donderdag 14 september 2017

Huize Peking, Huize Holland en Huize Canton


Huize Peking.
Huize Peking
Het oorspronkelijke huis van 1791-1890.

Op het einde van de 18e eeuw, toen de synode zich niet langer tevredenstelde met het bouwen van buitenplaatsen en koepels in fantasie vormen, maar de echte Chinese stijl ging volgen, stichtte en jonge en schatrijke Amsterdamse koopmanszoon van zwakke gezondheid, en Reinhard Scheerenberg genaamd, uit Chinese materialen te Baarn twee landhuizen in pagodevorm, welke hij "Cleijn Peking" en Canton doopte.

Hij was rijk geworden met de handel op China. Centrale ligging van Baarn, het geografisch middelpunt van Nederland, de betrekkelijk korte afstand tot Amsterdam en vooral de schone natuur van Baarn trokken hem zo aan dat hij hier zijn zomerverblijf wilde vestigen. Hij liet deze woningen in Chinese stijl en van echte, door zijn eigen schepen aangevoerde, Chinese materialen bouwen.

Op 9 augustus 1791 legde hij de eerste steen van het exotisch zomerverblijf huize Peking aan het einde van de Torenlaan. De bijbehorende gedenkstenen met de tekst: “R. Scheerenberg stichter van dit gebouw 9 augustus 1791” is thans ingemetseld aan de achterzijde van het huidige pand. Hij noemde het heel bescheiden ” Cleyn Peking”, maar al spoedig is dat “Cleyn” weggelaten.

In 1793 bouwde hij even verderop nog een tweede Chinese landhuis Canton. De bouw van een derde Chinese landhuis ”Nanking” werd door de troebelen van de Franse tijd niet uitgevoerd.

Huize Canton

Zowel in Peking als in Canton diende het souterrain tot dienstenvertrekken en bevatten de eerste verdieping de woonkamers, de tweede de slaapkamers, de hoofdverdieping van klein Peking had stuiten van vijf kamers, die van kanton telde vier kamers en een slaapkamer met het kabinet met en alkoof, terwijl mijn vandaar langs een kleine trap en zeskantige koepel kon bereiken.

Door hun begripsvorming en heldere bonte kleuren, hun wonderlijke versieringen, vergulde klokjes en spitsjes trokken en Cleyn Peking en Canton de aandacht van anderen, die er destijds nog stille heidedorpje Baarn bezochten.
"de Scheerenbergkom"
Voor huize Peking kocht Scheerenberg aan de overkant ook veel bos aan ten westen van de Torenlaan. Hier liet hij een vijver graven. De vijver heette “Scheerenbergkom”, maar veel ouderen hebben dit water gekend als de “Pekingkom”, met daarnaast de Pekingberg. Ook liet hij het Pekingbos aanleggen met daarin een beekje en een Chinees bruggetje. Dit gebied, bestaat uit bos, heide en bouwland, was afhankelijk 21 ha groot, maar werd steeds uitgebreid, zodat het tenslotte half Baarn omvatten. Hierop stonden nog zeven arbeidershuisje, een ruime stal/koetshuis “Boschzicht” voor 16 paarden en een klein woonhuis, bestemd voor de zomergasten.

Gersau
Verder werd de grote “overtuin” aangelegd met daarin in een Zwitserse stijl gebouwd theehuisje, genaamd “Gersau”. Er leidde een onderaardse gang van huize Peking naar die theehuis.

Een van de eerste zomergasten was de Duitse schilder Friedrich Tischbein. Hij kreeg veel bestellingen via Scheerenberg. De schilder en diens vrouw Sophie Müller logeerde geregeld op Peking. En waren meer zomergasten, onder andere twee Franse émigé’s, die geheel op kosten van Scheerenberg leefden.

‘s Avonds placht het hele gezelschap in de voorkamer op de eerste verdieping van Peking samen te komen. In 1794 verscheen nog een Franse émigré op huize Peking, die de rust er danig heeft verstoord. Dit was mevrouw Polanen, die haar echtgenoot, de gezant van de Bataafse Republiek in de Verenigde Staten, had verlaten en via Parijs was uitgeweken naar Nederland.
Zij wist de zwakke Scheerenberg onder haar invloed te brengen en verjoeg de overige gasten. Scheerenberg liet zich inpalmen door de nieuwe Franse overheersers. Hij werd benoemd tot representant van het kwartier Eemland en bleef dit tot 4 april 1794.
In 1797 trouwde hij te Parijs met de 17-jarige Elizabeth Sara Polanen, een huwelijk door de tirannieke moeder doorgedreven ondanks de afkeer die het jonge meisje van Scheerenberg had. Het jonge paar vestigde zich op Peking.

De gebouwen Peking en Canton hebben veel tot de bekendheid van Baarn bijgedragen. Zij kregen zekere vermaardheid, ook al door de internationale gezelschappen, die Scheerenberg des zomers rond zich verzameld.

In 1893 raakten de Amersfoortse dichter Dieter pijpers in vervoering, toen hij Baarn binnenkwam en Peking en Canton zag en dichtte:

          “Welk een spitse pirami (de Brinktoren)
          Die ik in de verte zie
          Door deez ‘ hoge beuken dreven
          Laat ons Bearen binnenstreven
          Dat mijn komst daar hulde biê
          Is het een droom? Kan ’t waarheid wezen?
          Zijn wij hier in het land van de Chineezen?
          Welk een komst verbaast ons hier
          ‘k ben beneveld bij’ aanschouwen
          Van die vreemde praalgebouwen
          Die elk opgetogen houên
          Door hun trotse pracht en zuiver”

Scheerenberg bereidde zijn bezittingen door aankoop en huizen bouwen voor zijn werklieden voortdurend uit, zodat hij op het laatst half Baarn bezat. Hij was begaan met het lot van de Baarnse bevolking en had in 1802 en tapijtfabriek gesticht, die al gauw tot grote bloei kwam. Hij liet dat tapijten en vloerkleden maken van koehaar (dus niet van wol). Hij richtte in verschillende plaatsen in de omtrek spinscholen op, waar vooral de kinderen garens leerden spinnen en zo een centje konden bijverdienen, want leerplicht was er toen niet. Hij liet nieuwe woonwijken aanleggen voor de werklieden. Ook schonk hij het dorp en nieuwe school. De straten in de buurt kregen (later) ook allemaal namen uit het Verre Oosten: Balistraat, Lombokstraat, Celebesstraat, Javalaan (waaraan huize Peking en huize Canton zelf ook (liggen/lagen), Cantonlaan, Sumatrastraat Madurastraat, Borneostraat, Molukkenstraat, Padangstraat.

Vermoedelijk hebben hier (in navolging van Scheerenberg?) eerst families gewoond, die ook in het verre gewesten (vooral Indonesië) ruimschoots de kost hadden verdiend en in de sfeer van dit door natuurschoon begiftigde Baarn het gevoel van thuis zijn konden koesteren.

Zijn fabrieken namen zo in omvang toe, dat ze hem boven het hoofd groeiden. In 1810 verkocht hij ze aan een maatschappij onder de directie van een zekere Cohen.
Vanaf 1827 ging het slechter met de fabriek en in 1835 werd de fabriek opgeheven en verplaatst naar Deventer, waar zij weer tot bloei kwam.

Persoonlijk ging het Scheerenberg ook niet meer zo voorspoedig. Zijn schoonmoeder buiten hem uit en bracht hem door haar verkwisting en vrijwel tot de bedelstaf. Scheerenberg bezwaarde al zijn bezit met hypotheek en verkocht tenslotte op 4 augustus 1808 huize Peking en huize Canton aan Koning Lodewijk Napoleon verkocht voor ƒ 60.000. Deze Chinese buitenplaatsen grenzen aan het domein Soestdijk, dat door hem op 21 december 1806 was geannexeerd. Scheerenberg verhuisde naar Utrecht, waar hij op zich maatschappelijke gebied bleef bewegen. Na de dood van zijn vrouw, in 1813 nauwelijks 30 jaar oud, vestigde hij zich in Den Haag, waar hij op 7 oktober 1834 als ze vergeten burger stierf.

Koning Lodewijk Napoleon bood de huizen op 30 mei 1810 publiekelijk te koop aan. Nicolaas Mollerus werd eigenaar van Canton voor ƒ 8600,- en van Boszicht voor ƒ 2490,- , doch Peking is toen onverkocht gebleven. In wiens handen het is gekomen is niet meer na te gaan. Wel is bekend dat jonkheer Johan Melchior Kemper Peking huurde van 1813 tot zijn dood in 1824 en er vele zomers heeft doorgebracht.

In 1833 kocht de kroonprins (de latere koning Willem II), in 1815 in het bezit van het domein Soestdijk hersteld, Peking en Canton en verhuurder Peking, eerst aan ene team er en later aan de familie Moorman. Hoelang deze families er gewoond hebben en of er nog andere bewoners zijn geweest is niet bekend meer.

Na de dood van koning Willem II kwam zijn dochter prinses Sophie in het bezit van Peking, terwijl Canton in de handen kwam van de weduwe van de koning, Anna Paulowna van Rusland.

In 1882 zijn beide Chinese buitenplaatsen door de koninklijke familie verkocht aan de Baarnsche bouwmaatschappij. Sedert dien verwisselde zij telkens van eigenaar. Merkwaardigerwijs kreeg Peking daarna verschillende eigenaren, die eveneens als Scheerenberg veel tot de voorspoed van Baarn hebben bijgedragen: de nieuwe burgemeester de Beaufort, de filantroop Van Senden en de bekende zakenman en filantroop August Janssen. Daarna kwam het in handen van de familie Oyens, die het in 1885 verkocht aan de nieuwe burgemeester van Baarn, jonkheer Beaufort.

Huize Holland
Intussen was al grenzend aan Huize Peking in de jaren 1870-1880 Huize Holland gebouwd, vermoedelijk als woonhuis voor het bedienend personeel. Het is eveneens een mooi pand, een statig herenhuis (met onder andere een fraaie wijnkelder). Het pand kwam in 1901 reeds op de monumentenlijst. Kennelijk is het daar weer een keer van afgevoerd, want in 1977 werd het gebouw waardig vol genoeg gevonden om het op de monumentenlijst te plaatsen.

In 1981 wilde de Rijksdienst van de Monumentenzorg Huize Holland weer van de lijst afvoeren vanwege de slechte staat waarin het pand was komen te verkeren, onder meer na bewoning door krakers. Weliswaar was het pand inmiddels verkocht aan het Rijk voor uitbreiding van het belastingkantoor en werd het is juist ingrijpend verbouwd en opgeknapt, maar er was kennelijk al het nodige aan vernield. Per saldo staat het pand nog steeds op de Monumentenlijst.

In het kader van de reorganisatie van de Belastingdienst werd het pand weer door het Rijk afgestoten.

Het vernieuwende Huize Peking heeft merkwaardig genoeg nooit op de Monumentenlijst gestaan!
 
Het vernieuwde Huize Peking (1891-1991)
De Chinese Buitenplaatsen waren als winterverblijf ongeschikt gebleken. De slaapkabinetten van Peking waren bijvoorbeeld slechts via een buitentrap bereikbaar. Daarom liet de nieuwe eigenaar, burgemeester jonkheer de boel voor, het oude Huize Peking afbreken en op dezelfde grondvesten en nieuw Huize Peking bouwen, volgens het ontwerp van J.D.F. van der Veen, toenmalig gemeentearchitect. De bouwkosten bedroegen bijna een ton. Op 1 februari 1891 was de nieuwe vier la in moderne stijl gereed en werd op die dag in gebruik genomen. Ook hiervan is een gedenksteen aanwezig aan de achterzijde van het gebouw naast de vorige, in de gemetselde gedenksteen, met als tekst: “De vernieuwing geschiedde door jonkheer M.B.Ph. de Beaufort in de jaren 1890”.

Zo was een eigenaardige woning in Baarn verdwenen, nadat het bijna en eeuwenlang grote eigenaardigheid was geweest.

Na het vertrek van burgemeester de Beaufort in 1898 kwam Peking in handen van G.H. van Senden. Diens weduwe verkocht op 1 oktober 1910 aan August Janssen, die eigenaar/bewoner was van Canton en beide huizen dus weer in één hand verenigde. Hij ging Peking verhuren.

Na de dood van August Janssen in 1918 werd Peking op 3 april 1919 via makelaar Wörtman voor ƒ 164.800 verkocht aan ene Schmiedel.

In 1922/1923 werd het schilderachtige Pekingbos met de Pekingkom, de Pekingberg en de overtuin geveld, afgegraven en gedempt en verkaveld tot bouwterrein voor villa’s (Nicolaas Beetslaan, Bilderdijklaan, Da Costalaan, De Genestetlaan, Vondellaan, Torenlaan).

Over de bewoners van Huize Peking en hun leven is weinig bekend. Eigenlijk weten we alleen iets over het leven van Scheerenberg, zoals hiervoor weergegeven. Tussen 1910 en 1948 is het huis voor diverse doeleinden gebruikt. Het werd soms verhuurd (aan onder andere de families Rutgers van Rozenburg, Van der hoef, Van der Poel, Versteeg, Bruntel), in de eerste wereldoorlog is het gebruikt door het Rode kruis als lazaret, en  er werden tuinfeesten gegeven, waarbij de Koninklijke familie vanaf het (thans verdwenen) bordes aan de achterzijde van het gebouw toekeek, het is als school en als goederenopslagplaats gebruikt, maar ook heeft het huis tientallen jaren leeg gestaan, met name omdat de uit  Duitsland afkomstige familie Schmiedel het huis zelf nooit heeft bewoond. De vrouw Schmiedel wilde niet in Baarn wonen. Schmiedel overleed in 1941.

In 1939 kwamen er Nederlandse militairen in, nadat in het huis en aan het dak de nodige voorzieningen tot herstel waren getroffen. Bij de bezetting namen de Duitsers uiteraard ook Huize Peking in beslag en blindeerden het. De sporen van de witgekalkte ramen waren tot enkele jaren terug nog te zien op de eerste verdieping. Ook heeft de Nederlandse Arbeidsdienst en een tijdje ingezeten en is het gebruikt als opslag voor joodse goederen. Na de bevrijding kwamen de Canadezen in het gebouw.

Het huis kwam na de oorlog in handen van de gemeenten. Over de bestemming is jarenlang gedelibereerd. Er waren vier mogelijkheden:

  1. Verkoop. Goed in het kader van de begrotingstekorten en ter voorkoming van nieuwe uitgaven voor herstelwerkzaamheden.
  2. Verhuur aan een exploitant en gebruik als restaurant en zalencomplex.
  3. Verhuur aan het Rijk voor het gebruik als belastingkantoor.
  4. In eigen gebruik als ontspannings- en cultureel centrum.
Uiteindelijk werd gekozen voor mogelijkheid drie en kwam in 1948 het huis in gebruik bij de Belastingdienst als inspectie en ontvangkantoor. De huurprijs bedroeg ƒ 100.000 per jaar, een aardige inkomsten voor de gemeente.

In het plantsoen voor Huize Peking werden later vier bomen geplant ter ere van de geboorte van elk van de vier prinsessen, met bijbehorende tekst in een grote tegel.

In 1979 werden Huize Holland en Huize Peking door de gemeente aan het Rijk verkocht. Het plantsoen voor Huize Peking en de Pekingtuin achter het pand bleven in het bezit van de gemeente. In de tuin staat naast een muziekkoepel en Chinees-Indisch restaurant “Peking”. Ook heeft er jarenlang een poffertjeskraam gestaan. Het Rijk verbouwde, herstelde en restaureerde beide villa’s, verbond ze aan elkaar en nam ze in gebruik als inspectie der directe belastingen en ontvangstkantoor van ’s Rijksbelastingen.

In 1991 werd Huize Peking weer verbouwd om gebruikt te worden als nevenvestiging van de nieuwe belastingeenheid Particulieren Amersfoort. De oude inspectie en het oude ontvangstkantoor verdwenen. In 2012 werd huize Peking verkocht en kreeg het de bestemming verzorgingshuis. Huize Holland werd per 1 januari 1992 verkocht. De gemeente Baarn heeft afgezien van het recht van eerste koop. De bestemming blijft kantoorpand.

Huize Canton
Huize Canton heeft een gelijksoortige geschiedenis gehad. Het werd gebouwd in 1793, werd in 1808 verkocht aan koning Lodewijk Napoleon en de gevoegd bij het domein Soestdijk. In 1815 keerde het domein en ook Huize Canton terug bij de Oranjes. In 1850 kocht Koningin-Moeder Anna Paulowna, weduwe van Koning Willem II, Huize Canton van de erfgenamen van de Koning, die in 1849 was overleden. In 1865 werd Prins Hendrik als legataris van zijn moeder eigenaar. In 1882 kocht de Baarnse Bouwmaatschappij Canton van de erfgenamen van Prins Hendrik.

de familie Janssen bij hun koepel
In 1890 kocht Peter Willem Janssen, directeur van de Deli-maatschappij te Amsterdam Canton.

In 1904 werd August Janssen, directeur van Indisch cultuurondernemingen, als erfgenaam van zijn vader, eigenaar en bewoner. Canton had daarvoor als woonhuis en ook een tijdje als sanatorium gediend.

In 1910 werd Huize Canton wegens bouwvallig uit gesloopt. De oorspronkelijke gevelsteen ging bij de afbraak verloren. Een nieuwe werd op 6 april 1911 in de heropbouw ingemetseld. Op dezelfde plaats werd een nieuw Huize Canton gebouwd dit was klaar op 5 april 1911. In 1920 kocht de levensverzekeringsmaatschappij “Conservatrix” uit Amsterdam, de villa en bracht er haar hoofdzetel heen.

Onder de verkooporders niet begrepen het Cantonspark (gelegen aan de Faas Eliaslaan), een vorstelijke tuin van 3,5 hectaren, die in 1905 was aangelegd door de tuinbaas van August Janssen, J. Goossen. Dit park werd na de dood van Janssen (ook een groot weldoener in Baarn: hij schonk onder andere de bad-en zweminrichting de Eem) in 1918 door de erfgenamen geschonken aan de Staat der Nederlanden onder voorwaarden dat het als botanische tuin zou moeten dienen. Na enige strijd met de Universiteit van Amsterdam werd de tuin in 1920 eigendom van de Rijksuniversiteit van Utrecht, die het als Hortus ging gebruiken. Het werd een fraaie tuin met grote glazen kassen en veel bijzondere planten en bomen uit heel de wereld. J. Goossen werd benoemd tot hortulanus. De tuin werd voor het publiek toegankelijk voor één gulden. Door de aanleg van een nieuwe centrale Hortus op het nieuwe universiteitscomplex “De Uithof” (dicht bij huis) werd het Cantonpark echter overbodig voor Utrecht. De tuin werd dan ook verkocht aan de gemeente Baarn, onder voorwaarde dat het als park in stand zou blijven en niet bebouwd zou worden.

Bronnen:
Eemland, S.Hoog, Baarn, 1978
Baarnse Lusthoven, TH. Coppens, Baarn 1990
Uit de geschiedenis van Baarn, T. Pluim, Baarn, 1932/1975
Uit de geschiedenis van Baarn, G. Hooijer, Baarn, 1972
Baarn, G.A. Hoekveld, Baarn 1964
Dit is Baarn, Bakker/Baarnsche Courant, 1986/1987
Baerne, Historische Kring Baerne, september 1986
Maandblad voor Oud-Utrecht, december 1943
Baarn/Peking, Th. De Ruig, Baarnsche Courant, oktober 1984
Archief Belastingdienst Baarn
Jan Vrieze gesprekken met diverse personen en medewerkers en eigen ervaringen en waarnemingen.
 

Geplaatst door L.J.A.Bakker


http://www.grijsvuur.nl
Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  


Kom in actie en deel ook uw Baarnse herinneringen op Groenegraf.nl
 

 

 


zaterdag 9 september 2017

Wie, wat, waar: De Oorsprongschool

Speurder, de speurhond van Groenegraf.nl
Vandaag is een nieuwe uitzending in de rubriek Wie, Wat, Waar? bij RTV Baarn gestart. De rubriek is een samenwerking met Stichting Groenegraf.nl. U kent inmiddels onze speurhond "Speurneus". Tijdens de uitzending van de rubriek Wie, Wat, Waar? graaft Speurneus telkens een foto van Groengraf.nl op. Wij hopen dan dat de kijkers van RTV Baarn en de volgers van Groenegraf.nl de vragen die we hebben over de foto kunnen beantwoorden.



Op deze foto staat Jan Cornelis van der Veen (1848-1908). Hij staat voor een gebouw dat me bekend voor kwam. Na wat zoeken kwam ik erachter dat het De Oorsprongschool is. We kennen het gebouw dat tegenover de brandweerkazerne stond, dat werd in de jaren zestig gesloopt. Maar dit gebouw stond precies op de plek van het huidige politiebureau. "Instituut" is met grote letters op het gebouw te lezen.
Wie kan ons meer vertellen over dit gebouw? Wanneer is het gebouwd en wanneer gesloopt?

Wat we precies willen weten leest u op onze site via deze link, of bekijkt u op RTV Baarn. De uitzending blijft ook te zien op onze site via deze link. Op die plek kunt u gelijk ook uw reacties plaatsen.

We zijn heel erg benieuwd of u ons kunt helpen!





De uitzendingen van RTV Baarn zijn te zien via het digitale pakket van Ziggo op kanaal 42 of via de stream op www.rtvbaarn.nlYouTube en Facebook

Ook via Xs4all en Telfort met de witte afstandsbediening op kanaal 626 en via XMS, Edutel, Fiber.nl, Stipte, Lybrandt en Telfort met de zwarte afstandsbediening op kanaal 2125.

Op onze site is deze rubriek te volgen via www.groengraf.nl/wiewatwaar

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

Geïnspireerd geraakt door onze oud Baarn-verhalen?
Kom in actie en deel ook uw herinneringen op Groenegraf.nl.

donderdag 7 september 2017

Het Zendingscentrum in Baarn.

Ds. A.Pos
Het Zendingscentrum in Baarn.
In maart 1946 kwam ds. A. Pos (1888-1971), van 1920 tot 1950 zendingspredikant te Djokja op Midden-Java (waar hij vanaf 1932 doceerde aan de opleidingsschool te Djokjakarta) terug uit het Jappenkamp naar Nederland, om daar een bijeenkomst van de Deputaten van de Generale Synode voor de Zending bij te wonen.

Tijdens vroegere verloven had hij de vergaderingen van deze Generale Deputaten ook bijgewoond. Ze werden dan gehouden in de ‘zeer ongezellige kerkenraadskamer’ van de Keizersgrachtkerk te Amsterdam, of, meer luxueus, in een Amsterdams hotel, zo herinnerde hij zich in 1957. Maar vanaf 20 februari 1946 werden deze zendingsvergaderingen aanmerkelijk comfortabeler gehouden: toen opende ds. D. Pol (1877-1958) als voorzitter van de Generale Zendingsdeputaten namelijk officieel het Zendingscentrum aan de Wilhelminalaan te Baarn. Het gebouw had een voorname uitstraling. De aandacht werd getrokken door de ‘meesterlijke muurschilderingen van Marius Richters en de glas-in-loodramen met de zendingsfiguren’ die in de conferentiezaal waren aangebracht.

Het gebouw was echter al eerder, nl. op 5 december 1945, door de directeur, ds. B. Richters (1910-1967) en een secretaresse in gebruik genomen. Men had de beschikking over een kantoor en verder over een groot conferentieoord en studiecentrum, dat klaar stond om het omvangrijke werk van het Zendingscentrum te beginnen. Die outillage was nogal een verschil met Richters’ aanvankelijke werkruimte: de consistorie van de Gereformeerde Kerk te Laren, waarvan hij gebruik maakte sinds zijn benoeming tot directeur op 1 juli 1944 tot de ingebruikneming van het Zendingscentrum in december 1945.

Prof. dr. J.H. Bavinck
De stichting van het Zendingscentrum was de idee van professor dr. J.H. Bavinck (1895-1964), sinds 1939 zendingshoogleraar aan de Theologische Hogeschool te Kampen en aan de Vrije Universiteit te Amsterdam (en sinds 1955 alleen aan de VU). In verband met de opleiding van zendingswerkers was zijn ideaal een eigen zendingstehuis, dat tegelijk ook zou kunnen dienen voor belangstellende leden van de kerken, die hun zendingskennis wilden verrijken.

Dr. Bavinck wist waarover hij het had. Vrijwel zijn hele ambtelijke leven had hij indringend met het zendingswerk te maken gehad. In 1920 en 1921 had hij hulpdiensten verricht in de Gereformeerde Kerk te Medan op Noord-Sumatra in Nederlands Oost-Indië, waarna hij in 1921 predikant te Bandoeng op West-Java werd. In 1927 keerde hij naar Nederland terug, waar hij predikant bij de Gereformeerde Kerk te Heemstede werd. Maar twee jaar later werd hij verbonden aan de Gereformeerde Kerk te Delft voor de missionaire dienst te Solo op Midden-Java, uitgaande van de Gereformeerde Kerk van Delft en de samenwerkende Classes Gouda, ‘s-Gravenhage, Leiden en Woerden. In 1934 werd hij (tot zijn emeritaat in 1939) docent aan de Opleidingsschool te Djokjakarta.

Een moeilijk begin…
De start van het Zendingscentrum was niet makkelijk. Het duurde enige tijd voordat het vertrouwen van de kerken kon worden gewonnen en ook de vele misverstanden uit te weg geruimd konden worden. Van meerdere kanten werd namelijk opgemerkt dat met de stichting van het Zendingscentrum de centralisatie van het zendingswerk in de Gereformeerde Kerken weer ingevoerd werd. Had, zo zeiden de critici, de Generale Synode Middelburg 1896 niet besloten dat het zendingswerk juist gedécentraliseerd moest worden? Waarom heette het bureau anders Zendingscentrum?

Ds. B. Richters
Zo verscheen in het blad Je Maintiendrai een spotprent waarop dominees ‘met hogehoeden en zwarte jassen en natuurlijk met uitgestreken gezichten’, het Zendingscentrum te koop aanboden aan achtereenvolgens een bioscoop-eigenaar, een cabaret-directeur, een variété-exploitant en een dancing-bezitter! ‘Liever ongeloof dan Revolutie’, stond erboven. En anderen verklaarden dat het feit dat ‘onze zendingswerkers in Indië’ inzake de Indonesische kwestie verkondigden dat Nederland afscheid moest nemen van het koloniale tijdperk, en dat Indië zelfstandig diende te worden, door het Zendingscentrum geïnspireerd werden. En verder was de kritiek bij sommigen dat het op de conferenties van het Zendingscentrum ‘te bont’ toe ging: er werd te veel gelachen; weer anderen – en misschien ook wel dezelfde – vonden dat het Zendingcentrum veel te duur was. En tenslotte verscheen in 1947 in een kerkbode ergens in het land een artikel dat eindigde met een vraag én een antwoord: ‘Wat doen we met ons Zendingscentrum? Als ik een advies mag geven: hoe eerder opheffen hoe beter. Want beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald’.

Wat de critici vergaten was dat het de Generale Synode was (de Gereformeerde Kerken sámen!) die het besluit van de oprichting van het Zendingscentrum genomen had. Hoe dan ook, ‘we moesten onze ziel in veel lijdzaamheid bezitten en geduldig bouwen aan het werk, dat de Generale Synode ons had opgedragen’, zo constateerde ds. Richters in 1956.
De conferentiezaal
Velen werden in Baarn opgeleid
Terugkijkend kan inderdaad gezegd worden dat het Zendingscentrum in Baarn ontzettend veel werk verzet heeft. Ds. Richters gaf daarvan in 1957 een overzicht in acht punten.




‘(1) Het Zendingscentrum is de zendingsschool van onze Kerken’.
Sinds de Generale Synode het besluit nam, dat iedere zendingsarbeider een zendingsdiploma moest behalen, diende er een opleidingsschool te komen. Ds. Richters wees op de vele (in 1956 waren het er meer dan honderd) zendingsarbeiders, die in de voorgaande tien jaar waren opgeleid: predikanten, artsen, verpleegsters, onderwijzers, sociaal-economen, mensen voor de lectuurdienst, missionaire zusters. Dit betekende dat de zendingsarbeiders een goede basis kregen voor hun moeilijke werk, waardoor veel onnodige moeiten en miskleunen voorkomen werden.
‘(2) Het zendingscentrum is het propagandacentrum van onze kerken’.

Hoes grammafoonplaat
Alle Gereformeerde Kerken kwamen met de propaganda van het Zendingscentrum in aanraking.  Hoe belangrijk deze functie was, bleek onder meer uit het voorlichtingswerk en de propaganda die ontwikkeld werd voor de ACSIS (Actie voor Christelijke Scholen in Indonesië en Suriname). Zonder propagandacentrum zou men nooit de fl. 600.000 voor de ACSIS bij elkaar gekregen hebben. Ds. Richters noemde in dit verband ook de gebedskringen en gebedsbrieven. ‘Alleen daarvoor zou een zendingsbureau al verantwoord zijn’.



‘(3) Het Zendingscentrum is het secretariaat van de Raad van Samenwerking’.
In deze Raad werkten alle Zendende kerken (de kerken die zendingsarbeiders uitzonden naar het zendingsveld) samen ten aanzien van de ‘nevendiensten’ of ‘hulpdiensten’, zoals de lectuurdienst, het medische- en het onderwijswerk op de zendingsvelden, de sociaal-economische dienst en verder de Zending onder Chinezen. ‘Wat vroeger op deze gebieden iedere Zendende kerk afzonderlijk deed, wordt nu gezamenlijk gedaan in de Raad van Samenwerking’. In feite werd de helft van de tijd van directeur en medewerkers in de vijftiger jaren besteed aan het werk voor de Raad van Samenwerking. ‘En het is niet het minst interessante deel van het werk’, vond ds. Richters.


 ‘(4) Het Zendingscentrum is het Conferentieoord van onze kerken’.
Eigen lepeltjes bij de conferentie koffie












Ontelbare Zendingsconferenties werden sinds de oprichting gehouden. Synode-deputaatschappen en allerlei andere kerkelijke instanties én niet-kerkelijke verenigingen confereerden en vergaderden er. Voor zover de bezetting dit toeliet werd het gebouw ook verhuurd aan allerlei instanties, die met Kerk en Zending te maken hadden. De opbrengst van deze conferenties werd gebruikt om de kosten van het werk van het Zendingscentrum te drukken.
 ‘(5) Het Zendingscentrum is het redactieadres van allerlei publicaties over de zending´.
Allereerst kon dan genoemd worden het maandelijkse Zendingsblad dat van 1903 tot 1967 verscheen, een blad dat talloze voorlichtende artikelen plaatste, berichten publiceerde van de Zendingsvelden en jeugdverhalen plaatste om ook de kinderen een indruk van het zendingswerk te geven. Dat het tijdschrift veel gelezen werd, bewees de stijgende oplage: verscheen het in 1946 in een oplage van 76.000, in 1959 waren het er 140.000 exemplaren. De bekende ds. H. Dijkstra was de eerste redacteur: hij redigeerde het blad van januari 1903 tot januari 1922.
 Een zendingsblad uit 1955.
Harmen Dijkstra (1851-1922) werd in 1875 predikant te Gees (Dr.), in 1879 in Oldekerk (Gr.), tien jaar later in het Friese Jutrijp en Hommerts en vanaf 1892 tot zijn emeritaat in 1917 gereformeerd predikant te Smilde (Dr.). Hij was de spil en de stuwkracht van de Soembazending (het zendingswerk van de Gereformeerde Kerken in Drenthe, Groningen, Overijssel, Oost-Friesland en Grafschaft Bentheim op Soemba, een van de Kleine Soenda-eilanden ten oosten van Java in Indonesië).
Ook werd geregeld een Zendings-kalender uitgegeven, waarvan de baten voor het zendingswerk bestemd werden. Niet vergeten moeten worden de jeugdboeken die door het Zendingscentrum werden uitgegeven. Boekjes als Aidsjoe en Towasi het slaafje, beide geschreven door M.C. Capelle (1920-1979), werden veel gelezen.

 ‘(6) Het Zendingscentrum herbergt de zendingsbibliotheek’.

Verslagen typen, de bibliotheek bijhouden
De Zendingsbibliotheek werd geregeld uitgebreid zowel door aankopen als ook door giften uit het land. De omvang nam jaar op jaar toe en er werd zeer geregeld gebruik van gemaakt. Ook waren jeugdboeken aanwezig.
‘(7) Het Zendingscentrum is het servicestation voor Kerken en Zendingsarbeiders’.
Het Zendingscentrum kon beschouwd worden als een soort van centraal inkoopbureau voor de Zending, waardoor vaak kon worden geprofiteerd van voordelige verkoopvoorwaarden. ‘Men hoefde maar ‘een kik te geven’ en het raderwerk zette zich in beweging’. Ervaren krachten wisten de weg naar instanties en in allerlei documenten om de juiste connecties aan te spreken. Ook de maandelijkse voedselpakketten die naar de zendingswerkers in Indië gestuurd werden, maakten duidelijk hoe noodzakelijk het werk was, dat door het Zendingscentrum werd gedaan.
‘(8) Het Zendingscentrum doet tientallen dingen meer’.
Van groot belang was het onderhouden van contacten met de plaatselijke en regionale zendingscommissies en andere activiteiten. Een voorbeeld: het provinciaal georganiseerde afdelingen van het Vrouwen Zendings Thuisfront (VZT) had talloze malen contact met het Centrum in Baarn (het VZT beijverde zich om de positie van de vrouwen in Indië te verbeteren).  Het maken van zendingsfilms was van groot belang voor het stimuleren van plaatselijke gemeenten om zich in te zetten voor het zendingswerk. Ook hield het centrum contact met werkers op het zendingsveld door geregeld met hen te corresponderen.
Contacten onderhouden en maken en
vertonen van zendingsfilms
Jaren achtereen werd in het Zendingscentrum een ‘onvergetelijk kerstfeest gevierd met de in Nederland achtergebleven kinderen van uitgezonden zendingswerkers’. Zendingswerkers op verlof begaven zich vast en zeker ook naar het ‘Centrum’ te Baarn, ‘die hier verkwikking, bezieling, raad en hulp van allerlei aard ontvingen’. Op hun beurt gaven zendingswerkers die op verlof in Nederland waren zelf ook voorlichting over hun werk, bijv. in plaatselijke Gereformeerde Kerken, of tijdens conferenties die niet alleen in het Zendingscentrum werden gehouden, maar ook – georganiseerd door ‘Baarn’ – in het Friese Kortehemmen. Tijdens die bijeenkomsten was men vaak in de gelegenheid uit de eerste hand het laatste nieuws van de zendingsterreinen te horen.
Suikerzakjes van zendingscentrum
Suikerzakje













Ook kregen vele predikanten, kandidaten en theologische studenten in Baarn regelmatig les in de verschillende aspecten van het zendingswerk, om daarmee hun winst te doen op het thuisfront. Maar er was nog veel meer: ds. Pos noemde ook nog de volgende activiteiten: ‘Er moet een auto gekocht en verzonden worden naar het zendingsveld; het Zendingsbureau zorgt ervoor. Er moeten verzekeringen worden afgesloten; het Zendingsbureau zorgt ervoor. Er moeten stukken vermenigvuldigd en rondgezonden worden aan kerken en deputaten; het Zendingsbureau zorgt ervoor. Er moeten verzekeringen afgesloten worden; het Zendingsbureau zorgt ervoor. Er moeten verschillende administraties bijgehouden worden; het Zendingsbureau zorgt ervoor.
Zendingskapel
 In 1963 werd deze zendingskapel in gebruik genomen, op het terrein van het Zendingscentrum aan de Wilhelminalaan. Het gebouw is rond 1990 afgebroken.
‘Wat het Zendingscentrum kost’.
‘Het Zendingscentrum is veel te duur!’ werd her en der rondverteld. Maar hoe zat het wérkelijk? De aankoop van het gebouw kostte de Zendingskas niets! De aankoop werd namelijk gefinancierd uit een synodaal fonds, dat in oorlogstijd gevormd was, maar door de loop der omstandigheden niet kon worden besteed voor het doel, waarvoor het gevormd was. Het gebouw kostte fl. 80.000. ‘Kenners menen te weten dat de bouw van hetzelfde gebouw in deze tijd [1956] zeker een miljoen gulden zou kosten (hetgeen niet zegt dat we dit gebouw voor een miljoen kwijt zouden willen!)’. De inventaris werd betaald uit particuliere giften die in de oorlogstijd bijeengebracht konden worden; ‘stiekem, want de Duitsers mochten het niet weten’.


De keuken draaide tijdens conferenties onder hoogspanning; de boekengiften stroomden binnen
Om duidelijk te maken dat slechts een klein deel van het door de Gereformeerde Kerken opgebrachte zendingsgeld besteed werd aan het Zendingscentrum, verwees ds. Richters naar de exploitatiebegroting van 1955. Die had een eindbedrag van fl. 85.000. Dat wilde niet zeggen, dat de kerken werkelijk deze fl. 85.000 op tafel moesten leggen. De landelijke Generale Zendingskas gaf het Zendingsbureau dat jaar een subsidie van slechts fl. 24.000. De rest moest worden bijverdiend door allerlei werkzaamheden die voor derden, onder andere voor de ‘Raad van Samenwerking’ werden verricht. ‘Maar die fl. 24.000 zijn naar aller overtuiging goed besteed. Dat wil dus zeggen, dat nauwelijks 1% van het bedrag dat de zending in 1955 bij elkaar bracht, naar het Zendingscentrum gaat. Dat wil óók zeggen dat de financiële baten van het werk dat van deze subsidie wordt verricht, in de kassen van de Zendende kerken en de plaatselijke Zendingscommissies terecht komt. Waarbij we de geestelijke baten maar buiten beschouwing laten’, zo besloot ds. Richters zijn verhaal.

Het ‘einde’ van het Zendingscentrum.
Vanaf het ontstaan van De Gereformeerde Kerken in Nederland (1892) was de zending vanaf de Synode van Middelburg 1896 een integraal onderdeel van het kerkenwerk, net als het diaconaat, dat zich in eerste instantie op diaconaal werk in de eigen omgeving en in eigen land richtte. Met het overnemen van taken door de overheid op grond van de sociale wetgeving, kwam er ruimte en aandacht voor de nood van de wereld buíten Nederland, waarvoor de term Werelddiaconaat werd gebruikt.
Ds. A. Vos
Toen de Gereformeerde Kerken in 1976 de beschikking kregen over een eigen gereformeerd Dienstencentrum te Leusden, werd het gebouw van het Zendingscentrum te Baarn afgestoten maar het werk zelf ging in Leusden verder. Wel werden Zending en Werelddiaconaat langzamerhand nauwer op elkaar betrokken en de organisaties na verloop van tijd samengevoegd. In 1986 herdacht men nog het veertigjarig bestaan van het Zendingscentrum.
 Ds. A. Vos
De tweede en laatste directeur van het Zendingscentrum was ds. A. Vos, (1924-2004). Anthonie Vos studeerde theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en werd in 1952 gereformeerd predikant in Westmaas. Vervolgens stond hij vanaf 1956 in Londen, vanaf 1960 in Wassenaar. En in 1964 werd hij adjunct-directeur en drie jaar later directeur van het Zendingscentrum in Baarn. Hij ging in 1987 met emeritaat.

Bronnen en literatuur onder meer:
H. Baas, Van Baarn tot Leusden, 40 jaar Zendingscentrum 1946-1986, Leusden, 1986
A. Pos, 10 jaar Zendingscentrum, in: Centraal Weekblad ten dienste van de Gereformeerde Kerken in Nederland, 4e jrg. nr. 7, 18 febr. 1956
B. Richters, 10 jaar Zendingscentrum, in: Zendingsblad van de Gereformeerde Kerken in Nederland, jrg. 54, nr. 2, februari 1956
F. Rozemond, Inventaris van het Archief van het Generaal Deputaatschap voor de Zending der Gereformeerde Kerken in Nederland. Utrecht, 1989
GereformeerdeKerken.info
Geplaatst door L.J.A.Bakker

http://www.grijsvuur.nl
Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  

Kom in actie en deel ook uw Baarnse herinneringen op Groenegraf.nl