vrijdag 14 februari 2020

Het echtpaar De Graaff-Van Steeden


Hoe vier je je zilveren huwelijk als je eigenaar van het badhotel in Baarn bent? Nou, toch net even wat uitgebreider dan gemiddeld om het maar zachtjes uit te drukken. Op 10 oktober 1923 vierden Henri de Graaff en Klasina van Steeden hun 25-jarig huwelijksjubileum. We hebben het bewijs in handen dat kosten noch moeite bespaard werden. De menukaart van het feest, gegeven in het Baarnse Badhotel ligt hier voor me, en is indrukwekkend!



Hendrik (Henri) de Graaff werd geboren op 19 januari 1874 in Amsterdam als zoon van Frederik Willem de Graaff en Amalia Theresia Molenaar. Henri kwam uit een familie waar men al generaties lang schilder was, maar Henri zag dat niet zitten. Hij wilde meer. Het lukte hem om eigenaar van verschillende hotels te worden, en niet de minste hotels! In 1903 werd hij eigenaar van Huize Zomerdijk-Bussing in Amsterdam, en gérant van het Paviljoen Vondelpark in Amsterdam. Ook Hotel Hof van Holland in Hilversum was in familiebezit. Dat hij eigenaar was van het Badhotel in Baarn schreef ik al. Hij volgde daarin N.G. van Doorne op. In 1929 kocht hij het door brand verwoeste Grand Hotel Verseput in Middelburg. Dat hotel herbouwde hij en maakte het weer tot een succesvol luxe hotel. In Doorwerth exploiteerde hij vanaf 1933 het huis De Duno. De dagelijkse leiding daarvan legde hij in handen van zijn zoon Hendrik jr. De Duno werd in 1944 door oorlogshandelingen verwoest.



Als u naar de foto's van deze hotels kijkt, zal het u opvallen dat er geen derderangs hotels tussen zitten. De Graaff was succesvol en wist (puissant rijke) klanten te trekken. Hij deed dat onder andere door prima restaurants met fantastische keukens in zijn hotels te hebben. Zo opende hij in april 1925 in het Badhotel in Baarn restaurant "Le Hibou", waar een keurig verzorgd diner geboden werd 'voor den prijs van f 5,- per couvert'. Een tafel reserveren kon via telefoonnummer 1. In het restaurant organiseerde De Graaff 'Thé Dansant en Soireè Dansante' met 'The Famous Dance Orchestre Mr. Dark'. Vijf gulden per couvert lijkt weinig, maar zo'n bedrag was voor de gemiddelde Baarnse inwoner gewoon niet op te brengen, maar de rijke Amsterdamse toeristen die steeds vaker vertoefden in het mooie groene Baarn zorgden ervoor dat het hotel goed draaide. In 1938, vlak voor de geboorte van kroonprinses Beatrix was het hotel gevuld met journalisten en andere geïnteresseerden die deze bijzondere gebeurtenis in Soestdijk op de voet volgden. De geboorte van de prinses kon De Graaf niet lang genoeg duren, want zolang Beatrix nog niet geboren was, zat zijn hotel bomvol!

  



Het echtpaar De Graaff-Van Steeden woonde in Baarn, dus toen zich het 25-jarig huwelijksfeest in 1923 aankondigde lag het voor de hand dat het feest in hun eigen Badhotel gehouden werd.



Hierboven ziet u de menukaart die in 1923 bij het feest gepresenteerd werd. Op de voorpagina staan afbeeldingen van de vele hotels die de familie De Graaff bezat en de huwelijksdatum 10-10-1898 en en de datum van het jubileum 10-10-1923. Tussen deze data staat de naam van de gast (handgeschreven) vermeld. In dit geval de Heer M. Heere. Dat moet Mattheus Johannes Hendrikus Heere (1884-1968) geweest zijn. Hij was getrouwd met een zus van de bruid, Gesina Johanna Maria van Steeden (1883-1970). Heere was ook houder van een café restaurant, namelijk Hof van Holland in Hilversum.



Slaan we de menukaart open dan zien we op de linker- binnenzijde van de kaart de handtekeningen van de vele gasten van het feest.



Maar niet minder interessant is het menu dat op de kaart vermeld is. De gasten konden van niet minder dan elf gerechten genieten.

Welke gerechten er op de kaart staan ziet u hieronder. Wat dacht u van "Baarnsche koude voorgerechten"? Wat kunnen we ons daarbij voorstellen? Tarbot uit de vijvers van het Paviljoen, ongetwijfeld een verwijzing naar Hotel Het Paviljoen in het Vondelpark.

Gebraden kapoenen, gemest in de Baarnsche Kippenhokken. Een kapoen is overigens een gecastreerde haan. De castratie van de haan zorgde voor een gewichtstoename en een gestegen malsheid van het vlees. Kapoenen worden gebruikt voor de productie van delicaat kippenvlees.



Leuk dat deze menukaart er na zo veel jaren nog is. Zo kunnen we bijna honderd jaar later nog nagenieten van het diner dat toen genoten is.









maandag 27 januari 2020

Er loopt een paard door de Laanstraat

Door Ed Vermeulen


Ik vertelde het u al eerder: in de periode februari 1950 tot januari 1964 woonde ik in de Laanstraat. Er waren nog paarden in het straatbeeld. Ik heb ze voorbij zien komen en vooral zien gaan. Een verhaal:

Ten eerste: kort geleden werd ik, tijdens mijn bijna dagelijkse bezoek aan de Laanstraat, aangesproken door een (oud) klasgenoot van de lagere school. Er ontstond een geanimeerd gesprek met een hoog ’Weet je nog van toen’ gehalte’: ’Hé Ed, jij woonde toch vroeger in die grote villa in de Spoorstraat’. ’Jazeker, tot 1950, toen verhuisden we naar  de Laanstraat ’. ’Hadden jullie daar in de Spoorstraat ook een paardenstal?’ De villa was van 1880, dus het had gekund.

Spoorstraat 2,  géén stal wel een paard
(Coll. Ed Vermeulen)


’Nee, die was er niet’. Bijna had ik er aan toegevoegd: ’Maar wel een paard en dat stond bij ons binnen in de kamer’. 

Het paard van Adema (het paard dat bij ons binnen stond). Iets meer dan veertig jaar heeft dit paard een warme stal gehad in Spoor- en Laanstraat. Nu hoor ik u denken: was er in de Spoorstraat of in onze straat van Laan dan een stalhouderij of koetshuis? Volgens mij niet, maar alles is natuurlijk mogelijk. En… het moge duidelijk zijn, ook uw schrijver weet niet alles. De dichtstbijzijnde koetshuizen waren of zijn te vinden in de Teding  van Berkhoutstraat, Leestraat (zelfs tweemaal!) en de Stationsweg (Pekingtuin), de mooie plek waar nu Muziekschool Baarn is gevestigd.

Er hangt een paardenhoofd aan de muur (koetshuizen Stationsweg en Leestraat)
(Coll. Hist. Kring Baerne)

In dit geval luidt het juiste antwoord: dit paard stond bij ons thuis voor het raam. Of achter, dit hangt af of u bij ons naar binnen dan wel naar buiten keek. ’Bij ons’ staat voor Laanstraat 66A, de plek waar ik woonde van 1950 tot 1964.

Laanstraat 66 en 66A,  toen en nu! 
(Combifoto: John Kappers)

Mijn moeder woonde zelfs tot enkele jaren voor haar overlijden in 1990 nog steeds in de Laanstraat, zij het vanaf 1970 op een ander huisnummer. Waar het paard stond? Voor het rechter raam. Op het meubel waarin de (bijna) professionele naaimachine van mijn moeder, die confectienaaister was, stond. Wanneer zij aan de slag ging kreeg het paard een andere plek toegewezen in onze ruime huiskamer. Dit alles speelde zich af boven de groentewinkel van Robberse, die ook onze huisbaas was. Onze overburen van Laanstraat 81 waren de familie Postema, fournituren en stoffen, en weer later, na 1960, Zeilmaker, zij het dat zij stoffen en fournituren verkochten. We keken over en weer recht in elkaars woonkamer. De heer Postema heeft ons eens toevertrouwd dat hij bij het van stal halen van het paard altijd tegen zijn vrouw zei: ’het paard is weg, er wordt weer gewerkt aan de overkant!’

1961: vanuit Laanstraat 66a keek het paard
naar de tuin van Spoorstraat 2.
(Coll. Ed Vermeulen)


                 

Ons paard was uit één stuk hout gesneden. De maker was G. (Gerhardus) J. (Jan) Adema (1898 - 1981) de bekende Friese kunstschilder en beeldhouwer.

 Adema: schepper van het Paard en …Us Mem.
                 
Adema stond bekend als paardenschilder, maar zijn meest bekende werk is ongetwijfeld het beroemde en nog steeds bestaande beeld van een koe: Us Mem te Leeuwarden. Ons paard had ontegenzeggelijk een oorlogsverleden (het had een aantal jaren doorgebracht in een opslag van na de oorlog door de autoriteiten, ook wel genoemd Het Bevoegde Gezag, in beslag genomen goederen) en kwam rond 1948-49 vanuit Den Helder naar Baarn, waar het uiteindelijk de plek kreeg die ik hierboven beschreef. Nu is het paard al weer een tiental jaren terug naar waar het ooit gemaakt werd: Friesland. Ook paarden hebben recht op een mooie oude dag in hun thuisland!

Paardenjongen: Mocht u zich na deze ontboezemingen afvragen of uw schrijver in zijn jeugd een paardenjongen was, dan is het antwoord: Nee, ik ben geen paardenjongen, nooit geweest ook. Ik ben meer een kamelenmens of was het een dromedaris.

Uw schrijver op het schip der woestijn, Artis 1947 
(Coll. Ed Vermeulen)

Alle gekheid op een stokje, ook in mijn leven en zeker in mijn vroege jeugd speelden ook paarden een rol. Ik noem een paar voorbeelden: Ten eerste: het paard van Sinterklaas. Waarbij ik meteen de aantekening moet maken  dat ik ’mijn’ enige echte Sint, de heer van den Berg Jeths (ome Jeths) van speeltuinvereniging Het Noorderkwartier in mijn herinnering nooit op een paard heb zien zitten. Of heb ik het mis?

Sint ’ome Jeths’, géén paard wel een zetel
(Coll. Ed vermeulen)

Andere paarden die ik mij herinner en die een rol speelden in mijn beleving in het Baarn van toen waren in chronologische volgorde: het paard van groenteboer Ruitenbeek uit de Kerkstraat.`

Groenteboer Ruitenbeek (op de rug gezien en…zonder paard) 
(Coll. Groenegraf.nl)

Deze ventte met paard en wagen zijn groenten, aardappelen en fruit uit toen we nog in de Spoorstraat woonden(1944-1950). Hoe lang dit geduurd heeft weet ik niet meer precies, maar binnen niet al te lange tijd en zeker toen we naar de Laanstraat verhuisden, verwisselden we van leverancier. We woonden vanaf 1950 natuurlijk niet voor niets boven de groenten en fruit handel van Robberse. En die, dat weet ik zeker, had géén paard! Wel een transportfiets. Het tweede paard dat in mijn herinnering is blijven hangen is het paard van melkboer van der Vuurst uit de Schoolstraat. Hij ventte niet alleen zijn melk uit bij in de Laanstraat wonende consumenten, waaronder wij, maar bediende ook de  grootverbruikers: de banketbakkers.

Melkboer Van der Vuurst en zijn ijzeren paard
 (Coll. Groenegraf.nl)

En, u raadt het al, wij woonden naast een banketbakker. Wijers… ’Huize Wijers’ wel te verstaan. Het paard van Van der Vuurst was, om in termen van nu te spreken, geconditioneerd oftewel voorgeprogrammeerd. Het liep komende vanaf de Brink zijn route en stopte precies waar Van der Vuurst moest zijn. Dat deed het trouwens ook aan het einde van de werkdag op de Stationsweg voor het toen nog bestaande Café ‘t Centrum, hierbij  zijn baas de gelegenheid gevend een laatste ’One for the road’ versnapering tot zich te nemen.

Tijd voor een stop: Café ’t Centrum, Stationsweg
(Coll. Hist. Kring Baerne)
Ik stel mij zo voor dat man en paard vanaf de Brink de volgende route namen: Van Dijen (onder het Rietendakje, Hilbrands (nu Blokker), Kuiper (inmiddels weet ik dat Kuiper bediend werd door melkboer Van Wegen, onsterfelijk geworden door de slagzin: in een vrij land, een vrije klant, Wijers (laatstelijk Intertoys), Oostenrijk (nu La Pearl en Keurslager Mathijsen) en Vonk (nu Hendricksen).


De route van het paard van Van der Vuurst 
(Coll. Hist. Kring Baerne)

Later werd de Laanstraat zelf omgeprogrammeerd tot éénrichtingverkeer, maar toen was het voor het paard van Van der Vuurst al te laat om nog wat bij te leren. Het kreeg naar verluidt ontheffing en mocht tegen het verkeer in toch de vertrouwde route afleggen. Toen hielden we nog rekening met elkaar! Ook liep er, inmiddels heel lang geleden, een schillenboer, wiens naam mij is ontschoten, voorzien van sikje en martiale snor, met paard en wagen door de straat. Het verhaal deed de ronde dat hij zekere familiebanden met Paleis Soestdijk had. Waar of niet waar?
Als laatste, maar zeker niet de minste noem ik Trigger het trouwe paard van mijn grote filmheld cowboy Roy Rogers,  door ons in die dagen in ons beste Engels uitgesproken als ’coiboi Rooie Rogers’.
 De man en zijn paard: Roy Rogers en Trigger
(Coll. Marty Vermeulen)


Het hoe en waarom:  Hoe ik er bij kom u dit alles te vertellen? Het zit zo: het op 4 februari 2019, op de rijk met verhalen gevulde Baarnse geschiedenissite Groenegraf.nl geplaatste  verhaal ’Koetsiers, Palfreniers en Rijtuigen’ is hieraan debet. Ik zag de paarden, de koetsiers, de rijtuigen en de oude dikwijls verdwenen villa’s en was meteen verkocht. Nostalgisch, zeg maar gerust ’Vorstelijk’ nostalgisch Baarn in optima forma. Ik zag het in het verhaal genoemde terrein van Villa Alta, toen al gesloopt, weer voor me. Een prachtige, wild begroeide en vooral ook spannende speelplek. Met echte ruïneachtige restanten. De oude kelder? Dichterbij het inmiddels geruimde verleden kon je niet komen.

 Het Oude Koetshuis van Hoog Wolde (uit het prentenboek van Hans Smeekes)
 (Coll. Groenegraf.nl)

Zo rond 1987, ik werkte bij Polygram, nam ik mijn intrek in het nu nog steeds bestaande Oude Koetshuis van de nu inmiddels lang geleden gesloopte villa Hoog Wolde aan de Oude Utrechtseweg. Ik herinnerde mij de verhalen van mijn vroegere klasgenote van de lagere school Marieke Bekker over haar grootvader koetsier Jurrie Bekker, tevens naamgever van haar broer Jurrie (Jur). Hij had hier in zijn functie als koetsier van de familie Santberg niet alleen ooit ’zijn’ paard gestald, de koetsen doorgesmeerd (de smeerput was er nog, verborgen onder een stevige metalen plaat en aan het oog onttrokken door de vloerbedekking) maar had hier ook zelf, in de koetsierswoning geheel rechts, zijn eigen warme stal gevonden.

Koetsier Jurrie Bekker, in voorbije tijden bewoner van Het Oude Koetshuis
 (Coll. Familie Bekker)

Ten leste: eigenlijk verdienen ook de hieronder volgende paarden een plekje in deze illustere lijst: de paarden van de Jan Plezier van De Koog , Texel.


Jan Plezier, De Koog  1941 (Coll. Rein Stam, Texel)
Paard op de Brink, nog altijd dorstig! (Coll. Groenegraf.nl)
                     
Tijdens de vele tochten met dit toeristische fenomeen leerde ik spelenderwijs alles over de Texelse natuur. Voeg daarbij  het paard op de Brink (sinds A.D. 1995), zo mooi beschreven in het verhaaltje ’Fontein op de Brink’. Waarom zij toch niet zijn opgenomen in mijn definitieve hippische lijst? Het antwoord is simpel: de eerstgenoemde paarden behoren niet tot het Baarnse erfgoed en het Brinkpaard is voor mij géén herinnering, maar realiteit, als u begrijpt wat ik bedoel.
Stapvoets of in volle draf op weg naar een volle of slechts met anderhalve man en een paardenkop gevulde stal, het Baarnse paardenverleden is altijd dichterbij dan u denkt!


Ed Vermeulen (1942)

















Dit verhaal verscheen op maandag 27 januari 2020 in de Baarnsche Courant  in de rubriek

 ’Vandaag is morgen alweer gisteren 


‘Vandaag is morgen alweer gisteren’ is een initiatief van de Historische Kring Baerne en Stichting Groenegraf.nl en verschijnt periodiek op maandag in de Baarnsche Courant en in het weblog van Groenegraf.nl. De verhalen worden afwisselend geschreven door 
Ed Vermeulen en Eric van der Ent. 

Wilt u meer lezen over oud Baarn?

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

vrijdag 24 januari 2020

Hoeve Ravenstein en de boer-toer in 1981

Hoeve Ravenstein Ravensteinselaan 3

Als men op de "boer-toer" wil kan dat op zaterdag 11 april (1981). Dan houdt de land- en tuinbouw open huls. In bijna alle provincies zetten land- en tuinbouwbedrijven de deuren open voor de bezoekers. Er is te veel te zien, zeker als je te gast bent bij de veehouders. Gelukkig zijn er velen zoals veehouder Meyers uit Baarn die alle belangstellenden vertellen wat er in en rond de stallen ge­beurt. Een Open Dag voor de Land- en Tuinbouw is de moeite waard. Het verhaal over de familie Meyers nodigt uit voor een bezoek aan de Nederlandse veehouderij.
Ravenstein is een van de fraaist gelegen boerderijen in Nederland: in het bos, terzijde van een prachtige laan. Boer J. Meyers pacht het bedrijf van Staatsbosbeheer. De boerderij ligt bij het bos van Groeneveld in de boswachterij De Vuursche in Baarn. Op een doordeweekse najaarsdag is het er rustig. Zondags wil dat nog wel eens anders zijn. Honderden mensen zoeken dan verpozing in het bos en komen te voet of per auto langs de laan en de boerderij. Het is dus allesbehalve een eenzame bedoening op Ravenstein en de familie Meijers houdt er ook rekening mee dat de blikken van zoveel mensen regelmatig op hun boer­derij zijn gericht.
Jaap Meijers en zijn vrouw bij hun verzamelingen van diverse zaken
,,Je probeert de zaak netjes te houden", verklaart Meijers. ,.We zorgen ervoor dat het erf zoveel mogelijk opgeruimd is. En toen ik twee jaar geleden een kunstmestsilo met een inhoud van 10.000 kilo aanschafte, heb ik die in de hooitas laten plaatsen. Dat is een mooier gezicht". Wandelend rondom de boerderij wijst hij aan hoe - niet zonder enige moeite - de elders vaak zo erg opvallende witte silo is weggewerkt. ,.Ik vind, dat boeren meer om zulke dingen moeten denken", merkt hij op. Daarmee te kennen gevend gevoel te hebben voor de in het oog lopende plaats van de boer en zijn bedrijf in het landschap.
Het veehouderijbedrijf van de familie Meijers telt veertig koeien en dertig stuks jongvee. Meijers vindt dit een mooi aantal. Het zou eventueel mogelijk zijn meer koeien te houden maar dat zou allerlei verbouwingen en investeringen vergen. Ook zou dat aantal nog meer werk met zich meebrengen. ,,En ik werk toch al vijftig, zestig uur in de week", zegt hij. ,,Ik wil geen slaaf van mijn bedrijf zijn; je moet wat vrije tijd hebben. Het is toch al zo moeilijk om het bedrijf te scheiden van je vrije tijd.
Eeuwen oud
De boerderij is gebouwd in 1766, maar kan – dankzij wat interne verbouwingen - mens en dier op moderne wijze onderdak bieden. Er zijn ook de nodige kunstgrepen verricht om het werk zo efficiënt mogelijk te kunnen doen.
Er is een automatische mestuitvoer die helpt bij het schoonhouden van de grupstal. En al zeven jaar geleden liet Meijers een melkleiding aanleggen en een melktank plaatsen. ,Ik was een van de eersten hier in de omgeving die een melktank kocht", licht hij toe. Deze tank is inmiddels alweer ingeruild voor een grotere (3.300 liter) is ondergebracht in een klein gebouwtje, dat in het verleden het bakhuis was.
Jaap Meijers tussen de koeien
De koeien worden voor het melken niet naar de boerderij gehaald. Wat de afstand betreft zou dat wel gaan. De ongeveer 25 ha grasland ligt redelijk dichtbij maar tegelijkertijd zodanig in het bos, dat het een heel gedoe zou worden om de koelen tweemaal per dag er vandaan te halen en weer terug te brengen. Ze worden gedurende weideperiode in een zogenaamde doorloop­melkwagen in de wei gemolken. Vier koeien kunnen dan tegelijk onderhanden worden genomen. De melk wordt verzameld in een mobiele tank die vervolgens wordt geledigd in de grote melktank in het voormalige bakhuis.
Veehouder Meijers heeft alleen maar melkvee en een stier (voor de pinken, de jonge dieren die aan hun loopbaan als melkkoe beginnen). Een paar jaar geleden heeft hij de varkens weggedaan en hun verblijfplaats omgebouwd tot koestal. Er zijn nu geen andere dieren op de boerderij, afgezien van twee herdershonden. Boer Meijers heeft zich dus helemaal gespecialiseerd. "Daardoor is er voor buitenstaanders minder te zien op het bedrijf, maar voor de boer is het wel prettig", vindt hij.
Hulp van vrouw
Vrij veel werk laat hij door een loonwerker uitvoeren: gras inkuilen, gier rijden, inzaaien van grasland. Er blijft echter genoeg arbeid voor hemzelf over. Soms moet ook zijn vrouw een handje helpen. Bijvoorbeeld bij de geboorte van een kalf of bij het verhuizen van de koeien van de ene naar de andere wei. De familie Meijers exploiteert deze boerderij al heel lang. ,,Mijn grootouders woonden hier al", zegt boer Meijers. Zal te zijner tijd een van zijn kinderen het bedrijf voortzetten? Er zijn twee zoons, respectievelijk 14 en 11 jaar oud en een dochter van 13.
,,Ach", zegt mevrouw W. A. Meijers-Brouwer, ,,je weet nooit hoe het loopt maar op het ogenblik zie ik er nog geen opvolger bij. Onze oudste voelt er niet voor om boer te worden. Hij wil de techniek in.
Op boerderij Ravenstein is men gewend aan de interesse van buitenstaanders. Ze vertellen graag aan belangstellenden over hun werk. Onlangs heeft boer Meijers zelfs een inleiding gehouden over de boer en zijn arbeid voor een plaatselijke vrouwenvereniging. Maar de drukte rondom de boerderij gaat, naar wordt vermoed, opmerkelijke vormen aannemen. Er wordt hard gewerkt aan de restauratie van een naburig kasteel. Na voltooiing is het toegankelijk voor bezoekers. En er worden dan zo'n honderdduizend bezoekers per jaar verwacht.






vrijdag 17 januari 2020

De Guido de Brèsschool bestond 25 jaar in 1981


De Guido de Brèsschool aan de Begoniastraat bestaat 5 september vijf en twintig jaar. In 1953 is deze protestant-christelijke basisschool begonnen met twee klassen onder leiding van de heer S. Willemse. Nu dit cursusjaar (1981) de deuren voor de 25ste keer open gingen was dat om 289 leerlingen binnen te laten. Voor allen die in deze tijdspanne bij de Guido de Brèsschool betrokken waren, de leerlingen en oud-leerlingen, de leerkrachten en oud-leerkrachten, ouders en bestuursleden, zijn er de volgende week feestelijkheden in de pen. En de met de "Guido" verbonden kleuterschool "de Springplank" viert natuurlijk mee.
1960- 1965 met dhr. Willemse
Aan de rand van het Eemdal, nog net in de oude buurt, staat de basisschool Guido de Brès, Samenwerkende protestants - christelijke schoolbesturen hebben de school opgezet en in 1955 ging een enthousiaste heer Willemse in zee in een laag gebouw met vier lo­kalen en twee klassen. In 1971 droeg hij de leiding over aan de heer van Essen, die ook nu nog resideert. Er waren toen acht klassen met 245 kinderen.
Het gebouw moest meegroeien en werd uitgebreid. Er kwam een verdieping op. Vandaag is het nog maar net groot genoeg voor de tien klassen kinderen, die er dagelijks van twaalf meesters en juffrouwen les krijgen.
In 1960 kreeg 'de "Guido" gezelschap. De kleuterschool de Springplank vestigde zich in de schaduw van de grote broer, Sindsdien vormen de 2 scholen een gelukkig koppel en zijn ze op weg naar een geïntegreerde toekomst.
de Sprinkplank 
25 jaar is genoeg om een beetje traditie op te bouwen en geschiedenis te maken. Maar het is ook jong genoeg om fris aan de volgende periode te beginnen. Eén leerkracht van het eerste begin doet daaraan mee. Alle anderen zijn later in de Bres gesprongen.
Daar men op de "Guido" graag viert, gaat deze schoolverjaardag niet zomaar voorbij. Er wordt een feest gebouwd. Dat begint voor de leerlingen en kleuters op donderdag 4 september met ballonnen, een optocht en een vos­sejacht. 's Middags zijn er twee voorstellingen van het poppentejater Otto van der Mieden van de TV.
Op vrijdag spelen ze op de Guido een groot spel en eten ze samen. Voor alle andere betrokkenen is er een open school. Die vrijdagavond (5 september) voor 3e ouders (vanaf half 8) en op zaterdag 6 september vanaf twee uur voor oud leerlingen, oud leerkrachten en -bestuursleden.
Onder meer zijn er in de school dan een paar lokalen ingericht om van bezoekers het heimwee los te maken, met oud lesmateriaal, oude meubels, enz. Het moderne materiaal wordt ook getoond.
Met een hedendaagse schooltest, de CITO toets, kunnen bezoekers, die de schoolbankjes al ver achter zich lieten, tonen dat ze nog best mee tellen in de huidige tijd. Zo zijn er nog een paar attracties.
Bij dit alles loopt men natuurlijk een grote kans om oude bekenden tegen het lijf te lopen. De oudste bekende, de heer Willemse, zal er ook zijn. Een speciaal feestschrift, geheel aan deze verjaardag gewijd en beschikbaar voor alle bezoekers, completeren de rij van feestelijkheden.





vrijdag 10 januari 2020

100 jaar Kruiskerk


Hoe zat dat toch met die gereformeerden in oktober 1981? 
Op 21 oktober 1980 was het honderd jaar geleden dat de eerste steen werd gelegd voor het misschien niet zo fraaie, maar toch wel markante kerkgebouw aan de Oude Utrechtseweg. Dit heuglijke feit geeft de Gereformeerde Kerk van Baarn aanleiding een soort feestjaar in te luiden, dat duurde tot 22 juni 1981. De datum waarop het honderd jaar geleden de kerk plechtig in gebruik werd genomen.
Veel misverstanden
Menig buitenstaander heeft van oudsher het idee dat de gereformeerden een zwaar op de hand volkje zijn, Van de leden van de Gereformeerde Kerken in Nederland, waar het in dit verhaal om gaat, kun je dat al lang niet meer zeggen. In theologische en maatschappelijk opzicht tonen deze kerken zich tegenwoordig veelal vooruitstrevender dan de Nederlandse Hervormde Kerk en de Rooms-Katholieke Kerkprovincie, om de twee andere grote maar even te noemen.
Tot de misverstanden draagt wellicht het niet geringe aantal kleinere groe­peringen bij, dat het bijvoeglijk naamwoord gereformeerd in zijn vaandel Toert: de Christelijke Gereformeerde Kerk, de (vrijgemaakt) Gereformeerde Kerk, De Nederlands Gereformeerde Kerk, de Gereformeerde Bond in de Hervormde Kerk (in Baarn wijkgemeente 3 geheten) en de Gereformeer­de Gemeenten.
Deze groeperingen zijn inderdaad veel sterker "confessioneel" dan de "gewone" gereformeerden van de Kruiskerk aan de Oude Utrechtseweg en de Op, standingskerk aan de Eemweg. Maar we moeten aantekenen dat heel wat "gewone" gereformeerden zich ernstig zorgen maken over de ruimte die in hun kerk is ontstaan.
Hoe (ingewikkeld) het in Baarn ging.
Van 1812-1869 stond hier als hervormd predikant dominee Ludovicus Lucas Hondius Goukes die volgens de overleveringen meer' op zijn aardappelveld werkte dan in zijn gemeente. Sommige schapen van deze herder, die moeite hadden met zijn preken, gingen kerken in een lokaaltje in de Lage Vuursche, waar sedert 1852 een zekere Piet Vervat, smid van beroep, godsdienstoefeningen hield. Na de dood van Vervat werden er door de bezwaarden hervormden diensten gehouden ten huize van schoenmaker Jan Mook in de Leestraat, onder leiding van Jacob de Ruig, eveneens schoenmaker.
Daar zag je ook regelmatig H. Brölman en S. de Zoete. Deze gingen wel eens verderop kerken, namelijk in de Christelijke Gereformeerde kerk te Spakenburg, waar ds. J. H. Maatjes stond. Door hun ijver werd er op 25 mei 1876 ook zo'n (uit de Afscheiding van 1834 ontstane) kerk in Baarn geïnstalleerd. Jacob de Ruig echter was het met deze gang van zaken niet eens en vergaderde voortaan met zijn aanhang in 'n gebouwtje, dat zijn broer Hessel achter zijn winkel in de Turfstraat 6 neerliet zetten. Deze groep wendde zich op 16 april 1887 tot de hervormde kerkenraad met het verzoek zich bij de in 1886 begonnen nieuwe afscheidingsbeweging, de Doleantie, aan te sluiten.
Dit verzoek werd zonder pardon afgewezen en zo ontstond er in Baarn nog een Nederduits
Gereformeerde kerk, die alras van de Turfstraat verhuisde naar een kerkgebouwtje, dat voor f 5.600, werd neergezet aan de Eemnesserweg (achter nr. 29 en 31). De christelijke gereformeerden hadden inmiddels gebouwd aan de Leestraat, waar nu nr. 36 staat, maar kregen daar al spoedig te kampen met ruimtegebrek.
Het lukte bosbaas De Zoete van zijn baas Prins Hendrik (de Zeevaarder) aan de Oude Utrechtseweg een stuk grond in erfpacht te krijgen. ,,Maar", zei de Prins tegen De Zoete, ,,het moet een mooi, monumentaal kerkgebouw worden, geen schapenhok!" Nu, dat lukte: voor f 15.000,- verrees een bouwwerk van niet geringe allure halverwege de bouw ging de aannemer failliet. Na voorafgaande hartelijke besprekingen kwam op 25 november 1893 in Baarn de samenstelling tot stand van de (afgescheiden) christelijke gereformeerden en de (dolerende) nederduits gereformeerden.
Zij gingen toen behoren tot de Gereformeerde Kerken in Nederland, maar een gedeelte, dat het hiermee niet eens kon zijn, bleef (tot op heden) Christelijke Gereformeerde Kerk heten. De verenigde gereformeerden met hun kinderrijke gezinnen barstten uit het (nu gezamenlijke) kerkgebouw aan de Oude Utrechtseweg. Dus werd dat in 1904 uitgebouwd voor de som van ruim f 10.500,-. 'Men kerkte toen zo lang in de grote zaal van Hotel de la Promenade, ingang Laanstraat. Na tien jaar werd de kerk uitgebreid met gaanderijen en het kabinetsorgel, waaraan J. Deijs altijd zulke goede klanken wist te ontlokken, vervangen door een ,,groot" orgel, totale kosten f 6.250,-.
Vallen en opstaan
De geschiedenis van de Gereformeerde Kerk van Baarn is er een van vallen en opstaan. Welke geschiedenis niet? Het is een geschiedenis met een lach en een traan, beleefd en gemaakt door koppige, verontwaardigde, principiële, lastige en ook aardige mensen.