zaterdag 2 mei 2020

Paleis Soestdijk en een bijzonder defilé

Herinneringen aan voorbije tijden en gebeurtenissen uit mijn jeugd die een onuitwisbare indruk achterlieten waren voor mij de twee belangrijkste redenen om in juli 2016 het verhaal  ‘65 jaar Molukkers in Nederland en een bijzonder defilé’ te schrijven en te plaatsen. Nu 4 jaar later is de inhoud van het verhaal nog steeds of moet ik zeggen opnieuw actueel: de uiteindelijke bestemming van Paleis Soestdijk, maar zeker ook de Molukse zaak staan immers volop in het brandpunt van onze belangstelling. Op 25 april 2020 was het precies 70 jaar geleden dat de onafhankelijke Republiek der Zuid Molukken (RMS) werd uitgeroepen. Een Republiek met een regering in ballingschap. U zult ongetwijfeld de berichtgeving hierover niet gemist hebben. Een goed moment om het originele verhaal nogmaals met u te delen.   


65 Jaar Molukkers in Nederland en een bijzonder defilé

door Ed Vermeulen


65 jaar Molukkers in Nederland
Op woensdagavond 21 maart 1951, nu iets meer dan vijfenzestig jaar geleden, meerde ruim vier weken na vertrek vanuit de op Oost Java gelegen havenstad Soerabaja het s.s. Kota Inten van de Rotterdamse Lloyd af in haar thuishaven Rotterdam.



s.s. Kota Inten

Aan boord naast een grote groep van ongeveer negenhonderd Molukse militairen van het voormalige Koninklijk Nederlands Indische Leger* (KNIL) met hun gezinnen ook een wat kleinere groep Moluks marinepersoneel. Onder hen korporaal-bottelier L. ’Bertus’ Latuheru (stamboeknummer 46659), zijn echtgenote Son Latuheru-Juliaansche en hun vier kinderen Hendrika, Johannes, Moses en Wijnand. Dat de in 1941 in Soerabaja geboren Moses (Mooz) later een goede collega bij Polygram en vriend zou worden lag nog in de toekomst
verborgen.
KNIL'ers a/b s.s Kota Inten, i.h.m sergeant -majoor Smit,
rechts van hem de twee vriendjes Johnny Pattiasina en Mooz Latuheru. 

Aankomst Rotterdam

 Bijzonder om te vermelden is dat onder de legaal aan boord zijnde Molukkers zich een groep van zevenenzestig, eveneens Molukse, verstekelingen bevond. De meesten van hen leden van de zogenoemde Polisi Negara, de staatspolitie van de inmiddels opgeheven deelstaat Indonesia Timur, door een Nederlandse legerofficier aan boord gesmokkeld. Door zich onder het motto: ’eens agent, altijd agent!’ als scheepspolitie te profileren bereikten ook zij het voor hen veilige Nederland. In totaal werden in een tijdsbestek van een kleine vier maanden ongeveer 12.500 Molukkers met twaalf grote scheepstransporten, ingeleid door het m.s Kota Inten en vervolgens de schepen Atlantis, Roma, Castel Bianco, New Australia, Groote Beer, Skaubryn, Somersetshire, Asturias, Fairsea, Goya en nogmaals de Kota Inten naar Nederland overgebracht. Het m.s. Asturias op 24 april vertrokken uit Djakarta, meerde op 16 mei af in de haven van Amsterdam, met aan boord ongeveer 1700 Molukse passagiers.

s.s Asturias (Coll. J.G.Nierop Maritiem Trefpunt, Almere) 

Nona Salakory's dierbare familie,
staand links Paul Salakory
en echtgenote Etji Ririhena,
paar rechts n.n.
(Coll. Nona Salakory)
Hierbij het uit vijf personen bestaande gezin van KNIL militair Stefanus ‘Noes’ Ririhena, zijn echtgenote Liesbeth Noya, vierjarige zoon Bob en hun zes maanden oude tweeling (meisjes), waarvan één luisterde naar de naam Nona. Dat deze Nona jaren later de kleurrijke Baarnse persoonlijkheid Nona Salakory zou worden stond mogelijk al in de sterren beschreven maar was nog geen tastbare realiteit.                    




De schepen hadden romantisch klinkende namen, dat wel, maar daarmee hield iedere vergelijking met de cruisevaart van nu op. Over de achtergronden van deze opmerkelijke volksverhuizing leest u in het vervolg van dit verhaal. Terwijl deze enorme logistieke operatie plaatsvond, zat ik in de derde klas van de Hervormde Lagere School in de Spoorstraat in de klas bij meester Hulst en droomde over later: zeeman worden en naar Indië varen.

Oranjegevoel.
In het jaar 2006 werd het de inwoners van Baarn, Baarnaars en Barinezen om het even, en Soestdijk vergund met een soort voorrangsgevoel (eigen inwoners eerst), een kijkje te nemen in het door de Koninklijke familie inmiddels verlaten en bijna lege paleis Soestdijk.

Paleis Soestdijk  (Uitgave Roukes, Baarn)
Een bijzonder moment waar door velen met spanning naar uitgekeken werd. Ook door mij. Het was inmiddels al tientallen jaren geleden dat ik voor het laatst een ’legaal’ bezoek aan de Paleistuin had gebracht. Zoals bijna alle Baarnse schoolkinderen in de eindjaren veertig, begin vijftig ging ik ieder jaar, meestal samen met mijn moeder, kijken naar en later ook meedoen aan het bloemendefilé bij Paleis Soestdijk ter gelegenheid van de verjaardag van Koningin Juliana op 30 april. Een jaarlijkse traditie begonnen op 30 april 1949 die ongeveer dertig jaar zou standhouden. Het laatste defilé vond plaats op 31 mei (!) 1980. Een in verband met de troonswisseling aangepaste datum. Dat jaar werd Prinses Beatrix onze nieuwe Koningin. Het defilé: een bijzonder gebeurtenis op een bijzondere dag. Je mocht met de duizenden andere deelnemers door de paleistuin lopen. Prachtig! Uiteraard speelde ook het feit mee dat je een unieke gelegenheid had om de Koninklijke familie van dichtbij te kunnen zien. In dit opzicht had ik als Baarnse schooljongen toch al geen klagen, want Koningin Juliana ging, meestal vergezeld door één van haar hofdames, met een zekere regelmaat winkelen in de Laanstraat. Hier woonden mijn moeder en ik sinds februari 1950 op no. 66A, boven de groenten- en fruitwinkel van Robberse (nu herenmodezaak Principe). Een grote kans dat je onze vorstin tegenkwam, bijvoorbeeld in de handwerkwinkel van Rie de Lange, een vriendin van mijn moeder, op de hoek van de Spoorstraat (nu Boekhandel den Boer), of bij Banketbakkerij Wijers, onze buren van no. 68 (nu nog Bart Smit). En altijd weer kwam bij mij de vraag naar boven of onze vorstin ook een portemonnee met geld bij zich had en of ze net als mijn moeder ook een boodschappenlijstje in haar mantelzak had gestopt.

De kans dat je Prins Bernhard in het dorp tegenkwam was beduidend minder groot. Ik herinner mij een zomerse dag in de jaren vijftig: ik was op de fiets onderweg van Soest naar Baarn. Mogelijk had ik gezwommen in het Soester natuurbad (het Baarnse Bosbad moest nog aangelegd worden). Het kan natuurlijk ook zijn dat ik zo maar een rondje gefietst had langs de Naald, het intrigerende herinneringsmonument aan de slag bij Quatre Bras, toen nog voorzien van twee echte oude kanonnen. Evenals het beeld van Christoffel Pullman, nog op de oorspronkelijke locatie op de hoek van de Praamgracht, een van dé plekken om te dromen over de grote heldendaden uit onze vaderlandse geschiedenis.

                De Naald en monument Christoffel Pullman (beide foto's uitgave Van de Ven, Baarn)

Ter hoogte van het rechterhek van de Paleistuin gebeurde er iets. Terwijl de paleiswacht strak salueerde stak een sportief geklede man op een soort racefiets de weg over naar het terrein van de Koninklijke Stallen. We passeerden elkaar en keken elkaar aan: mijn ontmoeting met Prins Bernhard! Voor altijd in mijn geheugen vastgelegd.

Winter 1951-1952, 5e klas Lagere School, veel Baarnse bekenden
(Coll. Ed Vermeulen)
Het speelplein nu, nagenoeg onveranderd.

                                 
Voor verdere informatie waren we aangewezen op de verhalen van onze klasgenoot Hans Hoogeveen wiens vader, Barend, chauffeur was van onze Koningin. In het voorjaar van 1952, we zaten in de vijfde klas bij meester Bierling, brachten Koningin en Prins een bezoek aan de Verenigde Staten. Het was het jaar van de nog steeds spraakmakende toespraak op 3 april door onze Koningin gericht tot het Amerikaanse Congres. In een nieuw uitgereikt schrift schreven we: ’vandaag heeft de vader van onze klasgenoot Hans Hoogeveen de Koningin en Prins met de auto naar Schiphol gebracht’. Het zal duidelijk zijn: we hielden alles bij, waren goed geïnformeerd en mijn oranjegevoel was groot en ruimschoots aanwezig. Aan mijn moeders deelname aan het defilé kwam abrupt een einde toen het ons in één van de volgende jaren, we moeten wat aan de late kant geweest zijn, overkwam dat het grote hek, door een vriendelijke maar wel onverbiddelijke marechaussee voor onze ogen werd gesloten en ons de toegang tot de paleistuin werd ontzegd.

Aflossing Paleiswacht, Koninginnedag 1961 (Coll. Dijkstra)

Met de woorden: ’Dit is dan mooi de laatste keer geweest’ besloot zij ter plekke haar actieve deelname aan het defilé te beëindigen. Vanaf dit moment ging ik samen met mijn klasgenoot en vriend  Bob Steenstra, uit de Brinkstraat, wat natuurlijk veel spannender was en meer mogelijkheden tot verrassende avonturen bood. We probeerden altijd achter één of ander muziekcorps aan te gaan en zo langs het bordes te paraderen. De uitdrukking ’Ze zijn achter de muziek aan’  stamt ongetwijfeld uit deze periode.


Achter de muziek aan

Er was in de paleistuin veel te zien: groepen in klederdracht, volksdansers, vendelzwaaiers, allerlei ambachtslieden, een bonte verzameling historische verenigingen uit alle delen van ons land met of zonder muziek die naast bloemen allerlei geschenken waaronder gigantische krentenmikken met zich meesjouwden. We vermaakten ons prima en genoten met volle teugen. Weer een aantal jaren later, ik was welp bij de zeeverkenners groep Mango Kwane, Swahili voor ’Lachende krijger’, viel mij en mijn medewelpen de eer te beurt om onder leiding van onze Akela, mevrouw van Amerongen, de bloemen aan te nemen van de voorbijgaande deelnemers en deze een mooi plaatsje op de treden van het bordes te geven.

Uw auteur als welp bij de Mango Kwane 
in functie als ''Opperhofbloemenschikker"  
(Coll. Ed Vermeulen)

Dit alles onder het wakend oog van de dames Dissel en van Garderen, bekend als de strenge maar rechtvaardige leidsters van de Amalia-kleuterschool in de Schoolstraat, maar nu in hun functie bij het immer ijverige Baarnse Oranjecomité.

Dames Dissel & van Garderen, rechts Juf 1e klas
Atie van Harn, opname uit 1964 (Coll. Ed Vermeulen)

De Amaliaschool: de school waar mijzelf en volgens mij half jeugdig Baarn de eerste beginselen van verantwoord kleuterschap werden bijgebracht. De defilés werden op film vastgelegd voor vertoning in de bioscopen in het Polygoon journaal. In Baarn was dat natuurlijk de Florabioscoop. Soms, heel soms, meenden we onszelf in deze opnamen te herkennen. We hoorden er op onze manier helemaal bij!

Koninklijk Nederlands Indisch Leger*
Tijdens het defilé op 30 april 1951 gebeurde er iets bijzonders.
Terwijl wij in een lange rij over het pad langs de paleishekken liepen, hoorden wij achter ons in de verte, vanuit de richting van het kruispunt Oranjeboom het doffe monotone geluid van vele gelijkopgaande voetstappen aankomen. Eenmaal dichterbij gekomen, zagen wij dat het geluid werd voortgebracht door een groot aantal donkergetinte, met baretten en legerlaarzen met ijzerbeslag uitgeruste, in militair uniform geklede militairen. In dicht aaneengesloten rijen marcheerden zij voorbij en sloegen rechtsaf de Paleistuin in, waar zij voor het bordes aangekomen een eerbetoon aan vorstin en vaderland  brachten.

Eerbetoon aan jarige vorstin 

Molukse vrouwen in het defilé

Wie het waren en waar ze vandaan kwamen? Pas vele jaren later begreep ik dat het ging om een grote groep Ambonese (inmiddels ex -KNIL) militairen behorende tot het eerste contingent Zuid Molukkers, dat in 1951 met o.a. het m.s. Kota Inten naar Nederland was gekomen. Mijn eerste kennismaking met het KNIL was een feit, maakte een  diepe en onuitwisbare indruk om vervolgens nooit meer uit mijn herinnering te verdwijnen.

Hoe en waarom
Dit alles had te maken met het feit dat bijna een jaar eerder, op 20 juli van het jaar 1950, Koningin Juliana op hetzelfde Paleis Soestdijk het Koninklijk Besluit 309, in ambtelijk taalgebruik omschreven als ’houdende kennisgeving van de opheffing van het Koninklijk  Nederlands Indonesisch Leger*’ had ondertekend, in het document als volgt verwoord:

’Hebben goedgevonden en verstaan:
I. Te bepalen dat het Koninklijk Nederlands Indonesisch 
Leger op 26 juli 1950 te 0.00 uur zal hebben opgehouden te bestaan.’

Opmerkelijk tijdstip 0.00 uur: toegedekt door de nachtelijke duisternis, in het holst van de nacht. Alsof alleen de soldaat van de nachtwacht er kennis van mocht en kon nemen. Bij het krieken van de dag zou immers alles anders zijn. Het is ook deze zin die de levens van ontelbare, inmiddels ex-KNIL’ers, drastisch zou veranderen. Een groep van ongeveer 8.000 KNIL militairen maakte de overstap naar de Koninklijke land- (KL) en luchtmacht (KLu) en weer anderen gingen in dienst van het TNI, het reguliere Indonesische leger. Dat deze overstapmogelijkheid niet voor de Molukse KNIL militairen, die in het perspectief van de Nederlandse overheid de Indonesische nationaliteit hadden, zou gelden was toen nog niet algemeen bekend, maar werd op uiterst pijnlijke wijze duidelijk toen zij, eenmaal in Nederland aangekomen, werden gedemobiliseerd, hetgeen volgens het woordenboek ‘opheffing van de mobilisatie’ betekent, maar in de praktijk van alledag neerkwam op (ordinair) ontslag uit militaire dienst. Dat de Molukse militairen daarbij tegelijkertijd ook tot statenloos burger (lees : geen nationaliteit) werden verklaard maakte het geheel nog schrijnender. Dit alles gebeurde uit naam van ’Het ’dankbare vaderland’.
Pieter Sjoerds Gerbrandy (Foto: Internet)
Nu is het niet zo dat er in ons land in het geheel geen betrokkenheid met de Molukse zaak werd gevoeld. Verre van dat: in veel persberichten werd onder ’Ambon moet vrij’ aandacht gevraagd en ook woorden als ’Mena Moeria’ (één voor allen,  allen voor één),  het devies van de op 25 april 1950 uitgeroepen Republik Maluku Selatan (RMS) doken met een zekere regelmaat in de pers op. In 1950 werd door een aantal Nederlanders met een veelal gereformeerde achtergrond de organisatie ’Door de eeuwen trouw’ opgericht. In Pieter Sjoerds Gerbrandy (1885-1961), Nederlands minister-president gedurende de oorlogsjaren, vond de organisatie een groot sympathisant.
de kop


Manifest: Door de eeuwen trouw

Vlag Republik Maluku Selatan (Foto: Internet)
Doel was het streven naar autonomie voor Molukken en West Papoea (Ned. Nieuw Guinea) te ondersteunen. Ook in Baarn was deze organisatie actief: in het bestuur zaten naast de voorzitter de heer Jac. Lowie, Eemnesserweg 88, ondermeer de heren Wijbrands, Laanstraat 87 en Spakman, Vondellaan 11. Deze  waren zwagers. Uit mijn jeugd in de Laanstraat herinner ik mij dat sinds het uitroepen van de RMS, in daaropvolgende jaren op deze dag bij de familie Wijbrands, die woonde op de plek waar nu de ingang van supermarkt Jumbo is, de vlag van de RMS werd uitgestoken.

Sergeant-majoor Aponno (midden boven) en Molukse delegatie
De eerlijkheid gebiedt wel te stellen dat de diepere betekenis van dit alles toen aan mij voorbijging. Een beetje dieper inzicht kwam eerst met het verstrijken van de jaren. Op vrijdag 13 april 1951, de eerste Molukkers waren reeds in Nederland, werd in Baarn door voornoemde organisatie ‘Door de eeuwen trouw’ in het gebouw voor Christelijke Belangen aan de Leestraat een voorlichtingsavond over de Molukse zaak georganiseerd, waarbij door de bekende Molukse ex KNIL sergeant-majoor Frederik  Alexander Aponno, in augustus 1950 nog de leider van de delegatie Molukse ex-KNIL militairen tijdens onderhandelingen met de Nederlandse regering, een lezing over dit onderwerp werd gehouden.

Mena Moeria Minstrels, v.l.n.r Jack Salakory, Rudi Wairata, Joyce Aubrey,
Ming Luhulima, Joop Sahanaya  (Foto: Internet)

Dit opgevrolijkt door de romantische klanken van het bekende muziekensemble Mena Moeria Minstrels. Dat de avond ietsje anders verliep dan van te voren bedacht lezen we in de Baarnsche Courant van 17 april: onder de kop ’Ambon-avond-Pechavond’ schrijft de redacteur dat het muziekensemble een twintigtal minuten te laat kwam en daarbij moest mededelen dat de contrabas, bespeeld door Jack Salakory, bij de Nederlandse Spoorwegen was zoekgeraakt. Sergeant–majoor Aponno bleek echter een ’bekwaam’ spreker te zijn die zijn gehoor op een bijzondere wijze wist te boeien. Na zijn toespraak speelde de muziek alsnog (weliswaar zonder contrabas). De daarop volgende verloting verliep ook al niet geheel naar wens. Er werden te weinig loten verkocht. De hoofdprijs, ’een fruitschip’ werd toen op Amerikaanse wijze verkocht en bracht toch nog 90 (!) gulden op. Aansluitend zou een film over Ambon vertoond worden, maar ook hier pech, de beloofde geluidsfilm was niet aanwezig en men moest genoegen nemen met een stomme film welke door de heer Aponno van gesproken commentaar voorzien zou worden. Na vijf seconden reeds brak de film en ondanks pogingen tot reparatie kwam het niet meer goed. De redacteur eindigde zijn stuk met de verzuchting: ’De eerste door de stichting georganiseerde avond is wel een pechavond geworden. Maar ja , wat kan je anders van vrijdag de dertiende verwachten?’  Maar ondanks deze (plaatselijke en hopelijk eenmalige) pech had de Molukse zaak over belangstelling op landelijk niveau zeker niet te klagen.

KNIL: hernieuwde kennismaking
Een tiental jaren later kwam het KNIL opnieuw in mijn leven: in 1961 kreeg ik verkering met Martje Edith van der Wal, dochter van Douwe van der Wal, adjudant-onder-officier-instructeur (KNIL/KL 1935-1956) en de Indische Edith Soffner. Martje was in april 1947 als passagier 644 met de m.s Kota Baroe naar Nederland gekomen en had, tot zij in 1961 eerste kapster werd bij de Baarnse kapsalon Kwakernaat op de Sparrenlaan, bij haar Friese grootouders in Leeuwarden gewoond. In de jaren tussen haar geboorte in het militaire hospitaal in Magelang Midden Java in 1939 en het vertrek naar Nederland in 1947 had zij in wisselende gezinssamenstellingen op een groot aantal plaatsen op Bali, Java en Sumatra gewoond: Magelang, Gianyar, Denpasar, Malang, Lawang, Soerabaja, Singaradja, Palembang en Pladjoe. Een echte ’anak-KNIL’ (KNIL-kind).

Douwe van der Wal en zijn peloton, Palembang, Sumatra 1946 (Coll. Marty Vermeulen)
Douwe en Martje, Palembang, Sumatra 1946
 (Coll. Marty Vermeulen)

Zoals in 1950 het KNIL werd ontbonden, kwam jaren later in 1980, ook een eind aan het defilé. Paleis Soestdijk wordt, na het overlijden van de laatste bewoners, niet meer bewoond. Nog steeds wacht het op een nieuwe bestemming en betere tijden. Wat rest zijn de herinneringen aan de Koninginnedagen van toen.

Sprong in de tijd
Na 1951 werd Nederland redelijk vertrouwd met de aanwezigheid van een grote Molukse gemeenschap. Met name in de plaatsen waar de meer dan negentig Molukse woonoorden werden gevestigd zoals o.a. in Wierden, Tiel, Vught, Culemborg, Woerden, Huizen, Vaassen en Westerbork werden zij al snel een vertrouwd gezicht in het straatbeeld. Toch zorgde juist deze geïsoleerde opvang er ook voor dat zij in de eerste jaren na aankomst voor een groot deel van de Nederlandse bevolking nauwelijks zichtbaar waren. Door allerlei, soms dramatische, gebeurtenissen zou daar in later jaren een duidelijke verandering in komen. Aan de hand van mij bekende bronnen zou ik kunnen proberen een uiteenzetting te geven hoe het de Molukse gemeenschap na aankomst in Nederland is vergaan.

Opvang en wonen in Nederland

Nona Salakory (r) op missie!
(Coll. Nona Salakory)
Mijn gedachte volgend schreef ik verder tot ik het, toeval of niet, in de Baarnsche Courant van 8 januari 2016 gepubliceerde verhaal ’De ervaringen  van een vluchtelinge’ geschreven door onze kleurrijke en sociaal bewogen, van Ambon afkomstige, plaatsgenoot Nona Salakory las. Nona woont sinds 1974 in Baarn en is een alom gewaardeerd steunfractielid van GroenLinks.



Backpay, eindelijk gerechtigheid.
(Coll. Nona Salakory)
Het kan natuurlijk ook zijn dat u haar kent als leerkracht uit het basisonderwijs of van ’Nona Jazzballet’, de door haar opgerichte en geleide dansschool waaraan zij tussen 1974 en 1989 met veel plezier en enthousiasme haar beste krachten wijdde. Ook zet zij zich in om voor de oudste generatie Molukse ex KNIL soldaten de aanvragen voor de zogenoemde ’Backpay’, de niet uitbetaalde salarissen van militairen en ambtenaren in Nederlands Indië tijdens de Japanse bezetting, in orde te maken. In haar zeer betrokken en soms ontroerende verhaal beschrijft Nona op een heel persoonlijke manier, gebaseerd op herinneringen uit haar vroegste jeugd vermengd met later opgedane ervaringen, hoe het, het gezin Ririhena verging nadat zij op 16 mei 1951 met het m.s. Asturias vanuit Indonesië in Amsterdam aankwamen. Dit alles duidelijk beïnvloed door haar politieke en sociale betrokkenheid bij de huidige vluchtelingenproblematiek.

Nona Salakory punja cerita…Het verhaal van Nona Salakory:
1951, aankomst in Nederland
Ook in de jaren vijftig kwamen er vluchtelingen naar Nederland. Ikzelf was daar als lid van het gezin van mijn ouders Stefanus ’Noes’ Ririhena en Liesbeth Noya één van. Wij kwamen op 17 mei 1951 met m.s. Asturias in de haven van Amsterdam aan. Mijn tweelingzus en ik waren toen precies een half jaar oud. De huidige vluchtelingen problematiek doet mij sterk denken aan de situatie van toen. In mijn verhaal vertel ik over de ervaringen uit mijn jeugd: hoe het was om als vreemdeling aan te komen in een land dat totaal anders was dan dat waar we uit vertrokken waren en om op te groeien in een land waar de taal die ik om mij heen hoorde niet de mijne was. Maar ook hoe de gewoonten in ons nieuwe land niet de normen en waarden vertegenwoordigden zoals wij die van huis uit mee kregen. Hoe ik dubbel mijn best moest doen op de lagere school, waar de meester van mij verwachtte dat ik op de kaart van Indonesië  feilloos het eiland Ambon kon aanwijzen.

Hier kom ik vandaan (Coll. Nona Salakory)

Evenals de overige bijna 13.000 Molukkers kwamen wij naar Nederland met het idee dat we weer snel weer naar Ambon terug konden keren. Ook de opvang was daarop gericht. Helaas was dit door allerlei, meest politieke omstandigheden, niet mogelijk. Doordat de opvang, zeker in het begin, wel op terugkeer gericht was, is onze integratie in de Nederlandse samenleving extra moeilijk geweest. We voelden ons welkom, maar het viel niet echt mee. Ik hoop dat de vluchtelingen van nu, vergunninghouders genoemd, een mildere ervaring zullen hebben en dat zij zich eerder op hun gemak kunnen gaan voelen in Nederland, ons prachtige land waar zoveel lieve mensen samenwonen.

Soekarno
Net als 13.000 andere Ambonezen van het eilandenrijk der Molukken met de  hoofdstad Kota Ambon waren we in het Nederlands Indië van toen niet meer welkom vanwege het opkomend nationalisme aangevuurd door mensen als Soekarno, Hatta c.s. Men was er het kolonialisme onder het Nederlands bewind meer dan zat en eiste en kreeg uiteindelijk zelfstandigheid. Al op 17 augustus 1945 had Soekarno de Republik Indonesia Serikat uitgeroepen, de Verenigde Staten van de Republiek Indonesia, met hemzelf als eerste president. Nederland accepteerde deze daad niet en trachtte vervolgens met de inzet van meer dan 100.000 militairen de kolonie te redden. Twee zogenoemde politionele acties met als codenamen Operatie Product en Operatie Kraai waren het gevolg. Een uiterst gewelddadige tijd, waarin beide zijden elkaar zwaar bevochten. Het tij bleek echter niet te keren. Uiteindelijk werd op 27 december 1949 tijdens de Ronde Tafel Conferentie de soevereiniteitsoverdracht gelijktijdig getekend door Koningin Juliana op het Paleis op de Dam in Amsterdam in aanwezigheid van premier Willem Drees en door Sultan Hamenko Buwono IX van Djokjakarta in Batavia (Jakarta).

Soevereiniteitsoverdracht 27 december 1949

De Molukken en Nieuw Guinea bleven buiten het verdrag. De Verenigde Naties (VN) zou later beslissen of deze gebieden zouden worden opgenomen in de Verenigde Staten van de Republiek Indonesië, of dat ze bij Nederland zouden blijven. In afwachting daarvan werden alle KNIL militairen van Molukse afkomst naar Nederland verscheept omdat zij en hun gezinnen in Indonesië niet langer veilig waren. Mocht een soevereine Molukse staat (RMS) werkelijkheid worden, zouden ze kunnen terugkeren, was de verwachting. Die staat is er helaas nooit gekomen.

Barakken
Na onze aankomst in Amsterdam werden we met bussen naar Kamp Amersfoort, op de grens van Amersfoort en Leusden vervoerd.  Dit in 1939 als onderkomen voor Nederlandse militairen gebouwde kamp werd later door de Duitse bezetter als concentratiekamp gebruikt. Hier kregen we de eerste medische onderzoeken. Aansluitend werden we weer in bussen gezet die ons naar opvangplekken verspreid over geheel Nederland brachten. Wij gingen naar het voormalig concentratiekamp Vught.

Woonoord Lunetten, Vught
Capucijner Klooster, Eijsden (L.)
Dit is nu een rijksmonument met een museum waar de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog toen hier veel Joden en mensen uit het verzet gevangen zaten, in afwachting van deportatie naar Duitsland, levend wordt gehouden. Wij woonden in barak 33. Soms voelde de atmosfeer er heel verdrietig en beklemmend aan. Voor een kind zoals ik een moeilijk te plaatsen gevoel. Na twee jaar, het was inmiddels 1953, werden we overgeplaatst naar Eijsden, Zuid Limburg. Daar mochten we met een aantal gezinnen in een helft van een Capucijner klooster wonen. Dit klooster kon bogen op een bijzondere staat van dienst: in de oorlogsjaren was het in gebruik als NSB opleidingscentrum, na de bevrijding bood het onderdak aan Amerikaanse soldaten, vervolgens Poolse gastarbeiders en van 1951 tot 1961 Molukkers. Hier deden bizarre verhalen de ronde over Joodse mensen die in de kelder waren omgebracht of er zich hadden verhangen. Ook van deze plek kan ik mij de vreemde sfeer en het daardoor ontstane onbestendige gevoel herinneren. Weer na twee jaar, in 1955, werden we overgeplaatst naar kamp Rodanborgh in Aardenburg, een middeleeuws stadje in West Zeeuws-Vlaanderen. Dit was een werkkamp uit de Tweede Wereldoorlog. Nu een drukbezocht vakantiegebied. Hier woonden we met een betrekkelijk kleine groep mensen uit Ambon. In Aardenburg bezocht ik de kleuterschool bij juf Betsie. Haar vriend heette Rinus. Heel lieve mensen die ik jaren later, ik was rond de twintig, nog heb opgezocht. Ik herinner mij een Nederlands schoolvriendinnetje, Winnie van de Broek. Samen bezochten we haar oma, waar het altijd zo lekker naar kleine rood-oranje appeltjes rook. Oma zelf had ook zulke appelwangetjes.

Mensonwaardig
Mijn vader was bij aankomst in Amsterdam uit het KNIL ontslagen en vanwege zijn onzekere verblijfsstatus hier in Nederland zelfs tot statenloos burger verklaard, terwijl hij, op grond van de gezamenlijke Nederlands-Indische voorgeschiedenis, Nederlands staatsburger was! Zijn nieuwe status hield in dat hij niet mocht werken en afhankelijk was van een soort uitkering van 1 of 2 gulden per week. Een bijzonder mensonwaardige situatie voor ons allemaal en voor mijn vader in het bijzonder, hetgeen er toe leidde dat hij bij boeren betaald seizoenswerk probeerde te vinden. Ik was vijf jaar toen mijn broertje Jonnie werd geboren. Dolgelukkig was ik met hem. Twee jaar later kwam mijn vader ons ophalen voor een bruiloft van familie die in kamp Vossenbosch in Wierden, Twente, woonde.
               
Knil'ers uit Wierden (O)

Kamp Vossenbosch, Wierden (O)

Mijn vader heeft het toen voor elkaar gekregen dat we niet meer terug naar Aardenburg hoefden. Hierbij is het goed te bedenken dat mijn vader 27 jaar was toen hij naar Nederland kwam, nu is hij 93 . Zijn verblijf in Nederland duurt dus al 66 jaar, een stuk langer dan de zes maanden die hij aanvankelijk had verwacht. Door de onduidelijkheid over onze verblijfsduur in Nederland is een aantal zaken niet goed verlopen. We waren te geïsoleerd gehuisvest en kregen daardoor niet echt goede kansen contact te leggen met Nederlandse plaatsgenoten. De enige  die we zagen, waren de mensen die ons iets wilden verkopen, zoals de bakker, de slager en de visboer. Gelukkig is er nu een goed georganiseerd systeem van vrijwilligers die bijvoorbeeld taal -en fietslessen geven. Door dit isolement werden we wel jonger volwassen, maar het verschil tussen ons de Molukkers en zij de Nederlanders werd en bleef ook ongewenst groot. Het onderwijs voor vluchtelingenkinderen is nu - hoewel nog verre van ideaal- beter geregeld dan in ons geval. Het was jammer dat er te weinig gebruik werd gemaakt van de binnen de Molukse groep zelf aanwezige kennis en vaardigheden: we aten jarenlang uit gaarkeukens, terwijl onze moeders zelf veel smakelijker konden koken.

Tips
Tenslotte een aantal tips voor politici en beleidsmakers voor een betere opvang van de vluchtelingen van nu:
-Geef hen zo snel mogelijk een vaste plek.
-Zorg dat er voldoende mogelijkheden zijn om te integreren.
-Geef de mensen zoveel mogelijk eigen verantwoordelijkheid.
-Zorg vanaf het prille begin voor goed onderwijs.

Tot zover het verhaal over de komst van de Molukkers naar Nederland verhaald en in woord vastgelegd door de Baarnse Nona Salakory, vijfenzestig jaar na dato, door mij op sommige plaatsen van een tikje ’couleur locale’ voorzien.

Tenslotte
Nu vijfenzestig jaren later zijn de mensen van de eerste generatie Molukkers steeds meer in de minderheid. Slechts een enkele bejaarde deelnemer aan het defilé van toen is nog in leven. Een feit is dat de vader van mijn vriend en oud collega Mooz Latuheru, Bertus Latuheru, inmiddels overleden op de hoge leeftijd van 98 jaar en Noes Ririhena de vader van onze Baarnse Nona Salakory, nu 93,  uiteindelijk meer levensjaren in Nederland hebben doorgebracht dan op hun geliefde Ambon manisé.

Bertus Latuheru (2e v.l.) en familieleden, Kamp Vught, opname uit 1951 

Stefanus 'Noes 'Ririhena.
Dagblad Tubantia donderdag 15 oktober 2015
Kranslegging bij het KNIL monument, Bronbeek, Arnhem, 4 juli 2016 door Noes Ririhena (l), Abé Paliama, beiden uit Wierden (O) en nog twee Molukse veteranen, Nathan Tuhumury en (zittend) Utha Seipattiratu.
 (foto's verkregen via Nona Salakory)

Een tweede en zelfs een derde generatie houdt de vlag hoog en de herinnering in leven. De RMS bestaat nog steeds zij het nog altijd met een regering in ballingschap. Het devies ‘ Door de eeuwen trouw’ is nog immer een leidraad in het leven van velen. De kwestie ’Backpay’, het uitbetalen van achterstallige soldij vanuit de interneringsjaren, is nog steeds volop in de belangstelling en met de uitbetaling ervan is in het begin van 2016 inmiddels een begin gemaakt. Saillant detail is dat volgens de door het ’dankbare vaderland’ gehanteerde  spelregels de rechthebbende van deze uitkering nog in leven diende te zijn op 15 augustus 2015! Ook hebben inmiddels een aanzienlijk aantal veteranen  alsnog de hen toekomende maar nooit uitgereikte medaille Mobilisatie Oorlogs Kruis en het ereteken Orde en Vrede mogen ontvangen.

Mobilisatie Oorlogs Kruis en Ereteken Orde en Vrede

Eén ding staat echter buiten kijf: met het inschrijven van familienamen als Latuheru, Matulessy, Louhenapessy, Poeteray, Sahupala, Da Costa, Salakory, Tahamata, Latuperissa, Tuhuteru, Keppy, Lopulalan, Ririhena en ontelbare anderen hebben de naamregisters van de Nederlandse burgerlijke stand, het formele gezicht van Nederland, een duidelijke verrijking ondergaan.

Bunga Ros Amboina

 En dat ook in Baarn de ’Bunga ros Amboina’, de Ambonese roos, uitbundig bloeit is al jaren lang, ieder voorjaar weer, duidelijk zichtbaar.

Met dank aan:
Nona Salakory, Baarn
Mooz Latuheru, Amersfoort
Inspiratie:
Frans Lopulalan: Onder de sneeuw een Indisch graf (uitgave 1985)
Bronnen:
Baarnsche Courant o.a het verhaal van Nona Salakory (2016)
Griselda Molemans: Opgevangen in andijvielucht (uitgave 2014)
Herman Keppy: De laatste inlandse schepelingen (uitgave 1994)

Alle foto’s: Coll. Moluks Historisch Museum (MHM) tenzij anders vermeld

* KNIL. Reeds eerder, in 1948, werd de naam Indisch vervangen door Indonesisch.

Ed Vermeulen (1942)










Dit verhaal verscheen op maandag 18 juli 2016 in de Baarnsche Courant  in de rubriek

  ’Vandaag is morgen alweer gisteren (bruggetjes naar vroeger)’

Deze rubriek is een samenwerking tussen de Historische Kring Baerne en Groenegraf.nl    






Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter