13.4.18

De Knopenfabriek in 1955

Omdat de zee geen brood meer gaf...

luxe mantelknopen
Het kán voorkomen, dat die op­vallende, modieuze knopen, van dat charmante toiletje, dat op een modeshow in Parijs, Lon­den of New York als de allernieuwste seizoencreatie aan het publiek wordt getoond, zijn gemaakt onder de han­den van een Spakenburgse visser. Deze relatie van Spakenburg met ge­noemde hoofdsteden is niet zo vreemd als ze op het eerste gehoor lijkt. Want in deze voormalige Zuiderzee­vissersplaats is een van de grootste Nederlandse fabrieken gevestigd op het gebied van dames-modeknopen. Om iets te weten over de stichting van deze industrie, moet men ruim een kwart eeuw teruggaan, naar de jaren twintig, toen de "Rijksdienst tot Uitvoering van de Zuiderzee­steunwet 1925" contact zocht met in­dustriëlen over het hele land, om vestigingen van nieuwe industrieën te bevorderen in plaatsen rond de Zui­derzee. Dit in verband met de, toen tot uitvoering gekomen, afsluiting van de Zuiderzee, welke de bevol­king der vissersplaatsen in de toe­komst tot andere werkzaamheden zou noodzaken. Zo werd, precies vijfentwintig jaar geleden, in Spakenburg, met financiële steun van het Zuiderzeefonds en van de Gemeente, een knopenfabriek opgericht, de "N.V. Hollandsche Knoopenfabriek".

Arian Heinen
Voor export
In de vijfentwintig jaar van haar be­staan, heeft de Spakenburgse kno­penfabriek zich ontwikkeld tot de belangrijkste industrie ter plaatse, en heeft dus royaal aan de bedoe­lingen der initiatiefnemers beant­woord. De leningen van het Fonds en van de Gemeente zijn inmiddels geheel afge­lost, zodat het bedrijf, dat werk ver­schaft aan 350 werknemers, geheel op eigen benen staat. Als je als belangstellende leek de knopenfabriek doorwandelt, dan is de eerste gedachte die bij je opkomt: Waar gaan al die duizenden en nog eens duizenden knopen heen? En wat een soorten zijn er! Men vindt er knopen in duizenderlei tinten en in duizenderlei vormen en modellen; en er zijn erbij met een heel apart pro­fiel, heel bijzonder geribbeld en heel bijzonder gekleurd en gelakt. Worden al deze verschillende soorten knopen nu ook werkelijk gebruikt door de confectieindustrie, vraag je je dan af. Maar dan vertelt de directeur, de heer H. J. J. Hofman, dat 75 % van de productie bestemd is voor de ex­port, en dat wat nu bewerkt wordt door Spakenburgse handen, straks zal worden verzonden naar Stock­holm, Addis Abbeba, Christchurch, Vancouver, Beiroet, Lima, of waar ook ter wereld. Want men exporteert naar ongeveer veertig landen.

Het inzetten in gespen
Een knoop is maar een knoop; dat zeg je vóór je de fabriek ingaat. Maar als je er na een rondwandeling weer uitkomt, dan durf je zoiets niet eens meer te denken. Het begint al, als je het magazijn binnenkomt. Mil­lioenen uitgeboorde knoopmodellen, de zogenaamde rondellen, liggen daar in allerlei kleuren in honderden bak­ken uitgestald. Hier is de voorraadkamer van de fabriek, die op elke vraag en elke order direct moet kunnen leveren. De argeloze bezoeker meent niet anders of hij is hier terechtgekomen in een reusachtige snoepwinkel, met een onbeperkt assortiment van zuurtjes, drop en fondant. Hier ziet men ook de platen en staven galalith, de grondstof waaruit het merendeel der knopen wordt gefabriceerd. Dit galalith is een product dat niet op deze fabriek wordt bereid maar afkomstig is uit Caseïne.

Halfproducten even over de schudzeef
De eerste bewerking is het uitboren of stanzen van de rondellen uit de platen galalith of plexiglas, dat ook wel als grondstof wordt gebruikt. Verder worden deze rondellen door verschillende machines in de gewenste vorm gebracht. De draaier zorgt ervoor dat de knoop het juiste profiel krijgt, de frezer beitelt het motief in, en op de boormachine priemen dunne boortjesde gaatjes in de knoop. Dat de knopen een geheel machinale bewerking ondergaan betekent intussen niet, dat het handwerk hierbij is uitgeschakeld. Integendeel, bij elke bewerking, voor het frezen en de definitieve afwerking van de knoop, komt het aan op de bekwaamheid van de handen van zijn bewerker.
Steeds weer anders
Elk jaar worden erdoor dè fabriek twee grote monstercollecties uitgebracht, van 400 stuks elk. Dat betekent dus 800 nieuwe knoopmodellen, elk jaar! Is het te verwonderen, dat het uitdenken van nog weer anders gekleurde, anders geribde en anders gemodelleerde knopen de directie, na al die jaren, wel eens hoofdpijn bezorgt? Hoe belangrijk het ontwerpen van nieuwe modellen voor deze industrie is, blijkt uit het feit, dat er 25 mensen het hele jaar door aan de monstercollecties bezig zijn. Om nieuwe ideeën uit het eigen bedrijf te stimuleren, worden er door de directie jaarlijks prijsvragen voor nieuwe ontwerpen uitgeschreven, waaraan door de mensen van het bedrijf met veel animo wordt deelgenomen. En menige nieuwe creatie, hetzij een knoop voor mantel, mantelpak, japon, hetzij een gesp, of een schoenknoopje, is dan ook te danken aan de fantasie van een arbeider uit de fabriek. Des te merkwaardiger is dit, omdat de Spakenburgse vrouwen zelf in hun klederdracht geen enkele knoop gebruiken; zij houden zich nog uitsluitend aan spelden.
Het frezen van knopen


Uiteraard is deze knopenindustrie voor Spakenburg van diepingrijpende economische en sociale betekenis geworden. De werkers op de fabriek hebben óf in hun jonge jaren nog zelf gevaren, óf zijn kinderen van vissers, óf werken 's winters op de fabriek en gaan 's zomers de zee op. Een Spakenburger die nog op de Zuiderzee gevaren heeft, is bijvoorbeeld de 42-jarige perser Arian Heinen. In 1932 zag hij geen toekomst meer op zee; hij is toen op de knopenfabriek gaan werken. “Als de fabriek er niet was geweest, dan had 't er zuinig voor ons uitgezien", zegt hij.

de knopen op de kaart genaaid, ingepakt en klaar om te verzenden
Zee bleef trekken. 
Midvoor W.Heinen
De bekende midvoor W. Heinen, van de voetbalvereniging "Spakenburg", die wij in de verfafdeling van de fabriek aantreffen, heeft zelf nooit gevaren, maar hij zegt het ons ronduit: “Wat mij betreft, ik zou willen varen, maar op de zee ligt voor ons geen toekomst meer". En de handfrezer Willem Bos, wiens vader op zee was, en die zelf als 13- jarige jongen met zijn broer op de haringvangst ging, vertelt ons: “Het eerste jaar dat de fabriek hier stond, kwam ik er werken. Ik weet nog wel, dat ik 't in het begin lang niet makkelijk had. De zee trok! Wanneer ik zo 's Maandagsmorgens, heel in de vroegte, de motoren hoorde aanslaan, en wist dat de vissersschepen uitvoeren, nou dan ging 't wel eens aan mijn hart dat ik niet meekon. Maar dat ging over; de trek naar zee verdween. En wanneer ik nu de bootjes voorbij hoor puffen, zeg ik wel eens tegen mijn vrouw: “Ik ben blij dat ik op de fabriek ben, met een vast inkomen, zomer en winter door." 



Geplaatst door L.J.A.Bakker

http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  











11.4.18

Herinneringen van Hans (30): De hoek Bosstraat/Stationsweg/Brink zoals ik 'm kende

De afgelopen winter was vaak niet uitnodigend om naar buiten te gaan. Elk nadeel 'heb' zo z'n voordeel en aldus heb ik me onledig gehouden met het tekenen van heel wat prenten voor het boek dat we aan het eind van dit jaar hopen uit te brengen.
Het gaat dus een prentenboek worden, waarbij ik de lezer/kijker poog aan de hand te nemen om samen met mij door het Baarn van de jaren vijftig/zestig van de vorige eeuw te gaan.
De jaren dat ik er opgroeide en waaraan ik zoveel mooie herinneringen koester.
Al tekenende kwam ik er achter dat er behoorlijk wat is veranderd. Diverse panden zijn er niet meer.
Hierbij alvast een voorproefje van de verdwenen panden op de hoek Bosstraat/Stationsweg bij de Brink.

Een overzichtsplaatje van de Brink uit de jaren vijftig/zestig, voor de afbraak van de panden aan de Stationsweg (van linksonder schuin naar boven), met helemaal links in de hoek het oude politiebureau, de Nijverheidstraat en in het midden van onder naar boven de Bosstraat. Helemaal bovenaan de 1001 winkel (nu Hema) en met rechts daarvan het St. Nicolaasgebouw, dat plaats heeft moeten maken voor de nieuwe bibliotheek.

De kerk en de pastorie (ook verdwenen). Hoe vaak ben ik hier wel niet langs gefietst. 
Op de achtergrond rechts, de winkel van 1001, je kon er echt van alles kopen, in die tijd echt een begrip. 

Hoek Bosstraat/Stationsweg, met als kenmerkende trekpleister cafetaria Timmers. Het pand heeft vele bestemmingen gekend, maar in mijn tijd was het voornamelijk een cafetaria. 

In het eerste pand rechts in de Bosstraat was een drogisterij gevestigd, waar je ook verf kon kopen. Het werd gerund door de familie Faassen. Drogisterij De Gaper stond er boven de deur vermeld. Echter geen gaper te zien. En die stond ook niet op de foto, waarnaar ik de tekening heb gemaakt. Dus vraag ik me wel nu af, of die er ooit boven de deur heeft gehangen. Er staat me iets bij dat dat zo was, maar ben niet zeker en heb 'm daarom niet getekend.

Van de andere panden in de Bosstraat zoals die van Strumpel, daar schuin tegenover, heb ik in een vorig artikel al tekeningen laten zien.

Hier zijn we op de Stationsweg, waarbij we staan tegenover café 't Centrum, links nog een glimp van cafetaria Timmers. In de beginjaren zeventig, vlak voor de afbraak, heeft het plaats geboden aan het jeugd/jongerencentrum 't Sentrum, waarbij ik nog betrokken ben geweest. 

Op de Stationsweg staande, met de rug naar café 't Centrum, zicht op het kenmerkende uitstekende pand aan het pad naar de kerk.  Het zal met name wel uit verkeersveiligheid zijn geweest dat dit pand is verdwenen.  Daarachter verscholen achter de bomen het politiebureau.

En hierbij nog een zicht vanuit de Nijverheidstraat met aan de overkant het pad naar de kerk. Nog voor mijn tijd moet het straatje een heel gezellige zijn geweest met de ambachtslieden die er hun bedrijfjes hadden. 
In mijn tijd was in één van de panden rechts de kapsalon van Ton Jansen gevestigd, voordat hij vanwege de aanstaande afbraak, naar de Eemnesserweg vertrok. Ik heb me heel wat keertjes door hem laten knippen, totdat ik vond, meegaande met het tijdsbeeld, om mijn haar te laten groeien. 
Ik herinner me dat er aan de wanden posters hingen van grote schepen, met name van de Holland Amerikalijn en er stonden kartonnen displays in dezelfde sfeer. We hebben er wel eens één of twee mee mogen nemen, hetgeen mijn idee om te gaan varen alleen maar aanwakkerde, maar nooit heb gerealiseerd. Ik vraag me nu wel af waarom daar die posters hingen. Waren ze misschien een overblijfsel van een reisbureau?
Aanvankelijk werden onze haartjes geknipt door zijn vader, die zijn zaak had op de hoek van de Esdoornlaan. Ook van die hoek heb ik een tekening gemaakt, maar die bewaar ik voor het boek.

En hier tenslotte het oude politiebureau. Ik ben er meer langs gereden dan dat ik er binnen ben geweest. Wat had ik er ook te zoeken.
Maar wel een kenmerkend pand, vond ik toch. 

Tot zover deze kleine wandeling door het oude Baarn. Zo heb ik er nog meer, maar die gaan bewaard worden om in het prentenboek aan de wereld te worden prijsgegeven.

Hans Smeekes
Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter


9.4.18

We hebben hem weer rood gemaakt

door Eric van der Ent


Afgelopen 21 maart was het weer zover: we mochten weer naar de stembus om een nieuwe gemeenteraad te kiezen. “We hebben hem weer rood gemaakt”, zou mijn vader zeggen. Of hij daarmee bedoelde dat hij op een ‘rode’ partij stemde of dat hij gewoon het rondje met zijn potlood rood had gemaakt weet ik niet. Over politiek werd bij ons thuis weinig gesproken, hoewel de gang naar de stembus altijd trouw gemaakt werd. Stemmen is een voorrecht, geen verplichting. Mijn ouders waren zich daarvan bewust. Ze hebben het voor elkaar gekregen om dat ook op mij over te brengen. Stemmen doe ik trouw. Al was het maar om ‘enge’ politici van de macht af te houden.

Het resultaat van de laatste verkiezingen. Ik heb er alle vertrouwen in.

Tegenwoordig zijn we gewend aan grote landelijke en lokale politieke partijen die strijden om de macht. De trend is dat we bij gemeenteraadsverkiezingen steeds meer op lokale partijen stemmen. Nieuwe lokale partijen schieten als paddenstoelen uit de grond. Op zich is dat ook logisch. Gevoelsmatig zijn lokale partijen meer betrokken bij lokale issues, landelijke partijen moeten doen wat er voorgeschreven wordt door het landelijk bestuur van de partijen en het kan uiteraard zo zijn dat dat niet strookt met lokale belangen. Ik zeg niet dat dat waar is, maar ik denk dat die gedachte de opkomst van lokale partijen voor een groot deel verklaart.

De gemeenteraad in 1897: achter v.l.n.r.: mr. F. Pen, J.H. Mulder, H.J. Velaars, A. van Leersum,
H. Sweris, R.R.H. toe Laer, W. van Oosterom, G. van Merkestijn.
Voor v.l.n.r.: jhr. mr. L.D. Rutgers van Rozenburg, J.J. Goseling, jhr. L. van Beijma.
(Foto: collectie HKB).
jhr. mr. B.Ph. de Beaufort (1852-1898),
burgemeester van Baarn van 1885 tot 1897.
Was hij net zo toegankelijk als onze
huidige burgervader Röell?
(Foto gemaakt van schilderij uit coll. HKB)
De Historische Kring Baerne bezit een prachtige oude foto van de Baarnse gemeenteraad in 1897, zie hierboven. Dit moet één van de oudste foto’s van de Baarnse raad zijn, zo niet de oudste foto. Ik vraag me wel eens af wat voor figuren destijds in ons gemeentebestuur zaten. Het huidige gemeentebestuur kunnen we nu dagelijks ‘in het wild’ op straat of in de supermarkt tegenkomen. We vinden het ook normaal dat we hen op straat aanspreken en vragen stellen. Geloof maar niet dat het ten tijde van deze foto gewoon was om burgemeester, wethouders en raadsleden op straat vragen te stellen. Nee, je nam je hoed of pet af, zei gedag, en liep weer verder. Met een beetje geluk werd er nog ‘goedemorgen’ teruggezegd. Het gemeentebestuur stond duidelijk boven de bevolking. Hoe anders is het nu! Onze burgemeester Mark Röell is een prachtig voorbeeld. Dat is nu een burgemeester die midden in de samenleving staat. Hij kent zoveel mensen, vaak zelfs bij naam. Hij weet wat er in zijn gemeente speelt en is betrokken en geïnteresseerd. Ik vind dat bewonderenswaardig en helemaal niet vanzelfsprekend. Dat een burgemeester midden in zijn gemeente staat, in plaats van erboven, was een trend ingezet door burgemeester J.P.Miedema. Hij was vanaf 1976 onze burgervader. Ik geloof niet dat men burgemeester jhr. mr. B.Ph. de Beaufort, in de tijd dat deze foto gemaakt is, gewoon op straat kon aanspreken.

Pas in 1848 werd in Nederland de grondwet gewijzigd. De Tweede Kamer, Provinciale Staten en gemeenteraden werden vanaf toen rechtstreeks door de bevolking gekozen.  Tevens werd bepaald dat voortaan de gemeenteraad aan het hoofd van de gemeente stond en niet langer het college van burgemeester en wethouders. Dat was ook de tijd dat in Nederland de eerste politieke partijen ontstonden, hoewel die politieke partijen in de Baarnse gemeenteraad nog niet zichtbaar waren. Raadsleden die vóór 1850 in de raad zaten werden de jaren daarna vaak gewoon weer herkozen en zo veranderde er weinig in Baarn. Het waren vooral de rijkere boeren die de zetels in de raad bezette. Een paar jaar vóór de aanleg van de spoorlijn (1874) begon dat pas te veranderen. Langzaamaan traden er wat leden van adel toe en na 1874 kwamen geslaagde zakenlieden in beeld voor de gemeenteraad. Rijke Amsterdammers vestigden zich hier in Baarn en zij wilden uiteraard inspraak hebben in het reilen en zeilen in Baarn. In de tijd dat ‘onze’ foto van de gemeenteraad gemaakt werd, 1897 dus, was er een mooie mix van oude- en nieuwe machthebbers te zien. Laat ik de personen op de foto even kort voorstellen:

Franciscus Pen (1849-1909): Notaris te Baarn en kleinzoon van burgemeester Frans Pen naar wie de Burg. Penstraat vernoemd is. Hij zou zijn 25-jarig raadslidmaatschap net niet halen. Vlak voor de jubileumdatum overleed hij. Het feestje om het jubileum te vieren had toen al wel plaatsgevonden. Pen is ook wethouder te Baarn geweest.







Johannes Hendricus Mulder (1837-1925): Koopman / kolenhandelaar.
Toen Johannes Hendrikus 31 jaar oud was had hij in de kolenhandel genoeg verdiend om te rentenieren. De familie bleef tot zeker 1885 in Amsterdam (Haarlemmerstraat) wonen. Rond 1890 is hij verhuisd naar Baarn, Villa Julia, Kerkstraat 11. Na de dood van Derkje ging hij bij één van zijn dochters in Den Haag wonen alwaar hij overleed.






Hendrikus Josephus Velaars (1819-1899): Directeur Hotel Velaars aan de Brink in Baarn, later omgedoopt naar Hotel Central. Het hotel stond op de plek waar nu de Hema te vinden is. Velaars was duidelijk één van de geslaagde zakenmannen die toetrad tot de raad. Ook hij was antirevolutionair.







Arris van Leersum (1839-1927): Wagenmaker / rijtuigfabrikant. Van Leersum was net als Mulder en Velaars antirevolutionair. Hij was raadslid in Baarn van 1887 tot 1917. Zoon Willem van Leersum (1879-1955), bijgenaamd Witte van Leersum, zou later ook toetreden tot de raad voor de ARP.







Hendrik Sweris (1850-1916): bouwondernemer en vennoot Bouwmaatschappij ‘Nieuw Baarn’ te Amsterdam. Sweris was wat je tegenwoordig projectontwikkelaar zou noemen. Hij liet grote villa’s bouwen in het Wilhelminapark in Baarn die zeer in trek waren bij de rijke Amsterdammers. Hij liet ook de Wilhelminavijver aanleggen om ‘zijn’ villawijk nog aantrekkelijker te maken.




René Robert Herman toe Laer (1843-1906): Assuradeur. Toe Laer woonde lange tijd in Amerika. Hij was in 1897 één van de mede-oprichters van de Christelijke Historische Kiesvereniging in Baarn.








Willem van Oosterom (1835-1905): Logementhouder, koffiehuishouder te Lage Vuursche. Van Oosterom was meer dan 35 jaar lid van de Baarnse gemeenteraad. Onder zijn handen, en die van zijn talrijke kinderen is de eenvoudige herberg in enkele decennia uitgegroeid tot een restaurant en hotel van formaat. Van Oosterom is nog steeds een bekende naam in De Vuursche.





Gerardus van Merkestijn (1863-1949): Van Merkestijn ging op 1 januari 1929 met pensioen. Hij had toen 46 jaar de gemeente gediend, waarvan 33 jaar als gemeentesecretaris. Hij was een broer van Pieter Dirk van Merkestijn, meubelmaker en -handelaar aan de Bosstraat.






Jhr. Louis Daniël Rutgers van Rozenburg (1826-1898): Adel in de gemeenteraad. Rutgers van Rozenburg was bewoner van De Hooge Vuursche.









Joannes Jacobus Goseling (1819-1898): Timmerman en makelaar. Goseling was de laatste jaren wethouder te Baarn. Een jaar na het maken van deze foto zou hij overlijden.








Jhr. Lollius van Beijma (1840-1925): Nogmaals adel in de raad. Van Beijma was majoor der grenadiers en jagers en intendant van koning Willem III op paleis Soestdijk.









De HKB heeft ook nog een fraaie foto van (alle?) gemeenteambenaren die in datzelfde jaar op het gemeentehuis werkzaam waren.

Gemeenteambtenaren, ook in 1897 gefotografeerd.
V.l.n.r.: J.L.A. van Dijk, J.C.F.. baron d’ Aulnis de Bourouill,
P.H. Burggraaf, J.A. Sandberg en D. Burggraaf. (Foto coll. HKB).

Hierop staan afgebeeld:

Johannes Lodewijk Alexander van Dijk (1855-1905). Ambtenaar ter secretarie.

Jan Carel Ferdinand baron d’ Aulnis de Bourouill (1849-1923). Gemeentearchivaris.

Pieter Herber Burggraaf (1873-1938). 1e ambtenaar tresoor.

J.A. Sandberg. Ambtenaar tresoor.

Dirk Burggraaf (1845-1927) Gemeentesecretaris, vader van bovengenoemde P.H. Burggraaf. Over Dirk Burggraaf is op zich al een boek te schrijven. In 1898 werd de gemeentekas geplunderd. Burggraaf vermoedde dat een insluiper zijn sleutel van de kluis ontvreemd had en zo de kluis kon openen, maar al snel werd Burggraaf zelf verdacht. Het bewijs dat hij het geld zelf ontvreemd had kon echter niet geleverd worden. Vast stond dat de administratie een rommeltje was. Ruim f 16.000,- was zoek. Grove nalatigheid werd hem verweten en Burggraaf werd oneervol ontslagen. Later zou Burggraaf B&W nog verzoeken om het oneervol ontslag om te zetten in eervol ontslag, maar aan dat verzoek werd geen gehoor gegeven.

Baarn heeft na de laatste verkiezingen weer een nieuwe gemeenteraad, gevuld met personen die je gewoon op straat kunt aanspreken. En dat is goed zo!

De opening van de permanente expositie in het gemeentehuis door
de (ex)burgemeesters van Baarn.
Foto: Caspar Huurdeman
Nog een tip: op ons gemeentehuis is een permanente tentoonstelling met een overzicht van alle burgemeesters, wethouders, raadsleden, gemeentesecretarissen en griffiers die vanaf 1813 in functie zijn geweest te bewonderen. Deze gegevens zijn verzameld door Ton van den Oudenalder in samenwerking met de HKB. Gaat dat zien!








Voor dit verhaal is dankbaar gebruik gemaakt van informatie uit het artikel “De Baarnse Gemeenteraad tussen 1848 en 1885” van J.P.R. Pijpers gepubliceerd in Baerne juni 1997.


Eric van der Ent












Dit verhaal verscheen op maandag 9 april 2018 in de Baarnsche Courant  in de rubriek

 ’Vandaag is morgen alweer gisteren (bruggetjes naar vroeger)’

Deze rubriek is een samenwerking tussen de Historische Kring Baerne en Groenegraf.nl    


Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

Bent u geïnspireerd geraakt door dit oud-Baarn verhaal en wilt u zelf eens wat 
schrijven voor onze website? Stuur uw verhaal dan
 per email aan groenegraf.baarn@gmail.com

7.4.18

Brandpunt-vlammetje dreigt te doven

door Johan Hut


Het Brandpunt was aanvankelijk vooral bedoeld voor jeugdactiviteiten.
De kunstwerken op de gevel zijn van kunstsmid B. Ebell.
De middelste is treffend, de schaakclub was ongeveer veertig jaar
 lang een goede huurder.
De Paaskerk aan de Oude Utrechtseweg wil gebouw Het Brandpunt verkopen. De kans bestaat dat het dan (deels) gesloopt wordt. Het gebouw is nog niet heel oud, namelijk 57 jaar, en functioneert prima. De kerk wil alleen zekerheid dat ze nog lange tijd de dominees kan blijven betalen en wil daarom enkele gebouwen te gelde maken. De Gereformeerde Kerk, zoals de Paaskerk oorspronkelijk heette, heeft een rijke geschiedenis aan gebouwen. Aan economisch gebruik daarvan werd vroeger, toen er nog ruimte in overvloed was, niet altijd aandacht besteed.




Gemiste kans
In 1879 bouwde de kerk, die toen nog in een gebouwtje aan de Leestraat huisde, voor de dominee een grote villa aan de Oude Utrechtseweg. De grond besloeg die van de huidige nummers 2 en 4 en liep naar achteren door tot aan de huizen van de De Wetstraat. Een jaar later werd op het aangrenzende perceel (nummer 6) begonnen met de kerkbouw. Dat perceel was even diep. Tussen de kerk en pastorie en de De Wetstraat was nog een flinke bostuin, de dominee woonde eigenlijk op een klein landgoed. Ook het perceel van het kerkgebouw was veel te groot voor het kerkje, dat veel kleiner was dan nu. Er was uiteraard geen parkeerterrein nodig en er was geen bijgebouw. De Oude Utrechtseweg lag aan het begin van de net ontgonnen villawijk en daar smeet men met ruimte.
De kerk had diverse jongelingsverenigingen, waarvan eentje de intrigerende naam ‘Spreuken 9:10a’ droeg. Deze had in 1898 een eigen verenigingsgebouw laten bouwen aan de De Wetstraat, later bekend van het Leger des Heils. Dit gebouw grensde aan het terrein van de kerk! Er rustte een hypotheek op van 2300 gulden, niet bij een bank maar bij een rijke Baarnaar. De jongemannen konden de rente betalen doordat ze het gebouw ook verhuurden. Toen de hypotheekverstrekker in 1907 overleed, eiste zijn weduwe het geld op. In die tijd konden de jongens zo’n bedrag natuurlijk onmogelijk bij elkaar krijgen en ze deden de kerkenraad twee suggesties. Ofwel de kerk betaalde de 2300 gulden aan de weduwe en nam de hypotheek over, ofwel de kerk kocht het gebouw van de jongelingsvereniging. Als je dan een deel van de bostuin zou kappen, zou de kerk opeens aan de achterkant een eigen zalencentrum hebben.
De kerkenraad voelde er niets voor en de jongens moesten hun eigendom verkopen. Een aannemer deed een bod van 3000 gulden, dat de jongens accepteerden onder het voorbehoud dat ze binnen twee etmalen nog op een hoger bod mochten ingaan. Dat bod kwam er, het Leger des Heils bood 3500 gulden. Het verhaal gaat dat de aannemer van de belangstelling van het Leger op de hoogte was en zelf in een paar dagen 500 gulden wilde verdienen. Omdat dat verhaal niet helemaal waar hoeft te zijn, en omdat de aannemer een van mijn voorouders was, zal ik zijn naam niet noemen.

Gebouw Irene werd in 1960 gesloopt om plaats te maken voor
 Het Brandpunt, dat meer naar achteren staat.

Veel duurder
Waarom dit uitgebreide verhaal? Omdat het een bizar vervolg kreeg. De jongelingsvereniging en diverse andere verenigingen hielden vanaf dat moment hun bijeenkomsten in de consistorie (achterzaaltje) van de kerk. Die ruimte was veel te klein, waarop de kerkenraad in 1912 besloot… om een zalencentrum naast de kerk te bouwen! Architect was een zoon van meester Onvlee en de aannemer een zekere P. van Ommen van de Tromplaan. De bouw kostte 11.000 gulden en het gebouw, dat de naam Irene kreeg, was beslist niet groter dan dat van het Leger des Heils dat de kerk vijf jaar eerder voor 3500 gulden had kunnen kopen. De kerkenraad had dus een enorme blunder gemaakt. De verenigingen moesten veelvuldig uitwijken en deden dat meestal naar het gebouw voor Christelijke Belangen, dat in de Leestraat tegen de Astroschool was aangebouwd.
(Voorbehoud: het bedrag van 11.000 gulden komt van mondelinge overlevering. Het verhaal kan iets overdreven zijn.)

De aankoop van de School met den Bijbel in de Laanstraat (1937) gebeurde ook omdat aan de
Oude Utrechtseweg het zalencentrum te klein was.

Het kerkgebouw was zelf ook te klein voor de zondagse diensten, zelfs na een grote uitbreiding in 1904, en in 1937 kocht de kerk de voormalige School met den Bijbel in de Laanstraat, op de plek waar nu apotheek Julius is gevestigd. Drie schoollokalen werden samengevoegd tot één kerkzaal. De kerkenraad was er niet eens direct van overtuigd dat het gebouw geschikt was voor kerkdiensten, maar wilde het sowieso kopen als zalencentrum, vanwege het te kleine Irene. De bovenzalen werden ook als zodanig gebruikt. Die verdieping kreeg de naam Elim, een oase waar in een Bijbelverhaal Mozes en zijn volgelingen verbleven na hun uittocht uit Egypte.

Enorme groei
De kerkelijke gemeente bleef groeien, het verenigingsleven ook en in de jaren vijftig ontstond een groots plan. De kerk in de Laanstraat verkopen, een grote nieuwe kerk bouwen aan de Eemweg, waar in 1953 een stuk grond was aangekocht, Irene slopen en een groter zalencentrum bouwen in de achtertuin. Men vond de zaaltjes van Irene en Elim uit de tijd en aan de Eemweg zou te weinig ruimte voor bijzalen zijn. Renovatie aan de Laanstraat schatte men op 80.000 gulden. De burgerlijke gemeente bood 95.000 gulden voor het gebouw en dat vond de kerkenraad een beter idee. In mei 1960 werd de laatste kerkdienst in de Laanstraat gehouden, in 1964/65 werd de Opstandingskerk aan de Eemweg gebouwd, in de jaren ertussen werden er aan de Oude Utrechtseweg twee diensten achter elkaar gehouden als oplossing van het ruimteprobleem.

Vanwege de plattegrond van het perceel kon Het Brandpunt niet anders dan een langwerpig gebouw worden.
Het werd ook sober en de kerkenraad vond dat prima.


In augustus 1960 werd Irene gesloopt en kort daarna werd het ontwerp van Het Brandpunt gepresenteerd. Het ontwerp van architectenbureau gebroeders Beekman oogde sober, wat de kerkenraad prima vond. Irene stond naast de kerk, voor Het Brandpunt werd de bostuin grotendeels gekapt. Zo werd eindelijk optimaal gebruikgemaakt van het grote perceel, het parkeerterrein werd hierdoor ook groter. De centrale hal was vanaf de weg te zien, links daarvan werden drie kleine zalen gebouwd, rechts een grote zaal met dezelfde grootte als de drie kleintjes samen. Boven op de hal werd ook nog een zaal gebouwd. Niet op de tekening te zien is dat onder de grote zaal een fietsenstalling werd gegraven, die later werd omgevormd tot een jeugdruimte. De ruimte voor de grote zaal werd afgepikt van de tuin van de domineeswoning. Die kon dat deel van de tuin best missen. De bouw werd uitgevoerd door aanneembedrijf Bos & Zonen.

Op een vergadering van kerkleden dit jaar sprak een onbekende
bezoeker uit Overijssel, die die zondag toevallig bij zijn
moeder in Baarn op bezoek was. Het bleek Jeroen Vermaas te zijn,
 die in 1960 op driejarige leeftijd de eerste steen
van Het Brandpunt had gelegd. Die gedenksteen is er overigens
niet meer en het is niet bekend waar die zich bevond.
Naamgeving
Op 29 oktober 1960 werd de eerste steen gelegd door Jeroen Vermaas, drie jaar oud, samen met dominee Zeyl. Het gebouw had toen nog geen naam, wat vreemd was. De Opstandingskerk, waarvoor in 1964 de eerste steen werd gelegd, had in 1960 al haar naam. Deze was gekozen uit een prijsvraag waarvoor 147 inzendingen waren binnengekomen met 95 verschillende namen. Bij de fondsenwerving is het natuurlijk prettiger om ‘Opstandingskerk’ te zeggen dan ‘ons eventuele toekomstige kerkgebouw aan de Eemweg’. Ook voor het nieuwe zalencentrum werd een prijsvraag uitgeschreven en gek genoeg kwam daar geen enkele inzending voor. Bij de opening van het gebouw mopperde een redacteur van het kerkblad dat die naam er heel snel moest komen, want nu al circuleerden er omschrijvingen als ‘jeugdcentrum’, ‘het nieuwe gebouw’, ‘het gebouw achter de kerk’ enzovoort. Voor je het weet gaat zo’n naam een eigen leven leiden, schreef hij boos. Op een kerkenraadsvergadering kwam ouderling Reindert Jansen met de naam Het Brandpunt. Opmerkelijk, omdat hij tijdens een gemeentevergadering diverse bezwaren tegen de bouw had ingediend. Maar toen het gebouw er toch stond, was hij niet te beroerd om een mooie suggestie te doen. De naam verwees onder andere naar de ‘brandende braamstuik’ (ook uit een Bijbelverhaal) die in de zegel van de kerk stond.
Over namen gesproken. Toen de Opstandingskerk in gebruik was genomen, werd de andere kerk nog gewoon ‘kerk aan de Oude Utrechtseweg’ genoemd. Er werd geen prijsvraag uitgeschreven, de kerkenraad besloot gewoon op advies van een van de dominees om het gebouw de naam Kruiskerk te geven. De opstanding volgt immers na het kruis. In 1995, toen de Opstandingskerk werd afgestoten, zeiden de dominees: nu hebben we alleen nog de Kruiskerk en die naam verwijst naar een dode Christus. Dat is niet de bedoeling. Om de opstanding toch te blijven gedenken, veranderde de naam in Paaskerk. Pasen is de combinatie van kruis en opstanding.

In 1996 werd het kerkgebouw door een tussenzaal verbonden met Het Brandpunt.

Verkoop
Tot in de jaren zestig groeide de kerkelijke gemeente, daarna liep die terug. In 1995 werd de Opstandingskerk afgestoten omdat de kerkgangers wel weer in één gebouw pasten. In 1996 werd de Kruiskerk gerenoveerd. Bij die gelegenheid werd het kerkgebouw verbonden met Het Brandpunt. De verbindingsruimte, die de naam ontmoetingsruimte draagt, kan ook als zaal verhuurd worden en wordt na kerkdiensten gebruikt voor koffiedrinken.
Die renovatie is 22 jaar geleden en nu wordt Het Brandpunt in de verkoop gezet. Het ledental loopt terug, mede door overlijdens, en de salarissen van de dominees moeten betaald blijven worden. Het Brandpunt levert inkomsten op, maar niet genoeg om een eventuele nieuwe renovatie te bekostigen. Het exploiteren van een zalencentrum wordt niet gezien als kerntaak van een kerk. Het is technisch gezien een ingewikkeld verhaal, omdat het kerkgebouw wel in eigendom blijft, maar ook bijzaaltjes moet hebben. Het zijn sinds 1996 geen twee losse gebouwen meer. Op de plaats van de oude pastorie (domineeswoning) staat een dubbele villa, waarvan de linkerhelft eigendom is van de kerk en ook te koop wordt gezet. Er woont geen dominee meer. Links van de kerk staat, wat naar achteren, de kosterswoning, waar inmiddels geen koster meer woont. Ook dat huis komt te koop.
De kerkenraad van de Paaskerk zal hier nog een hele kluif aan hebben, maar daar wordt met deskundigen aan gewerkt. Op deze site gaat het over de geschiedenis.






Johan Hut



Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

Bent u geïnspireerd geraakt door dit oud-Baarn verhaal en wilt u zelf eens wat 
schrijven voor onze website? Stuur uw verhaal dan
 per email aan groenegraf.baarn@gmail.com

5.4.18

3. Verhalen over Oud Baarn “De Klaphekjes deel 2”

In ons vorige verhaal over de klaphekjes plaatsten wij een oude foto van de “klaphekjes" welke de overgang van de spoorlijn in het ravijn moesten beveiligen. Op genoemde foto zag men deze hekjes van dichtbij, zonder een overzicht van de situatie te verkrijgen. Verschillende lezers, vooral degenen die zich later In Baarn vestigden, vroegen ons om er ook niet een overzichtsfoto uit die tijd bestond. En jawel zie de onderstaande fraaie foto's van het spoorwegravijn met het station op de achtergrond vonden wij in ons archief.




En waar het hier voornamelijk om gaat; u ziet hier dan duidelijk één der overgangen, links is de overgang bij de Wittelaan en rechts thans de Prinses Marielaan. Tussen twee haakjes: de Wittelaan liep vroeger vanaf de Nassaulaan naar de SpoorwegIaan (thans Gerrit van der Veenlaan), over de spoorlijn verder (thans Prinses Irenelaan), passeerde de Gen. van Heutszlaan en liep dwars door het Baarnse bos tot aan de Kroningslaan.

Dat de overgangen overbodig werden toen in het jaar 1911 de voetbrug over het ravijn werd geopend is wel duidelijk. Er is op bovenstaande foto nog wel een en ander te zien. Allereerst valt het op hoeveel fraaier een blik in het ravijn was, toen de lelijke palen van de elektrische bovenleiding er nog niet stonden. Ook voor de jeugd was de voormalige stoomlocomotief veel leuker om deze onder de voetbrug te zien doorgaan. Of de machinist het erom deed weet ik niet, maar als hij de brug passeerde en daar jongens op zag staan, liet hij meestal een grote wolk stoom los.

Op ons plaatje ziet het station staan. Het stationsgebouw is nog niet veel veranderd, alleen 't perron is langer geworden en het tweede perron heeft een moderner overkapping gekregen. Ook de telefoonpalen langs de spoorlijn behoren tot het verleden. Maar nog steeds is het spoor ravijn een der aantrekkelijke attracties voor jong en oud in Baarn.