbossen af. De oude kwam weer met zijn degen op de proppen, maar daar begon hij nu ook niets mee. Zij zouden wel niet verder gemorreld hebben als niet Nanning op de grond, onder de wagen, sporen van meel ontdekt had. Inderdaad lag daar iets dat heel goed door een kier van het onderschot van de wagen kon zijn gevallen. De oude speurder rook wild, hij werd vurig. "Die wagen moet leeg!", riep hij. Nanning smeet zijn mooie zwarte jas, die nu ongeveer wit geworden was, op een kist en klauterde als een echte boer op de lading hout. Hij maakte het touw van de lange boom los en de oude stak hem de vork toe. Maar de bakker rukte haar uit zijn hand. "Wat donder, ik hoef me toch niet alles te laten welgevallen, die wagen komt leeg als ik het wil, en dat gebeurt nú niet. De heren kunnen wachten totdat het mij past om te lossen. Er is zeker toch geen belasting op takkenbossen, hè? Jullie hebben hier niets mee te maken en je blijft eraf!".
"Nanning, gooi ze er dan maar met je handen af", de  oude. "Maar man", kwam de molenaar tussen beide, "maar man, wat maak je je nou dik! Als mijnheer ze voor je afgooien wil, wel dan berg jij ze meteen op. Lossen moet je toch. Je moet een beetje wel welwillend zijn tegenover de heren. Véél hoeft niet, maar een béétje moet je toch wel tegemoet komen". "Nou, vooruit dan maar", zei de bakker, "als je ze maar een beetje netjes voor de deur gooit, en plat alsjeblieft, niet op de naalden". En de bakker stak Nanning de vork toe. Nanning deed het handig en vlug en de bakker legde even vlug de bossen gereed in de schuur. Bij elke rij werd de veiligheid van het meel onder het luik groter. De oude stond er naar te kijken. Eindelijk was Nanning zover met lossen, dat er beweging in het achterschot kwam. De oude sjorde en sjorde tot hij ruimte had om tussen de leren van de wagen te zien. Daar lagen niets dan takkenbossen, want zo-even had de molenaar er een stuk of vier gedeponeerd. Maar sporen van meel waren toch op het onderschot, hoe kwamen die daar? "Ja hoort eens heren", zei de bakker, "als je nou Westenend vraagt zal die je misschien antwoorden kunnen, zo ik zeg, je zult moeten wachten".


Nee, wachten deden ze nu niet meer. De oude had zich met een sparrentak flink overal afgeklopt en geloofde het verder wel met zijn kostuum, maar Nanning begon nu pas te zien hoe wit bestoven hij eruit zag. Hij bekeek woedend zijn mooie zwarte jas. "Dat zou er in 't Rechthuis wel afkomen", meende de oude, maar Nanning ging toch niet graag zo toegetakeld de Brink over. "Wacht maar mijnheer", zij de bakkerin, "ik zal even een borstel halen, trekt u de jas maar aan, dan gaat het beter". Op dit moment ging de schel van de winkeldeur en een heldere meisjesstem riep "Blijf maar!". Nanning schrok en keek het gangetje in. Hij zag nog juist een meisje de deur van de huiskamer ingaan. Het was Keetje van de Oranjeboom. Hij zag haar, zij hem niet. De bakkerin kwam met een borstel, zij borstelde, borstelde en schuierde zo netjes, dat Nanning midden op zijn rug een grote vierkante witte plek behield. Dit vierkante veld leek nu nog veel witter, omdat er omheen het laken weer zwart was. Vief streek ze met de borstel een kruis over 't witte vierkant, en toen was Nanning netjes. Nog een paar vegen van voren, hier en daar. Zij nam overmoedig hem de zijden pet van het bruine, net gekapte haar, schuierde ook die af, gaf het hoofddeksel met een buiging aan de eigenaar terug en zei: "Ziezo mijnheer, nou ziet u er uit! Als ik geen man had ging ik vanavond wat graag met je wandelen, in 't bos". Zo liep Nanning achter den oude aan de winkel uit. "Keetje, Keetje, kom eens hier, kijk eens, toe gauw!", riep de struise bakkerin zachtjes. Het meisje kwam de kamer uit en zag. Zij kreeg een hevige kleur en vond het gemeen om iemand zo voor spot te laten lopen, maar lachen moest ze toch! Het was dan ook een meer dan grappig gezicht, de bakkerin sloeg gewoon dubbel van de pret. "En nou vooruit, Keetje, stap op!" De molenaar stak nog een verse pijp op, maakte 't paard los en Keetje stapte vlug op de as van het voorwiel en wipte zo op de bok. De molenaar deed het een beetje bedaarder. "Goedendag" werd geroepen, en voort ging het. Nanning keerde zicht in de deur van het Rechthuis eens om en zag ze aankomen, de molenaar van de Vuursche en Keetje van de Oranjeboom er naast. Hij wachtte even. Jaap van 't Rechthuis, gemeentebode, kelner en huisknecht stond ook in de deur. "Die dochter van Hein van de Vuurst, dat is toch maar weer een knappe meid geworden, ik zou zeggen, ze wordt hoe langer hoe knapper". Op dit  ogenblik reden zij het Rechthuis voorbij en Nanning nam beleefd de hoed af en Keetje groette lachend.


Dit verhaal is eerder in 2012 gepubliceerd op onze eigen website.


Geplaatst door L.J.A.Bakker
http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  

Kom in actie en deel ook uw Baarnse herinneringen op Groenegraf.nl


woensdag 18 oktober 2017

Herinneringen van Hans (27): Van Baarnse padden tot Balinese kikkers

door Hans Smeekes

Het is altijd leuk om een reactie op een verhaal te krijgen en zo kreeg ik begin van dit jaar een mail van Wieb Smid, die me vertelde dat hij in dezelfde buurt was opgegroeid en ook nog ongeveer in dezelfde periode. Hij groeide letterlijk op onder de rook van de zeer nabije gasfabriek.



Hij heeft eerst aan de Gaslaan gewoond en later in de Nachtegaallaan (tegenover de Lindenlaan) en ik op de Zandvoortweg. Dus zijn mijn verhalen heel herkenbaar voor hem.






Wieb wees me op een foto die hij al eens naar de Groene Graf site had gestuurd. 

Hij staat erop met zijn step met op de achtergrond een deel van de gasfabriek (directeurswoning).


Hij vertelde dat hij er een aardige bijverdienste aan had met het ophalen van achtergelaten melkflessen bij de gasfabriek. Hij bracht ze naar de melkboer tegenover de kruidenier Prins aan de Nachtegaallaan.
Ik zelf kwam nauwelijks tot aan de gasfabriek. De keren dat ik op de Gaslaan daadwerkelijk ben geweest, zijn op één hand te tellen. Wat moest ik er ook doen, zo klein als ik was.
Wel werd ik zo klein als ik was, zoals ik al in één van mijn verhalen heb verteld, er vaak door mijn moeder op uit gestuurd om bij Prins een boodschapje te doen, waarbij het altijd een hele toer was om langs de grote vervaarlijk uitziende hond te geraken. 



Het meest frappante echter wat Wieb me vertelde was zijn verhaal over de padden, die in die tijd kennelijk nogal frequent voorkwamen in dat buurtje. Die padden waren voor hem een andere bijverdienste. Hij ving ze namelijk en kreeg er 10 heuse centen per pad voor, als hij ze inleverde bij de kweker bij hem achter, waarvan de ingang aan de Zandvoortweg was.
De naam van de kweker kon hij zich niet meer herinneren, maar dat moet haast wel zeker Hooijer geweest zijn. Gerrit Hooijer was een bekende Baarnaar, niet alleen vanwege zijn kwekerij maar ook vanwege zijn verhalen in de Baarnsche Courant. Hij woonde in het karakteristieke witte huisje met de luiken aan de Zandvoortweg met daarachter de kassen, die zich kennelijk uitstrekten tot aan  de achtertuin van de familie Smid aan de Nachtegaallaan. 
Helaas is dat leuke huisje verdwenen. Ik heb er onlangs een tekening van gemaakt, die zeker ook gaat komen in het prentenboek waar ik druk mee bezig ben.



Dat je een dubbeltje per pad kon krijgen is nieuw voor mij. Wieb ving de padden uit de straatputjes, soms vastgehouden aan zijn benen door een vriendje. Hij presteerde het zelfs eens voor een gigantische pad 25 heuse centen te ontvangen. Hij had die gevangen bij het hertenkamp en onder zijn blouse op het blote vel naar Hooijer gebracht, die er heel blij mee was en de enorme pad onmiddellijk in één van zijn kassen zette. Zo leverde Wieb, volgens zijn eigen zeggen, al vroeg een bijdrage aan de milieuvriendelijke teelt van de gewassen, want de padden aten de voor de teelt ongewenste insecten op.

Ik wist niet dat die padden iets konden opbrengen, maar de aanwezigheid van die diertjes was mij niet onbekend: want ik stond er vaak gefascineerd naar te kijken, als ik op het muurtje naast de kenmerkende poort stond voor ons huis aan de Zandvoortweg. 
Daar was namelijk naast het muurtje een gat met een rooster erop. Dat gat was daar om ruimte te bieden aan het kelderraam. Het had wel iets van een putje, maar was het niet. Maar dat wisten de padden niet. 



Als ik al had geweten dat je er een dubbeltje voor kon krijgen, had ik ze toch niet gepakt. Want ik denk dat ik daarvoor te ‘schijterig’ was. Ze hadden iets fascinerends, maar tegelijk ook iets griezeligs. 
Kort na het bericht van Wieb over de padden, had ik een droom waarin deze beestjes voorkwamen. 




Ik droomde dat ik boven het ‘putje’ naast het muurtje op mijn knieën net als toen gefascineerd naar het gekrioel van de padden aan het kijken was. Plotseling waren ze ineens blauw van kleur en geringer in aantal en één had zelfs een derde oog. 



Mysterieus dus, niet vreemd, omdat ik ze altijd al mysteries had gevonden. En nu werd het in mijn droom zelfs doorgetrokken naar het spirituele.

En dat zou wel eens te maken kunnen hebben met mijn ervaringen op Bali. 
We spreken in ons land wel eens over ons kikkerlandje, maar op Bali is het één en al kikker. Ze zijn er in de rijstvelden en in de prachtige tuinen. Ik heb wel eens meegemaakt dat toen ik een poort doorging van een behuizing, dat ik welkom werd geheten door een kikker, die vervolgens vrolijk voor me uit sprong om me te begeleiden en de weg te wijzen.
Maar de meest bijzondere ervaring met een kikker was in een paleis ergens in het westen van Bali. We werden ontvangen door de koninklijke familie en we mochten er overnachten. Daar hadden ze speciale kamers voor, voor gasten. Tot onze grote verrassing hadden we notoire voorgangers als Mick Jagger, David Bowie en de koninklijke families van Zweden en Jordanië. 
Als bewijs van hun bezoeken hingen de vergeelde ingelijste foto’s aan de wanden van een paviljoen te pronken.


Waar wij inmiddels, na er kind aan huis te zijn geworden, ook hangen middels een schilderij van ons, gemaakt door de prins, die tevens de artiest van de familie is.





Ook Pim Fortuyn was er geweest (in 2002). Trots liet de prins ons het Gouden Gastenboek zien met zijn foto en dankbetuiging.
Maar het het meest verrassende was de kamer zelf. Een kamer vol art deco. Spiegeltjes, meubilair, schilderingen aan de muur. Het kon niet op. En donker was het er. Mysterieus donker. Het enige licht kwam door een open venster met vaal witte vitrage en donker doek, waarachter zich de douche en toilet bevonden.


Illustratie eerste verhaal van de 'Dream or Reality' serie
Ook die badkamer was geheel in art deco. 


Tegeltjes aan de wanden en op de vloer in alle soorten, maten en kleuren. Overwoekerd door welig groen, de tuin was zelfs in de badkamer aanwezig. 
Opvallend: het kikkermotief.

Ja en dan, enigszins bijgekomen van al dat schoons in deze museum badkamer als ‘top of the bill’ het ‘vijvertje’ in een stenen kom, precies naast de wc pot, slechts enkele centimeters ervan verwijderd, waarin zich, echt waar, heuse kikkertjes bevonden. Die uiteraard zich af en toe een uitstapje gunden. Soms zaten ze op de wc bril en sprongen ze snel weg zodra één van ons de ruimte betrad. 



En zo zat er diezelfde eerste nacht één op de rand van dat enige venster kwaak geluiden te maken. 
Ik was er wakker van geworden en vond het onmiddellijk geweldig. 


Hij was vanaf dat moment mijn vriend.
Die ervaring was voor mij nadien aanleiding een verhalen serie te gaan schrijven onder de noemer: ‘Dream or Reality.’ 
In die verhalen hebben mijn vriendin Fifi en ik gesprekken met de kikker, die ik Tu Kodok (Indonesisch voor kikker) heb gedoopt. Ik verzon er een gekko bij: Tu Tokeh.

Ik heb in de loop van de jaren meer dan veertig verhalen geschreven. In het Engels. Wat verhaaltrant betreft helemaal Balinees. 
Geïnspireerd op de dierenverhalen van Tantri (een Balinese prinses. die in de nacht verhalen vertelde) en de verhalen van de 1001 nacht, waartoe de entourage van de kamer alle aanleiding toe gaf (met heus hemelbed).


Illustratie 'Dream or Reality' 
In mijn verhalen kon ik door onze twee dierenvrienden dingen laten zeggen die ik van Balinese mensen had gehoord. Omdat het waarheidsgehalte in die regio altijd moeilijk te peilen is, was ik op die manier gevrijwaard van kritiek, want ik kon die beestjes alles laten zeggen.
De verhalen werden gepubliceerd (ik maakte er ook altijd een illustratie bij door middel van een compilatie van verschillende foto's) in een magazine dat in Ubud maandelijks verscheen, speciaal voor toeristen. Maar ook de Balinezen lazen de verhalen en werden door hen ook zeer gewaardeerd. En dus werd ik er op straat wel eens op aangesproken. En dan riepen ze heel enthousiast: ‘Tu Kodok’! Alsof ik Tu Kodok in menselijke gedaante was. Voor Balinezen geen vreemde gedachtengang.


Er is zelfs een voorstelling waarin kikkers de hoofdrol spelen. Er wordt een geluid bij gemaakt door middel van een instrument dat men daar de 'genggong' noemt. Een soort mondharp. Het bootst met zijn monotone geluid heel aardig het gekwaak van de kikkers na.

Van Baarnse padden tot Balinese kikkers. 
Het kan verkeren.



Hans Smeekes





















Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter