vrijdag 3 april 2020

De beurtschipper en de tolgaarder





  • De beurtschipper en de tolgaarder
    Een conflict over tolgelden te Eembrugge dat in 1903 beslecht werd bij de Hoge Raad

    door E.G. van IJken

     

    De Eembrug omstreeks 1903
    afb.1: De Eembrug omstreeks 1850


    Inleiding
    Van mijn vader  Gijsbertus (Gijs) van IJken heb ik ooit in mijn jonge jaren gehoord dat zijn grootvader Gijsbartus van IJken, naar wie hij vernoemd was, omstreeks 1900 een proces bij de Hoge Raad in Den Haag had gewonnen over het betalen van bruggeld bij de Eembrug. In het kwartaalboekje van de Historische Kring Eemnes nr 2 van juni 1989 wordt dit feit ook genoemd bij het artikel over de familie Van IJken.
    Omdat het niet zo vaak voorkomt dat een eenvoudige beurtschipper een proces bij de Hoge Raad wint, was ik altijd al eens van plan om uit te zoeken, hoe dit nu precies was gegaan. Nu, ruim 100 jaar na dato, leverde een speurtocht langs diverse archieven het volgende verhaal op.

    De aanleiding
    afb. 2: Gijsbartus van IJken
    en Hendrina Pas 

    Gijsbartus van IJken was in 1900 beurtschipper op de Eem van Amersfoort naar Amsterdam. Hij had deze beurtdienst overgenomen van zijn in 1882 overleden oom Willem van IJken, bij wie hij als knecht in dienst was. Hij voer toen met het schip ‘De Jonge Gerrit’.  Gijsbartus was gehuwd met Hendrina Pas en woonde in het ‘Hoge Huis, aan de Kerkstraat in Eemnes.

    Op zijn vaart van Amersfoort naar Amsterdam vice-versa, moest hij bij de Eembrug tol betalen: 12 ½ cent heen, 12 ½ ct terug, dus een kwartje per reis. De tol bij de Eembrug was een land- en watertol. Zowel de voerlui die over de brug gingen als ook de schippers die er onderdoor voeren moesten tol betalen.
    Dit was al een heel oude tol. Bisschop Johan (Jan) van Arkel te Utrecht had de inwoners van Eembrugge het recht van tol verleend in 1360, op de jaarsdag van het kapittel van St. Jan, dus op 24 juni. Het tolrecht is beschreven in een zogenaamde ‘Giftbrief’ van de Bisschop. Het originele stuk uit 1360 met lakzegel is nog te vinden in Bisschoppelijk Archief, dat bewaard wordt in het Rijksarchief te Utrecht.

      
    afb.3: De originele giftbrief met zegel

    Afschriften van deze brief zijn te vinden in J. v.d. Water, Groot Placcaatboek Utrecht, (1729)

     
    afb.4: Het originele zegel uit 1360

    In die brief is het tolrecht uitgebreid beschreven, maar heeft alleen betrekking op het rijden en gaan over de brug. Ook is daar toen een vrijstelling in genoemd voor o.a. de inwoners van de beide Eemnessen, Baarn, Amersfoort en nog enkele gemeenten. Deze vrijstelling werd hun gegeven omdat de inwoners van die gemeenten moesten bijdragen in het onderhoud van die brug. In de giftbrief is een citaat hierover te vinden. Er staat::


    “Voert sullen die van Bunschoten, van der Eembrugge, van Baarn, ende Eemnesse tot alretyd ter Eem, en over die bruggen driven en vaaren, mit hoeren beesten, en mit hoeren wagenen, en mit hoeren goeden, sonder eenig geld daar of te geven, of te betalen, omdat zy die voorsz. bruggen maken ende houden sullen.”

     
    afb.5: Gedeelte van een duplicaat van de giftbrief waarin de vrijstelling wordt genoemd.

    In 1602 en 1692 is het tolrecht aangepast en vanaf die tijd moesten ook schepen die onder de brug doorvaren tol betalen.  Dit blijkt uit stukken die ook te vinden zijn in het Groot Placcaatboek van Utrecht.

    Op enig moment, vermoedelijk begin1900, komt Gijsbartus van IJken er achter dat hij vrijdom (vrijstelling) van bruggeld heeft en met ingang van 5 juni 1900 weigert hij bruggeld te betalen.
    Het beheer van de Eembrug is dan in handen van een Commissie voor de Eembrug. Hierin zitten vertegenwoordigers van de gemeenten Baarn en Eemnes en vertegenwoordigers van de waterschappen van Eemnes en de Bunschoter Veen en Veldendijken.
    De tol is dan verpacht aan Anthonij Dijkman die in het brugwachterhuis woont. Hij heeft de pacht in 1892 van zijn moeder overgenomen.
     
    afb.6: verpachting bruggeld in 1844


    De processen
    Dijkman vindt de weigering van Van IJken om verder bruggeld te betalen uiteraard niet goed, want hij derft hierdoor inkomsten. Hij stelt de Eembrugcommissie van het geschil op de hoogte.

    Gijsbartus van IJken moet samen met brugwachter Dijkman op 21 juli 1901 op het gemeentehuis te Baarn verschijnen voor de Eembrugcommissie. Een gezelschap van hoge en geleerde heren.
    De commissie bestaat dan uit: de heren F.F. Baron d`Aulnis de Bourrouil, (voorzitter), mr. F. Pen, Mr. C.J. W. Loten van Doelen Grothe en L.R Baron Taets van Amerongen, alsmede de heren A.v.d. Wardt en notaris mr. Joh. Knoppers.
    Jhr. Mr. de  Beaufort en dhr E. v.d. Kolk ontbraken. Waarlijk een zware commissie.

    Van IJken moet verantwoording afleggen en vertellen waarom hij niet meer wil betalen. Hij geeft aan dat hij volgens een oud privilege als inwoner van Eemnes vrijgesteld is van het betalen van bruggeld. Hoe hij dit te weten is gekomen, wil hij niet vertellen en is niet meer uit de stukken te achterhalen. Wel geeft hij aan de brug zelf te willen bedienen, maar de commissie gaat hiermee niet akkoord omdat er net een nieuwe brug is, en die is moeilijker te bedienen. Deze brug is op 1 juli 1900 in gebruik gesteld en is een dubbele ophaalbrug, in tegenstelling tot de oude , die een enkele klap had. De commissie is er beducht voor dat er schade aan die nieuwe brug zal ontstaan door ‘ondeskundig’ handelen van de schippers. Brugwachter Dijkman krijgt van de commissie opdracht registratie bij te houden van de  schippers die weigeren te betalen.

    Vervolgens laat Dijkman via een deurwaarder schipper Van IJken dagvaarden bij de kantonrechter in Amersfoort.
    Deze neemt de zaak in behandeling. Heel uitgebreid wordt er gesproken over het wel of niet van toepassing zijn van de oude vrijstelling van Jan van Arkel voor de inwoners van Eemnes.
    Op 1 april 1901 doet de kantonrechter uitspraak, stelt de brugwachter Dijkman in het gelijk en veroordeelt Van IJken tot het betalen van de verschuldigde bruggelden en de proceskosten, in totaal f 16,05.

    Gijsbartus van IJken is echter overtuigd van zijn gelijk en blijft weigeren het bruggeld te betalen. Dit resulteert vervolgens in het feit dat hij kort daarop opnieuw voor de kantonrechter wordt gedaagd. In het verweer van de advocaat van Van IJken komen uitgebreidere argumenten aan de orde met betrekking tot de vrijstelling, die niet eerder genoemd zijn. In de tweede kantongerechtzaak is er verschil van inzicht of er in 1602 wel of geen beweegbare brug is gemaakt en ten tweede of het begrip ‘volgende’ hetzelfde zou zijn, als ‘volgens. Het begrip’ ‘volgende’ betekent opvolgende of navolgende, analoog aan de oorspronkelijke bedoeling.  En ‘volgens’ wordt uitgelegd als ‘overeenkomstig’.
    Een treffend stukje juridisch gemillimeter.
    Op 22 juli 1901 doet de kantonrechter voor de tweede keer uitspraak en ook nu weer wordt Van IJken in het ongelijk gesteld en moet nu f 6,-- bruggeld en f 11,75 proceskosten betalen.

    Kennelijk heeft Gijsbartus van IJken een goede advocaat, want de volgende stap in deze zaak is dat hij in 1902 nu Dijkman dagvaardt voor de civiele kamer van de rechtbank in Utrecht. Hij doet dit op grond van onverschuldigde betaling en vordert van Dijkman ten onrechte geïnde tolgelden en de kosten van de eerdere processen terug. Nu echter vanaf 1886, kort nadat hij de beurtvaart heeft overgenomen, tot 1900. In totaal waren dit 811 vaarten  heen en terug. Hiervoor heeft hij f 202,75 bruggeld betaald.
    Ook hier wordt uitgebreid over de vrijstelling en regelgeving gesproken. Een aantal juridische elementen, o.a of de rechtbank wel bevoegd was en het tijdstip van waaraf de vordering zou gelden komen ter tafel. Ook komt nu uitgebreid aan de orde de wijzigingen van het reglement die in 1843 door Koning Willem  zijn vastgesteld. Dit betreffen wijzigingen met betrekking tot de tarieven. Er is dan een herziening van het muntstelsel aan de orde. Tevens komt dan weer de vrijstelling aan de orde, verwijzende naar de besluiten van 1602 en 1692.

    De rechtbank te Utrecht doet op 29 oktober 1902 uitspraak en wijst de vordering van Van IJken af en veroordeelt hem in de kosten van het geding.

    De aanhouder wint!
    Wij zijn nu weer een jaar verder. Op 26 juni 1903 dient in Den Haag  bij de burgerlijke kamer van de Hoge Raad der Nederlanden een geding tussen G. van Eijken, zich ook schrijvende Van IJken, beurtschipper te Eemnes en A. Dijkman, brugwachter en pachter of gaarder van de tolgelden van de Eembrug, onder Baarn, wonende te Baarn.
    Zeer uitgebreid gaat de advocaat-generaal in op de juridische argumenten, waarbij centraal staat of een door een niet wettig ingesteld bestuur wetgeving mag worden uitgevaardigd. Dit heeft betrekking op het in 1843  door het toenmalige bestuur afgeschafte privileges, zoals vrijdom van bruggeld. Dit bestuur, het ‘Intermediair Administratief bestuur van het Voormalig Gewest Utrecht’, was in 1798 ingesteld en had volgens de Hoge Raad geen bevoegdheid tot het uitvaardigen van wetgeving. Dit bestuur was in de Franse Tijd ingesteld en na de totstandkoming van de Bataafse Republiek geen bevoegdheid meer om wetten en regelingen af te schaffen of in te stellen. Dit heeft geleid tot jurisprudentie, geldend recht, m.b.t. het uitvaardigen van wetgeving. De Hoge Raad gaat hier zeer uitvoerig op in.
    Uiteindelijk beslist de Hoge Raad dat zowel de bewoordingen van de oude ordonnantie, als ook de bedoeling daarvan moeten worden uitgelegd dat de vrijstelling van betaling van bruggeld ook geldt voor het varen door de brug.
    De Hoge Raad vernietigt op een aantal juridische gronden de uitspraak van de Rechtbank te Utrecht. De Raad verwijst de zaak vervolgens terug naar die rechtbank om inhoudelijk over de vordering van G. van IJken uitspraak te doen, rekening houdende met het standpunt van de Hoge Raad.

    In de archieven van de rechtbank te Utrecht is niets terug te vinden van een vijfde rechtszaak in dit geschil, die er normaliter verwacht kon worden, omdat de zaak was terugverwezen naar de rechtbank die het laatste vonnis had gewezen. Wel is in de financiële verslagen van de Eembrugcommissie uit 1903 terug te vinden dat er in totaal een  bedrag van f 1329,30 is betaald aan kosten inzake het proces Van IJken. Waarlijk een voor die tijd enorm bedrag, uitgaande van het weekloon van een arbeider van ca f 8,-- (f 400,-- jaarloon) dus ca. 3 jaarsalarissen!
    Kennelijk zijn de advocaten van partijen tot overeenstemming gekomen en hebben afgezien van het vijfde proces en zijn de door Gijsbartus van IJken onverschuldigd betaalde bruggelden terugbetaald. Deze kosten zijn toen gedeeltelijk betaald uit de kasgelden en naar rato verdeeld over de vier onderhoudsplichtigen, de genoemde gemeenten en waterschappen.

    Gevolgen
    Dit geheel had tot gevolg dat er meerdere schippers aan de bel trokken om vrijstelling. In één geval is bekend dat de rederij Houtzager en v.d. Veen uit Amersfoort na 1903 geen tol meer hoefde te betalen. Ook wordt er nog genoemd van dat schipper Kuiper uit Eemnes heeft gereclameerd. Hoe dit verder is afgelopen is niet bekend.
    In de familie is er nog een schilderij van een oude tjalk, zeer waarschijnlijk het schip waarop Gijsbartus voer. Mogelijk is dit de ’Jonge Gerrit’, die toen in het bezit was van de familie van IJken, doch dit is niet geheel zeker. Het schilderij is gemaakt door Egbert van IJken, (1878-1964), een neef (oomzegger) van Gijsbartus van IJken.

     
    afb.7: tjalk ‘De Jonge Gerrit ’


    Voor de brugwachter Dijkman had dit tot gevolg dat hij per 1 augustus 1903 pachter af was en vervolgens is aangesteld als brugwachter voor een vast salaris van f 4,-- per week en vrij wonen.
    In de notulen van de commissie van de Eembrug  is de zaak van het bruggeld op nagenoeg elke vergadering tussen 1900 en eind 1903 aan de orde geweest. Er is tot drie maal toe juridisch advies ingewonnen van externe adviseurs.

    Anthonij Dijkman is tot aan zijn overlijden op 11 juni 1909 brugwachter geweest. Na zijn overlijden is er een vacature opengesteld voor een nieuwe brugwachter. Frans Dijkman, een zoon van Anthonij was een van de sollicitanten.  De gemeente Amersfoort heeft geprobeerd invloed uit te oefenen op de benoeming van de nieuwe brugwachter.
    Op 29 juli 1909 werd Elias van IJken, beurtschipper te Eemnes tot brugwachter en tolgaarder benoemd voor een salaris van f 4,-- per week.
    Elias was een broer van Gijsbartus van IJken…Elias en zijn vrouw  Wichertje Bakker kregen 15 kinderen in het kleine brugwachtershuisje aan de Eem. In 1936 is Elias opgevolgd door zijn zoon Egbert.
    Vanaf 23 mei 2007 wordt de brug automatisch bediend. Toen dit artikel in 2005 geschreven werd, was er een Van IJken brugwachter op de Eembrug.
     
    afb.8. De nieuwe Eembrug

    Slot
    Op 1 januari 1930 is de landtol afgeschaft en in 1941 verdween de watertol.
    In 1961 heeft dr. A.C.J. de Vrankrijker ter gelegenheid van de ingebruikname van de dan nieuwe –huidige- Eembrug, een boekje geschreven over de geschiedenis van de Eembrug.
    Het is opvallend dat hij in dit  boekje over deze voor de commissie nogal ingrijpende zaak, niets schrijft.
    In 1991 is er een publicatie verschenen van de Historische Kring Baerne, geschreven door H.M.M. van Vugt, die zeer uitgebreid de geschiedenis van de Eembrug beschrijft onder de titel: ‘De Tolboom bij de brug over de Eem te Baarn’.

    In het kwartaalblad ‘De Drost’ dat eind jaren zestig in Laren, Blaricum en Eemnes verspreid werd, staat in het nummer  van mei 1970 een artikel over vervoer over het water. Hierin wordt het proces ook aangehaald. Er staat daarin ondermeer dat Gijs(bartus) van IJken ‘met  een zwart zijden pet en witgeschuurde klompen naar Den Haag ging’ .

    Wie had ooit verwacht dat een besluit van Bisschop Jan van Arkel uit 1360 ruim 500 jaar later nog zulke gevolgen kon hebben voor mijn overgrootvader, schipper Gijsbartus van IJken.

     
    afb. 9:De Eembrug anno 2005


    Kollum, 22 september 2005 
    Egbert van IJken.

    Bronnen:

    Streekarchief Amersfoort: 
    Archief gemeente Baarn; notulen betreffende de pacht Eembrug
    Archief Eembrug Commissie: Toeg. Nr 411: kopie arrest Hoge Raad; diverse notulen; correspondentie Archief Hoogheemraadschap van de Bunschoter Veen- en Veldendijk

    Rijksarchief Utrecht: 
    Kantongerecht Amersfoort: zitting 1 apr 1901 en 22 juli 1901;
    Archief Arrondissementsrechtbank Utrecht: toegn. Nr 382;
    Bisschoppelijk Archief Utrecht: no 190- reg. Nr 669:  Orgineel brief Jan van Arkel
    Archief Provinciaal bestuur van Utrecht 1813-1920: toeg. 79, inv 5384; rekeningen administrateur comm. Eembrug; besluiten  Eembrug 1859-1942
    inv. 5401 stuken betreffende de tolheffing Eembrug
    Groot Placcaatboek Utrecht, 1729, J. v.d. Water, deel II

    Kon. Bibliotheek Den Haag: 
    Weekblad v/h recht register 1903;  nr 7940: Arrest 26 juli 1903
    Vonnis Arr. Rechtbank Utrecht Weekblad v/h/ Recht nr 7826

    Boekje ‘De Eembrug’, dr A.C.J. de Vrankrijker,  Baarn 1961

    Kwartaalblad HKE:  
    Juni 1989, jrg 11, nr 2: artikel ‘geslacht fam. Van IJken’;
    Oktober 1997, jrg. 19, nr 3:  artikelen ‘Schippers in Eemnes’.

    De Tolboom bij de brug over de Eem te Baarn.  H.M.M. v.d. Vugt, Baarn 1991

    Kwartaalblad ‘De Drost’ mei 1970, nr 17.

    Uit de Geschiedenis van Baarn. Deel 3, G. Hooijer sr.

    Eigen foto’s

    Archief Wiebe van IJken.

    Dit artikel is oorspronkelijk gepubliceerd in het tijdschrift van de Historische Kring Eemnes en met toestemming van dhr. E.G. van IJken opnieuw gepubliceerd op de website van Stichting Groenegraf.nl.

    geplaatst door L.J.A.Bakker



    vrijdag 27 maart 2020

    Hornsveld Dahliakoning


    Hendrik Hornsveld, dahliakoning


    Onmiskenbaar was hij een markante figuur binnen de Baarnse gemeenschap, klein van stuk, een volle baard, zijn breedgerande hoed soms zwierig achter op zijn hoofd, vol kwinkslagen, herkend door jong en oud: Hendrik Hornsveld, een internationaal gelauwerde bloemist, orchideeën- en dahliakweker. Voor zijn dahlia’s kreeg hij een groot aantal prijzen en vakonderscheidingen en op 23 juli 1947 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. En zijn ‘Burbankia’, de dahliakwekerij aan de Faas Eliaslaan, was een lokaal, landelijk en internationaal begrip. 
    Kwekerij Burbankia

    De kinderen van Hendrik en zijn echtgenote Heintje hadden een aantal eigenschappen gemeen: ze waren opgewekt, sociaalvoelend en ze kenden een grote saamhorigheid en aanhankelijkheid jegens hun ouders en elkaar. Er was dan ook sprake van een hechte familieband in deze kunstzinnige familie. Hendrik werd op 27 maart 1863 geboren als oudste zoon van Nicolaas Hornsveld en Maria de Ruig in de tuinmanswoning op het buitengoed van de familie Poggenbeek in Soest, bij wie vader Nicolaas tuinbaas was. Hendrik kwam al jong in aanraking met het tuinvak en hij hielp zijn vader met alle voorkomende werkjes op de buitenplaats. Hij was niet alleen een ijverige, maar ook een leergierige leerling. Als jonge knul wist hij al een groot aantal plantensoorten van elkaar te onderscheiden en het kweken van kasplanten had hij spoedig onder de knie. Zijn leven lang is zijn stelregel geweest: je mag nooit een plant in je handen nemen als je niet weet hoe die heet.
    Rond zijn achttiende jaar ging hij bij een baas werken, maar bleef aanvankelijk nog wel bij zijn ouders in de kost. Deze eerste werkkring vond hij als tuinjongen bij de familie Nachenius, die op de buitenplaats ‘Middelwijk’, aan de huidige Middelwijkstraat, woonde. Hier verdiende hij met lange dagen drie-en-een-halve gulden per week, een bedrag dat voor zijn moeder een welkome aanvulling betekende op het toch al niet zo hoge weekloon van vader Nicolaas. Na een aantal jaren op ‘Middelwijk’ te hebben gewerkt, ging hij als tuinjongen naar de familie Van der Vuurst, waarschijnlijk ook op een buitenplaats in Soest, waar hij echter twee kwartjes op zijn weekloon moest inleveren. Kort daarop is Hendrik als tuinman naar De Meern vertrokken, maar waar hij daar precies werkte, is niet meer bekend. Wel is bekend dat hij, nu hij voor zichzelf moest zorgen, in financiële moeilijkheden kwam. Zijn weekloon was laag en er moest toch kostgeld betaald worden. De zoon, waarschijnlijk heette hij Willem, van zijn vroegere werkgever de heer Nachenius, met wie hij redelijk goed bevriend was, heeft Hendrik uit de nood geholpen door hem een geldlening te verstrekken, die Hendrik later mondjesmaat afbetaalde. Over deze zaken werd o.a. geschreven in een brief van Hendrik aan zijn jonge vriend. Deze brief is nog bewaard gebleven.

    Nog maar kort na zijn komst in De Meern, werd Hendrik ziek en keerde hij terug naar zijn ouderlijk huis. Na zijn herstel kreeg hij, op voorspraak van de vader van zijn vriend, een betrekking bij een bakker in Weesp. Vanuit dit nieuwe kosthuis schreef hij op 28 juni 1885 de hiervoor genoemde brief aan zijn vriend Nachenius. Op zijn nieuwe werkplek - waarvan niet meer bekend is om welk bakker het precies ging - verdient hij zeven gulden per week. Een echte financiële verbetering. Van zijn verdiende centjes geeft hij zijn moeder vijf gulden, waarop hij bijzonder trots is. Zelf houdt hij twee gulden, waarmee hij – zoals hij schreef - zijn eigen klompen en een pet kan kopen. Zo kwam Hendrik, mede door hard en lang (over)werken, eindelijk weer boven Jan.
    Het was omstreeks deze jaren dat de liefde voor zijn Heintje, Hendrika van der Woord meer inhoud ging krijgen. Zij kenden elkaar al vanaf hun zeventiende, maar pas toen kregen zij officieel ‘verkering’. Korte tijd later, het was 1887, verloofden zij zich en op 16 mei 1890 stapten zij in het huwelijksbootje.  Hoe Hendriks overgang van knecht naar bedrijfsvoerder is verlopen, is nauwelijks boven water te halen. Ruim vóór 1900 moet hij al een kwekerij aan de Faas Eliaslaan, destijds Noorderlaan, hebben gehad, waar hij vooral chrysanten en orchideeën kweekte. Bekend is dat Hendrik in 1886/87 via een dahliaprijscourant van een kweker in het Duitse Nieder Walluf enige dahliaknollen kocht van het soort ‘Anton Grünewald’. Een enkelbloemige, lichtroze soort met goede eigenschappen: lange stelen, goed houdbaar op water, enz. Van deze knollen maakte hij stekken met het doel te gaan kruisen. Verder kocht hij dahliaknollen die rechtstreeks uit Duitsland en uit Mexico kwamen. Met deze soorten begon hij zijn eerste kruisingsproeven. De eerste resultaten waren echter niet gunstig: fletse kleuren, slappe stelen en onregelmatige bloemvormen.
    woonhuis Burbankia

    Pas na een periode van zeven jaar, het was toen 1903, verkreeg hij een ras dat volgens de kenners, de keurmeesters, een grote toekomst inhield: de pioenbloemige dahlia, waarmee Hendrik de daaropvolgende jaren grote successen zou behalen. Al rond 1900 ging hij met nieuwe variëteiten naar bloemkeuringen die periodiek werden gehouden in de Kroningszaal van Artis in Amsterdam. In het eerste decennium van de nieuwe eeuw en aan het begin van zijn dahliacarrière behaalde hij voor zijn aanwinsten talrijke certificaten, getuigschriften en medailles. Vrijwel nooit kwam hij met lege handen thuis uit Amsterdam, Brussel, Parijs, Düsseldorf en Londen. In laatstgenoemde stad kwam hij in 1914 in het trotse bezit van de door de Engelse dahliavereniging beschikbaar gestelde massief zilveren beker. Een zeer hoge onderscheiding die destijds nog niet eerder aan een buitenlander toegekend was.

    Onvermoeibaar ging Hendrik door met het zoeken naar nieuwe en waardevolle variëteiten en rassen. En rond 1915 kwam zijn eerste prijscourant uit: dahliaknollen voor vijftig cent, maar de allernieuwste soorten voor negen gulden per stuk! Omstreeks 1908 was Hendrik via de vakpers in contact gekomen met de Amerikaanse bloemkweker Luther Burbank. Deze vermaarde tuinbouwkundige, die leefde van 1849 tot 1926, werkte bijna zijn hele leven op zijn kwekerij in Santa Rosa, Californië, tachtig kilometer ten noorden van San Francisco. Aan Burbank werd met ongekend succes een ongebruikelijke werkwijze toegeschreven: hij geloofde van jongs af aan in buitenzintuiglijke waarneming en in wederzijdse relatie tussen planten en mensen.
    Hendrik raakte, misschien aangetrokken door Burbanks telepathische begaafdheid of door zijn waardevolle kweeksuccessen, geïmponeerd, zocht contact en richtte een schriftelijk verzoek aan hem om z’n huis en z’n bedrijf naar hem te mogen vernoemen. Wonderwel voldeed Burbank aan Hendriks verzoek. Hendrik latiniseerde de naam en vanaf dat moment prijkte in fraaie, door zijn zoon Dirk geschilderde letters de naam ‘Burbankia’ op zowel de houten woning als het stenen huis op de kwekerij. Briefpapier en telegramadres volgden de gebeurtenis. 
    Hendrik Hornsveld

    Hendrik legde, vooral via de vele tentoonstellingen, vele contacten met binnen- en buitenlandse kwekers en kreeg in de loop der tijd naamsbekendheid, ook op paleis Soestdijk. Elk jaar werd hij vervolgens in september op Soestdijk ontboden om aan koningin Emma en later aan koningin Wilhelmina zijn nieuwe aanwinsten te laten zien. Het leverde hem de nodige bestellingen op en een aantal van deze nieuwe aanwinsten waren vernoemd naar leden van het koninklijk huis, zoals de ‘Prinses Juliana’, een met vele prijzen bekroonde en zeer gewilde witbloeiende dahlia. Ondanks alle belangrijke aanwinsten en de onvolprezen waardering voor zijn producten kwam zijn bedrijf niet tot financiële successen: Hendrik was veel te vrijgevig om een goed zakenman te zijn. Het begon toen hij bezoekende collega’s tekst en uitleg gaf over de manier waarop hij nieuwe kruisingsmethoden tot stand wist te brengen. Het was toen nog niet bekend op welke wijze nieuwe rassen moesten worden verkregen. Hendrik verkocht hiermee zijn vakgeheim dus niet, maar gaf het in zijn edelmoedigheid en goedgelovigheid gewoon weg. Aan vakbroeders die met de verstrekte informatie zelf aan het werk gingen en uiteindelijk de winst uit de verkregen resultaten opstreken. En zo is het Hendrik eigenlijk zijn hele leven vergaan. Een ieder die de kwekerij of het gezin kwam bezoeken, ging weer naar huis met een flinke bos dahlia’s, waarvoor in de winkel al gauw drie tot vier kwartjes moest worden neergeteld. Bij iedere zieke buurvrouw of jarige notabele werd een weelderig boeket bezorgd. En jarenlang, zowel voor als na de oorlog, gaf ‘Opa met de Baard’ vetplantjes weg aan de kinderen die hem hun overgangsrapport lieten zien. Het was allemaal tekenend voor zijn karakter. 

    Vrijgevig was overigens ook zijn vrouw Heintje: honderden liters overheerlijke soep vonden destijds in een in een schone theedoek geknoopt pannetje hun weg naar zieken en behoeftigen. De bloeitijd van ‘Burbankia’ viel in de periode van de twintiger en begin dertiger jaren van de vorige eeuw. In het midden van de jaren dertig, toen de kwekerij en de opstallen zo’n dertig tot vijfendertig jaar oud waren, begonnen de kassen in verval te raken. Twee van de zes kassen waren inmiddels afgebroken, mede door het feit dat de orchideeëncultuur werd beëindigd. De oudste kassen kregen tussen 1933 en 1936 een grote opknapbeurt. De lange kas kreeg een schilderbeurt, een nieuwe verwarmingsketel en er werden nieuwe buizen aangelegd. Ook de twintig grote broeiramen moesten van tijd tot tijd van nieuw houtwerk en glas worden voorzien. Zaken die hoge investeringen verlangden.
    Hendrika van de woord voor Burbankia

    Tot aan de Tweede Wereldoorlog waren dahlia’s het belangrijkste kweek- en verkoopproduct. Zoon Klaas reisde hiermee en met ander gekweekt kleingoed tweemaal per week de bloemenwinkeliers in Amsterdam af. De oorlogsjaren brachten moeilijke tijden voor ‘Burbankia’. Niet alleen kwam Hendrik op leeftijd, maar vooral, en zeker in de laatste oorlogsjaren, kon de benodigde hoeveelheid kolen voor de verwarmingsketels niet meer worden bemachtigd. Na de oorlog zou er een voorzichtig herstel optreden. Op 16 maart 1945, enkele weken voor het einde van de oorlog, kwam Hendriks geliefde en zorgzame vrouw te overlijden. Anderhalf jaar lang zou zijn kleindochter Henny van Wijk het huishouden verzorgen. Een niet geringe taak, want ‘Burbankia’ kende een forse aanloop van tuinbazen, vaklieden en allerhande kennissen. Bovendien kon opa Hendrik, met het toenemen der jaren, wel eens brommerig uit de hoek komen. Maar opa was zeer tevreden over zijn hulp en het huishouden liep op rolletjes. Op 18 september 1946 trad Henny in het huwelijk en vertrok naar Veenendaal. Een nieuwe huishoudster werd gevonden in de persoon van ‘juf’ Vermeul uit Boskoop. En alles verliep naar ieders tevredenheid.

    Hendrik was inmiddels echt aan zijn oude dag begonnen. Slechts een schamel veldje dahlia’s sierde ’s zomers ‘Burbankia’. Hendrik keutelde weliswaar nog wat rond in huis en op de kwekerij, maar z’n activiteiten werden allengs minder. Op de fiets zat hij echter nog bijna dagelijks om tot op hoge leeftijd familie en oude collega’s te bezoeken. In 1950 vertrok ‘juf’ Vermeul en namen zijn zoon Klaas en diens gezin hun intrek op ‘Burbankia’. Opnieuw was Hendriks verzorging gelukkig verzekerd. Hij was inmiddels zevenentachtig jaar. In rust en vrede, genietend van een goede gezondheid, alsook van een goede sigaar, bracht hij zijn laatste jaren door in zijn eigen kamer op het ook ouder wordende ‘Burbankia’. En zijn negentigste verjaardag, zoals eerder ook zijn zeventigste, tachtigste en vijfentachtigste, werden hoogtepunten in zijn leven en dat van zijn grote familie. Van heinde en verre kwam steeds het bezoek, soms tot zo’n driehonderd gasten. En de felicitatiepost stroomde elke keer weer binnen. Op zijn negentigste ontving hij maar liefst tweehonderdzesenzeventig stuks post. Alle verhalen nemen een einde, zo ook het levensverhaal van Hendrik Hornsveld. Op 18 december 1956 ging deze reeds enige weken langzaam opbrandende kaars uit. De begrafenis vond plaats op de nieuwe algemene begraafplaats aan de Wijkamplaan. Met hem is een belangwekkende familie-episode verstreken. Zijn zoon Klaas en zijn schoondochter Matje bewoonden het huis nog tot 1973. Na Klaas’ overlijden op 5 juli 1973 werden huis en erf verkocht. In juni 1975 kwamen de slopers, binnen enkele dagen behoorde ‘Burbankia’ tot het verleden en werd het oude, vertrouwde plekje ingenomen door een bungalow.


    Bron:

    Dit artikel is ingekort overgenomen uit het prachtige boek Genealogie & Geschiedenis Familie Hornsveld  van Anneke van Dalen en Daan H. Werner. 



    geplaatst door L.J.A.Bakker







    zondag 22 maart 2020

    Lenteleven met 44 tegelplateau's

    Lenteleven met 44 tegelplateau's

    Kleuterschool Lenteleven
    We gaan een kijkje nemen in kleuterschool Lenteleven gelegen aan de Acacialaan waar aan de muren van de gangen en de lokalen van het gebouw 44 prachtige tegelplateau's waren ingemetseld waarop sprookjes, liedjes en vrolijk spelende kinderen op waren afgebeeld.
    De tegels voor de muren van de kleuterschool Lenteleven zijn vermoedelijk vervaardigd in de Hilversumse Plateelbakkerij. Lenteleven werd rond 1920 gebouwd en ook de tegels zullen rond die tijd zijn ontworpen en gebakken. Elk tegelplateau bestaat uit zo’n tien tegels waarop een voorstelling in de kleuren rood, groen, geel, blauw en zwart is uitgevoerd. Naast 24 afbeeldingen van overbekende sprookjes als Sneeuwwitje, Hans en Grietje en Assepoester zijn er ook liedjes als 'Liesje leerde Lotje lopen' op de tegels verbeeld. Daarnaast zijn er voorstellingen van spelende kinderen afgebeeld zoals een strandtafereel.

    
    de toiletten rond 1920
    Lenteleven lang geleden

    de Hoofdingang
    1975 een kijkje in de gang Links Eric Bakker
    en rechts Joke Bakker
    Sandra Bakker op de arm van Joke






    Dit tegeltableau waarop kindertjes een zandkasteel langs de vloedlijn bouwen, behoorde oorspronkelijk bij Lenteleven.


    In 1984 moest de oude kleuterschool Lenteleven plaatsmaken voor nieuwbouw

    Nadat de kleuterschool Lenteleven integreerde in de school De Oorsprong en het gebouw werd gesloopt, besloot de gemeente Baarn in eerste instantie de 24 sprookjestableaus een plaats gegeven in het sociaal cultureel centrum De Speeldoos. Ook De Oorsprong kreeg vijf tegelschilderingen ter herinnering aan Lenteleven en twee gingen naar de Historische Kring Baerne. In de loop der jaren hebben de meeste tableaus een permanente plaats in De Speeldoos gekregen.Hieronder een impressie van deze plateau's.













     
    VRAAG:
    Er is een vraag bij ons binnengekomen over de gezichten. Alle gezichten zijn namelijk zwart. Waarom heeft men voor deze uitvoering gekozen? Helaas weet ik het niet.
     
    Weet U het antwoord laat het ons dan even weten, alvast bedankt.