maandag 22 juni 2020

De Bunker, Paal 20 De Koog, Texel: van Atlantikwall tot zomers ’Koek en Zopie’

de vakantiebaan van een Baarnse schooljongen, een zomers verhaal van Ed Vermeulen

                                       
De Groenegraf.nl weblog over de schuilkelder met tunnel  in een villatuin aan de Baarnse Beatrixlaan zal u niet ontgaan zijn. Alle ingrediënten voor een spannend jongensboek waren aanwezig: tunnel, ondergrondse kamers, geheime bergplaatsen, wandtekeningen, dichtgemetselde muren en  de dolende zielen van Duitse Wehrmachtsoldaten. Ook in mijn jeugd speelde een bunker een grote rol. ’Mijn’ bunker stond niet in Baarn maar op Nederlands grootste Waddeneiland Texel.




De bunker van Ome Kees
Foto's: collectie Cor Kuip, afkomstig van mevrouw Maas-Drach.

Foto: Archief Texelse Courant
In 1948 namen mijn oom en tante Bill en Joke Visser de exploitatie van het gerenommeerde Hotel-Café-Restaurant ’Het Witte Huis’ over: locatie de Texelse badplaats De Koog.

Hotel Het Witte Huis in volle glorie! (Coll. Ed Vermeulen)
Nog even tijd voor een foto! (Coll. Ed Vermeulen)
Eerder woonden zij een tweetal jaren bij ons in op Spoorstraat 2. Bill was mijn moeders broer, beiden geboren en getogen in Den Helder, mijn tante woonde sinds 1928 op Texel. In november 1943, wij woonden nog in Den Helder, trouwden zij in Den Burg. Een feestelijke gebeurtenis. Zo klein als ik was, ik was erbij: mijn eerste oversteek van het Marsdiep. De Texelse boot voer nog naar Oudeschild en natuurlijk hadden mijn ouders voor deze reis een door de Duitse autoriteiten uitgegeven Ausweis nodig: oorlogstijd en Den Helder Stützpunkt der Kriegsmarine! Het goede nieuws: die dag waren er géén luchtaanvallen! Beginnend in 1948 maakte mijn moeder gedurende de zomermaanden deel uit van de huishoudelijke staf van het hotel: de verdiensten waren een mooie aanvulling op haar bescheiden inkomen als confectienaaister.

De baas en zijn personeel (links mijn moeder), jaren 50.                            Linnenkamer ziekenhuis Torenlaan,
                                                                                                                   mijn moeder (r) in haar element
(Coll. Ed Vermeulen)

Begin juli met de trein naar Den Helder gevolgd door een bootreis naar Texel. Een kist met kleding werd per Van Gend & Loos vooruit gestuurd. Ik mocht of liever gezegd moest mee. Géén straf! Ik was een geluksvogel oftewel een bofkont: iedere zomer ongeveer twee maanden lang naar Texel.

Met vakantievriend Piet Koeman (l) 1949;
 De bunker zit nog in de duinen
(Foto: mevrouw Koeman, collectie Ed Vermeulen)

Mooiere zomervakanties kon ik mij niet voorstellen. Vakanties vol strand, zee en avontuur. Geluk binnen handbereik, slechts onderbroken wanneer eind augustus de reis naar Baarn werd ondernomen. In de zomer van 1959 werd ik werd aangenomen op de Kweekschool voor de Zeevaart in Amsterdam, mijn moeder kreeg een vaste betrekking in het Baarnse Ziekenhuis, Torenlaan.

Mijn lief op de Jeep van Jan Maas (hijzelf op rechts)
(Foto: Ed Vermeulen)


Strand De Koog, Jan Maas: 
Op het strand deed ik wel eens klusjes voor Jan Maas, de altijd goedlachse eigenaar van het strandbedrijf Noorderbad. Jan woonde op Hoeve ’Zandvrucht’ aan de Rozendijk en kwam dagelijks met zijn jeep naar De Koog. Hij had het bedrijf ‘Noorderbad’ trouwens al voor de oorlog. De klusjes bestonden uit het, bij wisseling van huurder, opruimen en zandvrij opleveren van de strandhuisjes of het opruimen van het, ook toen al, aanwezige zwerfvuil op het strand. Veel huurders, met name de Duitse gasten lieten de door hen meegebrachte tijdschriften in de huisjes achter. Deze bladen hadden intrigerende namen als ’Bunte Illustrierte, Bild en Spiegel’ en werden uiteraard ingezameld en herlezen. Zo pikte ik mijn eerste woorden op van de Duitse taal. Jan kon mooi vertellen over vroeger tijden, had veel fantasie en ook veel overtuigingskracht. Ik geloofde hem onvoorwaardelijk. Een aantal jaren later heb ik Jan ook wel eens geholpen met het afbreken van de huisjes aan het eind van het seizoen. De huisjes gingen dan in de winteropslag. Het waren ook de jaren dat Jan zijn latere echtgenote Gertrud Drach (Frau Maas) leerde kennen. Gertrud kwam met haar enige zus Elisabeth begin jaren vijftig vanuit Essen, Duitsland naar Texel. In 1957 trouwde ze met haar badman Jan Maas. Beide dames gingen altijd, weer of geen weer, baden in zee. Lieve vrouw, Gertrud, die ontmoetingen in latere jaren altijd begon met de woorden…’Ach mein Junge , ik heb so oft an jou gedacht!’ Hier leerde ik in 1953 ome Kees kennen en begint mijn bunkerverhaal. Ik was elf, net geslaagd voor het toen nog verplichte toelatingsexamen voor Het Baarnsch Lyceum. Op naar Texel: tijd voor een echte vakantiebaan.

Ome Kees en Ed, samen met Walco (de schrik van de badgasten)
Coll. Ed Vermeulen


Strand de Koog: Ome Kees
Exploitant van een door de Duitsers in de oorlogsjaren als onderdeel van de Atlantikwall gebouwde bunker op het strand bij paal 20 De Koog en nu in gebruik genomen als zomers ’Koek en Zopie’. Een prachtig staaltje verantwoord hergebruik. Zijn naam C. (Kees) van der Meulen. Hij werd door iedereen ‘Ome’ Kees genoemd, was getrouwd, en woonde in de Azaleastraat in Leeuwarden. Hij had een zoon die stuurman op de grote vaart was. Deze woonde in mijn herinnering op Ameland of Schiermonnikoog, maar het kan natuurlijk ook Terschelling geweest zijn. Ome Kees was op Texel verzeild geraakt door zijn werk als kok bij de ’sneeuwklokjes’ expedities naar Frankrijk, georganiseerd door de broers en bollenboeren Piet en Nanning Kikkert van het Waalenburgerhuis en hoeve Vredestein. Nog steeds herinneren in het vroege voorjaar de witte velden in de Dennen aan deze avontuurlijke tijd. Veel later kwam ik er achter dat Nanning Kikkert de bunker van Rijkswaterstaat pachtte en Ome Kees bij hem in dienst was. Hij verbleef in een van Jan Maas gehuurd strandhuisje naast de bunker. Ook in Den Burg had hij een slaapadres, een kamer boven het bekende en roemruchte Café De Karseboom van Gerard Rump aan de Vismarkt. Hij deed me het voorstel bij hem in dienst te komen als koffiejongen. Takenpakket: bedienen op het terras, ’s ochtends de zich naar hun strandhuisjes begevende badgasten begroeten en hun bestelling noteren. Zo gezegd, zo gedaan. Een opgewekt ’Goedemorgen of Gutenmorgen’, al naar gelang de nationaliteit, vormde de begroeting. Klokslag tien uur ging ik met koffiekan en kop en schotels langs de huisjes. Ik kwam tot huisje dertig: daarna werd de koffie koud of kwam er bij wind uit zee te veel zand in de kopjes. Een seizoen later had ik een bak gemaakt van een colakratje. Ik droeg de bak met banden om mijn schouders, flesjes limonade erin en verkopen maar! Ik sjouwde wat af, kende alle gasten, velen ook bij naam, en iedereen kende mij. Dit werk leverde mij, ook niet onbelangrijk, een leuke zakcent op.

Badweg De Koog met het oude Redddingboothuis    (Coll. Ed vermeulen)
Op  de laatste duinenrij  Noordzee (r) en Buteriggel (l)


Bunker Zuiderbad (Coll. Maarten Stoepker)


Strand De Koog, de bunker
De koffie is klaar! De kracht van de zee!
(Coll. Maarten Stoepker)
De oorspronkelijk in de duinen gebouwde bunker, restant van de vijf oorlogsjaren, was na verloop van tijd in zijn geheel los hiervan komen te staan: rijp voor hergebruik. Ik herinner mij dat in 1947 of 1948 het oorspronkelijke geschut nog aanwezig was. Een van mijn Koger speelkameraden van toen heeft nog geprobeerd een gevonden, onontplofte, granaat in de loop te rammen! Eenmaal los van de duinen, werd de betonnen kolos verpacht en werd het een soort voorloper van de latere strandpaviljoens.

Originele ontwerptekening  (Coll. J. van Tongeren)

Via de oorspronkelijk ingang, gangetje in links af, rechts af, kwam je bij een later aangebrachte houten deur. Hierachter bevond zich de verkoopruimte of wat daar voor door ging. De meters dikke muren zorgden voor een koele temperatuur. Eigenlijk was het er gewoon koud en vochtig en echt lekker ruiken deed het er ook niet. Een muffe geur is wat ik mij herinner. Ome Kees droeg niet voor niets, ook in de zomer, vaak een coltrui. Op zeer warme dagen droeg hij, geloof het of niet, een tropenhelm, waarvan werd gezegd dat hij deze ’s avonds in De Karseboom rond liet gaan, waarna er van de opbrengst weer nieuwe versnaperingen werden gekocht. Nee, ik kon de soldaten die hier de wacht aan de Noordzee hadden gehouden niet benijden. Wel een prima plek om er koffie, thee en limonade en allerlei snoepwaren te verkopen. Een zeker in de beginjaren bescheiden assortiment, dat allengs, met het toenemen van de aantallen toeristen (of badgasten zoals ze toen genoemd werden), werd uitgebreid. Niet al te veel luxe, alles heel simpel, net als het leven in die jaren, maar wel gezellig. Buiten de bunker, voor de geschutsopening, was een hoge betonnen muur, de zogenaamde waterkering. Het geheel omgetoverd tot een bescheiden terras met tafeltjes en stoeltjes.

Restanten dam, de bunker nog in de duinen (Coll. Ed Vermeulen)

Strandafgang naar Noorderbad  (Coll. Ed Vermeulen)

Verkooptoppers, mooie plaatjes en vaste bezoekers.
Absolute toppers in het assortiment waren naast de bekende Pennywafels (wafeltjes met laagjes chocola) en de spekkies, waarvan ome Kees aan de veelal Duitse afnemers vertelde dat ze van ’Alte Fahrräder Reifen’ waren gemaakt, de overheerlijke Friese sûkerlatten, suikerkoeken. Grote, langwerpige koeken, gebakken en geleverd door Bakker Beuving, Kogerstraat 44, Den Burg. De winkel is er nog steeds, alleen met een andere bakker. Ome Kees bracht ’s ochtends altijd de nieuwe dagvoorraad mee. Wanneer de koeken sneller dan verwacht uitverkocht waren, ging ik op de fiets naar Den Burg, nieuwe voorraad halen. Nee verkopen, deden we niet! De koeken werden bewaard in een hutkoffer die in het strandhuisje van Ome Kees stond, vlak naast het dagverblijf van Jan Maas. Regelmatig werd de handvoorraad in de bunker door mij bijgevuld. Zo ontdekte ik welke verborgen schatten deze hutkoffer nog meer te bieden had. Tijdens zijn reizen naar Frankrijk met de sneeuwklokjesexpeditie kocht Ome Kees boekjes en blaadjes, waarin foto’s van veel schaars of in het geheel niet geklede dames waren opgenomen. Deze bladen werden eveneens in de hutkoffer bewaard: onder de suikerkoeken. Het was dus niet verwonderlijk dat het door mij ophalen van de koeken soms wel heel erg lang duurde. Ome Kees wist altijd precies hoe laat het was, wanneer ik, met een grote tas vol koeken en een hoogrode kleur van opwinding weer terugkwam in de bunker. ’Zeker weer zitten kijken. Waren ze mooi?’ waren zijn woorden. De over het strand patrouillerende agenten van de Rijkspolitie te paard behoorden tot de vaste bezoekers. ’s Middags kwamen ze steevast een kopje koffie drinken. De koffie met een stuk eierkoek, werd altijd genuttigd in, het laat zich raden, de hut van Ome Kees. Ook de heren studenten die hun zomerreces een waardevolle inhoud gaven door als strandwacht te fungeren behoorden tot de regelmatige bezoekers. Een andere topper, van een iets ander kaliber, was de jeneverfles waaruit van ‘onder de toonbank’ zoals dat heet in vakjargon aan de vaste kring van happers een borrel werd geschonken. De juiste vergunning hiervoor ontbrak waarschijnlijk, maar het leverde Ome Kees een mooie extra omzet op. Eén van de vaste gasten, een Zweedse badgast met kleinzoon Hans, bestelde altijd ’Ein Joy für Hans und ein Schnapps für mich’. Joy was een soort sinas, maar dan in een rond flesje.

Nieuwe voorraad Hero Perl  (Coll. Hist. Vereniging Texel)

De laatste kluft en daarna, aan het eind van de Badweg, de Noordzee!
Coll. Ed Vermeulen
Naast Hero Perl een veelgevraagde limonade. Door zijn opvallende snor had onze Zweedse gast het uiterlijk van een forse zeehond, zoals je die soms zag in de zeehondenopvang van het Texels Museum in de Dennen. Wij noemden onze Zweedse klant ’de Walrus’. De bevoorrading van de bunker met bier en diverse limonades werd beurtelings verzorgd door de firma’s CV ETA (Eerste Texelse Advocaatfabriek) en De Wit, horecagroothandels uit Den Burg. De bestelwagens werden door de heren C. (’Ome Kees’) Kooyman en J. (Jan) de Wit tot boven aan de kluft gereden, waarna de voorraden met steekwagens door het mulle zand naar de bunker werden getransporteerd. Het echte zware werk! Beide heren kende ik, zij leverden immers ook aan ’Het Witte Huis’, het bedrijf van mijn oom en tante.  Jan Maas was in het bezit van een mooie (Duitse) zeekijker. Aan de horizon zag ik de schepen voorbij varen en droomde over later. Later betekende voor mij zeeman worden en de wijde wereld intrekken. Bij het verwezenlijken van deze droom kreeg ik vakkundig advies van een van mijn vaste koffieklanten, de heer van Dusseldorp Sr. Deze eigenaar-bewoner van het fraaie op de duinen van De Koog gelegen huis ’De Dolfijn’ was directeur bij het zeesleepbedrijf L. Smit Internationale en gaf mij uitstekende tips om mijn doel te bereiken. Toen ik in de zomer van 1958 mijn eerste zeereis ging maken met de Groninger coaster Barcarola nam hij afscheid met de woorden ’Goede reis en denk erom, één moment van onbedachtzaamheid, maakt dat men nog jaren schreit’. De diepere betekenis van deze woorden ontging me op dat moment. Kortom er gebeurde van alles en ik vond het prachtig. Alles bij elkaar heb ik een viertal zomers bij Ome Kees in de bunker gewerkt.

Vakantiewerk op zee: m.s. Barcarola
(Coll. Roy M. Helleman)


Vrijbuiter
In het najaar van 1964, inmiddels getrouwd, waren mijn vrouw en ik op familiebezoek in Leeuwarden. De Azaleastraat waar Ome Kees woonde was min of meer om de hoek. Tijd voor een hernieuwde kennismaking. Hij was thuis en begroette ons allerhartelijkst. Wat ons opviel was dat Ome Kees in de voorkamer woonde en zijn echtgenote in de achterkamer. Heel bijzonder. We haalden herinneringen op aan de mooie jaren op Texel. Het zou de laatste keer zijn dat wij elkaar hebben ontmoet. Het verhaal gaat dat Ome Kees op een dag zijn huis heeft verlaten om een pakje shag te kopen, de deur achter zich dicht heeft getrokken en niet meer ’weerom’ is gekomen! Ome Kees, een echte vrijbuiter! Ja, dat waren nog eens mooie tijden voor een scholier met vakantie op Texel. Mijn oom, Bill Visser, vond het maar niks dat ik bij Ome Kees rondhing. Jan Maas, prima, daar had hij wel vertrouwen in, maar die Kees, nee. Ondanks mijn ooms wantrouwen is alles goed gekomen. Ik koester de herinneringen aan de lange zomers op Texel. Tientallen jaren later werd mij verteld dat Ome Kees eigenlijk ’Ybele’ heette en zelfs familie op Texel had. Dat had hij mij nooit verteld. Hoe het ook zij, voor mij is en blijft hij ’Ome Kees’.

Ten slotte: Hotel Het Witte Huis en ’mijn’ bunker zijn gesloopt, alle hoofdpersonen van toen, uw schrijver en zijn lief uitgezonderd, zijn al langer niet meer onder ons. Gebleven zijn de herinneringen! Bedenk ook bij het lezen van dit verhaal dat ieder mens zijn eigen ’goede oude tijd’ creëert. De mijne werd in dit speciale geval muzikaal in 1958 vastgelegd door mijn rock-’n- roll held Eddie Cochran in zijn hitsong: ’Summertime Blues’.                   

In het voorjaar van 2020 werden de verhalen over de Texelse bunkers door filmmaker/schrijver Arnold van Bruggen en Anoek Steketee voor eens en voor altijd vastgelegd in de, in opdracht van ’Nationaal Park Duinen van Texel’ in het kader van 75jaarBevrijding, ingerichte buiten-tentoonstelling ’Texelse Bunkerverhalen’. 16 Stuks in totaal: mondelinge geschiedschrijving in optima forma!
Meebeleven? Ga naar: www.npduinenvantexel.nl/bunkers
Nog leuker: ga naar Texel en begeef u naar de bunker op uitkijkpunt Loodsmanduin! Voel de zeewind om uw hoofd en geniet van de verhalen.
   
                                                     
Met dank aan:
Monica Maas, Texel
Cor Kuip, Texel
Jan van Tongeren, Den Helder
Bron:
Archief Texelse Courant


Ed Vermeulen (1942)














Dit verhaal verscheen op maandag 22 juni 2020 in de Baarnsche Courant  in de rubriek

  ’Vandaag is morgen alweer gisteren (bruggetjes naar vroeger)’

Deze rubriek is een samenwerking tussen de Historische Kring Baerne en Groenegraf.nl    

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op.
 Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

Geïnspireerd geraakt door onze oud Baarn-verhalen? 

Kom in actie en deel ook uw herinneringen op Groenegraf.nl.

zondag 14 juni 2020

De Heemskerklaan in de jaren 50/60

door Joke van Reenen-Kalf



Hoe het was

De Heemskerklaan, niet te verwarren met de Van Heemstralaan, was een echte laan met heel veel bomen. Zij zijn waarschijnlijk geplant begin jaren dertig  na de bouw van de huizen in de twintiger jaren van de vorige eeuw. Op een fotokaart op internet, genomen vanaf de boerderij van Groenestein op de hoek Heemskerklaan/Piet Heinlaan, zie ik aan beide kanten van de laan bomen staan. Het lijkt of er twee bomen voor ieder huis staan. In mijn jeugd waren ze al groot. Op de hoek met de Van Galenlaan stonden er zo veel dat wij daar ideaal “boompje verwisselen” konden spelen. In het voorjaar met de verse blaadjes aan de bomen op de eerste lenteachtige dag dat je de jas uit kon doen of op z’n minst los, was de geur zo bijzonder. Als ik aan het einde van de zomervakantie terugkwam uit Breda waren de blaadjes donkerder van kleur en stoffig. Het rook ook anders. In de zomer kwamen er boerenwagens met het hooi hoog opgetast  door de laan. Dat hooi vond ik ook heerlijk ruiken. Als ik nu bloeiende liguster ruik moet ik ook aan vroeger denken.  In het najaar was er veel blad te ruimen. Naast onze tuin lag  eens een grote hoop blad dat door de jongens in brand was gestoken. Ik ben er in paniek op gesprongen en heb het uit getrapt. De paniek was mogelijk een gevolg van de brand in het huis op de hoek van de Tromplaan en de Faas Eliaslaan. Vanuit mijn kamertje kon ik dat zien. Wij zijn ook als ramptoeristen gaan kijken. 


Heemskerklaan 46

Van hier naar daar

De Heemskerklaan loopt vanaf de Tromplaan tot de kruising bij Witgoed Breunesse, vroeger de boerderij van Groenestein, waar hij overgaat in de Abel Tasmanlaan, vroeger de Piet Heinlaan. Bij de kruising gaat de Heemskerklaan naar rechts tot de Faas Eliaslaan. Vroeger was het Eemdal niet bebouwd en ging je naast de boerderij richting het landhek en dan een stukje  naar links achter de huizen aan de Heemskerklaan en dan rechtsaf via een zandweg, Het Molenpad, naar het voetbalveld, nog aan deze kant van de Eemweg, waar de werknemers van Philips trainden en wij soms gingen kijken. We gingen ook wel al slootje springend, de Eemweg over, verder door de weilanden naar het Rode dorp. In het voorjaar stonden de zijkanten van de sloten vol dotterbloemen en de weilanden vol boterbloemen en later pinksterbloemen. De jongens vonden het soms nodig om iets aan de stand van het sluisje in een van de slootjes te veranderen.

Situatieschetsje
Bewoners

Vanaf ongeveer midden jaren dertig woonden onze ouders Bertus Kalf en Johanna Kalf-Hendriksen op Heemskerklaan 46. Huizen  genoeg te huur. De eigenaar liet het huis schilderen en behangen om huurders te lokken. Tijdens de oorlog vanaf ongeveer oktober 1943 hebben zij ondergedoken gezeten. Na de oorlog zijn mijn ouders er weer ingetrokken.  In 1946  werd Bert Kalf geboren en ik, Joke Kalf, in 1948. Omdat er na de oorlog grote woningnood was en mijn moeders jongste broer, Gerard Hendriksen waarschijnlijk toch al bij hen woonde omdat mijn vader zijn voogd was nadat Gerards ouders waren overleden, kwam zijn vrouw er ook bij en in 1948 is hun zoon Peter geboren. Zij verhuisden later naar de Balistraat. Ik herinner me niets uit die tijd.  Onze ouders zijn in 1954 officieel gescheiden en toen woonden wij er met z’n drietjes. Later werden er kamers verhuurd aan studentes en werkende jonge dames en een oudere dame.
Het was de tijd van in bad gaan in een teil. Wij hadden boven wel wastafels maar geen badkamer. Voor de was had onze moeder een “bok” met twee zijstukken, die je naar beneden kon doen waar een teil op kon staan. In de ene teil werd de was uit de ketel gegooid waar de was eerst in gekookt was. Er werd eventueel met een harde borstel op het vuile goed geschrobd op een houten plank die diagonaal in de teil lag. Dan ging het goed door de wringer naar de andere teil met spoelwater. En dat net zo lang tot het water helder bleef. In het laatste spoelwater ging dan een zakje reckitsblauw. Bij mooi weer kon de was buiten drogen. ’s Winters ging het of naar zolder of deels op een droogrekje om de kachel.

Overige laanbewoners

Er werden meer huizen dubbel bewoond. Naast ons woonden de zoon en dochter met partners en kinderen in en op nr. 58 woonde de familie Janse met de familie Vollebregt. Na de verhuizing van de familie Wijsmuller, ik zie meneer met zijn donkere baard nog staan tijdens die verhuizing, gingen de heer en mevrouw Janse naar nr. 52. Ik denk dat Han, Lia en nog een meisje daar geboren zijn. De familie Vollebregt bleef op nr.58. De kinderen waren Gerard, Nancy en Laura. Nancy was iets jonger dan ik. Meneer Vollebregt, Nick, muzikant en kelner bij Groot Kievitsdal, pachtte ’s zomers de kiosken en het terras bij het Baarnse bosbad. Hij had een Borgward, een van de weinige auto’s in de straat en ’s zondags reed ik soms mee. Het bosbad ging dan pas om 13.00 uur open en wij speelden voor die tijd met de binnenband van een vrachtauto in het bad.  Ik hielp graag snoep en ijs verkopen. Als het druk was stond oma Vollebregt in de kiosk op het grote veld en mocht ik helpen. Als zij er niet was stond ik er alleen. Top. Winkeltje spelen voor het echie. De familie verhuisde later naar Laren, naar het bekende Nicks Vollebregts jazzcafé, van waaruit ook radio-uitzendingen werden verzorgd.  Rietje van ’t Land van de Van Galenlaan 9 was ook ongeveer van mijn leeftijd. Zij kwam veel bij de familie Janse en soms mochten wij mee in de, volgens mij Volkswagen kever. De familie Janse had al vroeg televisie. ’s Woensdags en ’s zaterdags om 5 uur mochten wij vaak komen kijken. Schoenen uit op de mat bij de achterdeur. Wij zaten op de grond en genoten van Pipo de clown en Mamaloe, De Verrekijker, Varen is fijner dan je denkt en de poppen van Bert Brugman. Wij zwaaiden terug naar tante Hannie (Lips, de omroepster). Dit was de enige tv-uitzending op de dag, op het enige tv-net in Nederland. Na de familie Janse woonde de familie Van Amerongen met Wilma en Marjo op nr. 52. Zij waren toen onze moeder in 1969 op nr. 54 was komen wonen heel goede buren voor haar. De familie Haagsma ging toen van nr. 54 naar nr.46. Zij waren eigenaren van beide woningen. Toen mijn moeder een bloedvatafsluitinkje in haar hoofd  heeft gehad en verward was hebben zij mijn man gebeld zodat hij haar bij mij kon brengen. Wat is het dan veel waard dat je elkaar kent.

Cantonspark

Wij woonden tegenover de grote kas van het Cantonspark. Met regelmaat werden er grote hoeveelheden kolen bezorgd. Met een lopende band werden de kolen omhoog gebracht en in het kolenhok gestort. Interessant voor ons om te bekijken. De grond erom heen was niet meer helemaal schoon. Als het geregend had mochten wij voor het hek van het park in dat vuile zand met onze laarzen aan daar in de plassen graven en stampen. Wij kwamen daar niet helemaal droog en schoon vandaan. Van tijd tot tijd werden er palmen aan- en afgevoerd van en naar de kas aan de Tromplaan. Ook boeiend.


Joke, ongeveer 1953                                                                          Bert en Joke, augustus 1954                         

Dierbare herinneringen

Mijn vroegste herinneringen zijn aan de kleine buurmeisjes Mariël en Christel, naar wie ik mijn poppen vernoemd heb, en aan mevrouw Maaneman op nr. 60, aan wie ik op mijn zesde verjaardag mijn cadeau, een  poppenwagen, heb laten zien.  Ik kreeg van haar een schrift dat zij bij het opruimen van het huis vanwege haar verhuizing naar haar zoon in Amerika gevonden had. Ik was er kennelijk zo blij mee dat me dat altijd is bijgebleven.  De heer en twee dames Bodegom woonden op nr. 62. Meneer stond vaak met een snoeptrommeltje bij het hekje van de achtertuin. Tussen deze huizen was een doorgang naar het pad achter de huizen. De muur van nr. 60 was begroeid met wilde wingerd dat in de nazomer prachtig rood kleurde.

Naast ons woonde de familie Faddegon. Zij hadden een kartonnagefabriek in de Eemstraat waar mijn moeder een poosje heeft gewerkt. Helaas ging de zaak failliet en heeft mijn moeder haar loon van de laatste 8 weken nooit ontvangen. Erg zuur als je het geld zo hard nodig hebt. De uitgeleende, heel grote, zwarte typemachine, een Underwood, is na heel veel gedoe teruggekomen en staat nu nog te pronk bij mijn broer Bert. Ik heb er nog stencils op getypt voor het clubblad van zwemclub De Vuursche. Ik was bij de oprichting in 1959 in Astoria, waar nu de Leuning is.  Onze moeder ging toen ‘s morgens vroeg en ’s avonds laat bij Philips aan de Torenlaan  werken en 3 ochtenden bij  huize Patria en nog een ochtend op een particulier adres.

Speelkameraden

Op straat speelden wij veel met Bendix, Pier en Theo Haagsma van nr. 54, met Rietje van ’t Land  en Nancy Vollebregt en met Ernst, Frank en Lydus Kramer van nr. 64. Margreetje Kramer en Stoffel Haagsma waren een stuk jonger.  Op nr. 56 woonde de familie Kuiper met  Henk, André, Puck (Aartje), Hans, Marian en Annelies. De laatste drie waren ongeveer van onze leeftijd. Dit was een familiehuis. De familie Kuiper ging later naar de bakkerij in  de Laanstraat en oma en opa kwamen hier wonen. Puck en haar vriendin Gerrie van der Horst speelden graag met Bert toen hij nog Bertie was. Hij weet er zelf niets meer van.  Er was in deze kinderrijke buurt dus eigenlijk altijd wel iemand om mee te spelen. Onze kreet: Hoehoi met toevoeging van een naam, was voldoende om iemand naar buiten te krijgen.  De huizen waren nog niet geïsoleerd. Het werkte prima. Wij speelden: verstoppertje, tikkertje, boompje verwisselen, boer zet je bak op en ik verklaar de oorlog aan….. We knikkerden en pinkelden in het zand naast ons huis. Er werd natuurlijk ook gevoetbald op “onze” hoek (met de Van Galenlaan). Menig bal is bij ons door de ruit gevlogen. De Zoete, van de  Faas Eliaslaan werd benaderd en er werd een nieuwe ingezet. Mijn moeder was daar heel makkelijk in. Om op straat te kunnen tekenen voor “Ik verklaar de oorlog aan” en om te kunnen rolschaatsen was een glad wegdek nodig. Soms moesten we naar de Piet Heinlaan als er weer geasfalteerd was en grind gestort. Het was ook de tijd van touwtje springen, tollen, hoela hoepen en stelt lopen.  Ik wilde ook wel eens mee noten pikken in het Cantonspark.
Ik probeerde met mijn net nieuwe zomerjurk over het hek met bovenop prikkeldraad te klimmen. Ja hoor, winkelhaak. Mijn moeder maakte ook daar geen punt van en repareerde het weer.

In onze jeugd is de villa Merelhof in de Leestraat afgebroken. Wij gingen graag ‘s avonds na het eten met een hele groep daar heen om er te crossen. Er heeft hoogst waarschijnlijk een kelder onder gezeten. Het was er lekker heuvelachtig.

Buren en buurtgenoten

De families Vollebregt en Van het Land (van de Van Galenlaan) waren Rooms Katholiek. Nancy en Rietje zijn bruidje geweest. Rietje had een korte, witte jurk en Nancy een lange en zij had als ik me goed herinner bloemen in haar mooie, wat krullende haar. Ik vond vooral Nancy prachtig.

Toen mevrouw Maaneman vertrokken was kwam de famiie Van Schaffelaar met zoon Cees. Heel veel later heeft er een interview met Cees in de Gooi en Eemlander gestaan. Als ik me goed herinner heeft hij het gemaakt met zijn Ellie uit de Brinkstraat in Amerika.

v.l.n.r.: Pier, Lydus, Ernst, Ronald, Theo, Joke en Sonja

Op nr. 64 woonde de familie Kramer. Ernst, Frank, Lydus en Margreetje. Dat je Lydus met een y schrijft en niet met een i weet ik pas sinds 15 december 2019 toen ik in de Baarnsche Courant een interview met hem las. De gedachte aan een foto in mijn album kwam gelijk op. Ik heb hem gemaild en ’s avonds had ik al een mail terug. Het is een foto met een fietsje met een te klein voorwiel en zebragestreepte tape op de hele fiets en de velg van het achterwiel. Ernst en Lydus staan erop en Pier en Theo Haagsma, Ronald Lettenmeijer, Sonja en ik.  Mogelijk logeerde Sonja in de buurt of was op visite.

Op enig moment heeft meneer Haagsma, op zijn sokken, Bert achternagezeten. Wat er gebeurd was weet ik niet maar Bert was toch iets sneller.

Op nr. 66 woonde de familie Lettenmeijer. Martin en Jopie waren toen nog jong en hadden een zoon,  Ronald. Op een avond had mijn moeder een arts nodig. Bij het enige huis waar nog licht brandde belde zij aan om te vragen of zij de dokter mocht bellen. Later vroeg mevrouw hoe het afgelopen was. Mijn moeder moest geopereerd worden en op de vraag of het geregeld was voor de kinderen bleek dat er nog geen opvang voor Bert was. Spontaan zei mevrouw Lettenmeijer dat Bert bij hen kon komen. Fantastische mensen. Dat je dat doet voor volkomen vreemden. Bert en Ronald werden dikke vrienden. Ronald is de huidige eigenaar van de Fiat garage.

Op nr. 68 woonde de “dove juffrouw,” zoals wij haar noemden. (Mej. G.W. Bouman) Zij had een fiets met een bordje achterop met een S en een H in rood/wit.  Zij las ons voor en we kregen snoepjes. Toch plaagden wij haar ook. We gingen op het hek van de achtertuin staan, om over het muurtje van Schoonoord te kijken, terwijl wij best wisten dat zij daar een hekel aan had. Sip, de tuinman van rusthuis Schoonoord, sloeg al op tilt als wij alleen maar over het muurtje keken. Wij zetten ook wel de fiets tegen het muurtje en gingen dan op de bagagedrager staan. Waarschijnlijk hebben we ook wel eens iets uit de groentetuin gepikt maar dat kan ik me echt niet herinneren.

Schoonoord was een villa van de Hervormde Gemeente waar oudere mensen verzorgd werden. Wij noemden het  “oudemannenhuis.” Met Pasen en mogelijk met Kerst brachten de zondagschoolkinderen een attentie. (Ik ook) Er werd in de jaren vijftig evenwijdig aan de Tromplaan een vleugel bijgebouwd. Net achter onze huizen lag een geweldige berg geel zand waar wij zonder toestemming op speelden. Mijn nieuwe schoen verdween in het zand en is niet meer gevonden. Later werd de villa vervangen door nieuwbouw en nog weer later werd er een vleugel evenwijdig aan de Van Galenlaan gebouwd. Daar heeft onze moeder haar laatste jaar gewoond. Zij had het er bijzonder naar haar zin. “Ik had het jaren eerder moeten doen,” zei ze weleens.

Aan de overkant in het park woonde de familie Muijser. Daphne, ik weet niet of ik de naam goed spel, was een van de eerste zo niet de eerste politieagente in Nederland. Frank en Robin speelden wel met Bert. Zij hadden zelfgemaakte karren van oude kinderwagenonderstellen. Hun namen stonden erop en de buurtkinderen wilden graag meerijden. “Mag ik op de kar?” Wel op z’n Baarns uitgesproken. Ik hoor 24 december 2019 van Bert dat hij op zijn aanhangwagen een rek had gemaakt van oude horren. Zo konden zij blad verzamelen en dat in brand steken. Volgens Lydus Kramer was Bert wel zo’n beetje de leider van de jongens in het kattenkwaad. Het zat er dus al vroeg in. In zijn werkzame leven was hij o.a. directeur van een mavo.

Les Baroques

In mijn tienerjaren werd ik fan van de jongens van Muijser. Zij speelden in de band The Hurricane Combo.  Zij oefenden in het studentenhuisje in het Cantonspark.  ’s Zomers kon de hele buurt mee genieten. Later veranderden zij de naam in Les Baroques en anno 2019 worden zij nog op tv genoemd. Ik had ook singeltjes van ze.  In een boek van Judith Koelemeijer wordt geschreven over een optreden van Les Baroques op Texel in 1970. Frank werkte later in de platenindustrie en Robin is rijinstructeur geworden.

Les Baroques, foto gemaakt in het Cantonspark

Toen ik een jaar of elf was ging ik met mijn HEMAVA-busje mijn vaste klanten af voor een maandelijkse bijdrage van 10 of 25 cent in de Heemskerklaan, Tromplaan en Faas Eliaslaan.  Ik kwam daarvoor ook bij de familie Hornsveld. BURBANKIA stond er in de tuin geschreven met vetplantjes. Eerder spaarde mevrouw al zegeltjes van de margarine voor ons. Zo hebben wij onze eerste atlas gekregen. Ik denk dat het blue bandzegeltjes waren. Meneer heeft ooit boos tegen mij en mijn vriendinnetje Ineke Veldhuizen uit de Javastraat staan roepen omdat wij een konijntje hadden laten ontsnappen en dat rende door zijn gewas achter zijn huis. De tuin van mijn vriendin grensde aan de kwekerij. Het konijn was ons kind en had al de lakentjes en dekentjes van mijn poppenwagen nat geplast.

Van Galenlaan

Aan de andere kant van de Van Galenlaan begint de nummering met nr. 42. Nr. 44 ontbreekt. Aan die kant van de laan staan twee-onder-een-kappers en om de hoek veel vrijstaande huizen. Op nr. 40 woonde de familie Marchal. Mevrouw was leidster van de padvinderij. Zij fietste in haar beige met gele pak naar de club.  Mijn zwager vroeg mij in 2018 of ik mevrouw Marchal gekend heb. Zij had kamp met de kinderen op zijn boerderij in de Egelshoek (achter het vliegveld) in Hilversum. Haar zoon liep jaren mee met de avondvierdaagse in een schoorsteenvegers outfit. Dochter Jeanne was wat ouder dan wij maar speelde toch nog heel graag mee.
Verder woonden daar de familie Webber met dochter Liesbeth, de familie De Boer met dochter Els. Volgens de overlevering  kwam daar een prinses spelen, die gebracht werd met een AA auto. Dan nog de familie Van der Vliet met 3 of 4 kinderen en de familie Maree met Jan, Annie, Job, Gerard en Liesbeth. Job heeft in de jaren 60 een ongeluk gehad maar dat is goed afgelopen.
Ergens in deze rij, mogelijk op nr. 30 of nr. 32 heeft Annelies gewoond.  Ik denk dat de familie uit Indië kwam. Annelies was vriendin met Daphne.
Als laatste gezin met kinderen had je de familie Mooy. Berry en Joke. Berry maakte muziek met Gerard Vollebregt. Joke speelde wel eens met ons. Zij had net als ik rood haar en sproeten en mevrouw Wegerif (van de bakker) haalde ons altijd door elkaar.

Voorbeeld van een Messerschmidt

Op nr. 22 woonde de familie Mulder. Zij hadden een blauwe Messerschmidt. Een klein autootje waarvan je de kap omhoog moest doen om in- of uit te stappen.
En dan aan de Piet Heinlaan de boerderij van de familie Groenestein.  Bert kloste vaak ’s morgens vroeg op zijn klompen die kant op om te helpen. (Van de wal in de sloot?) Ik heb er ook wel eens IN de groep gestaan. We mochten de kalfjes wel de emmer met melk voorhouden en ze zogen graag op je vingers. Rond de boerderij lagen slootjes en aan de August Jansenweg was de ijsbaan. Eerst bij Tijmen de Ruig de kleine. Dat was ’s zomers een kampeerterrein. Later een grotere ijsbaan links van de weg. Bert wilde een keer gaan schaatsen en nam een kortere route via de slootjes, die niet goed bevroren waren. Ja, hij was drijfnat en stonk enorm naar de varkenspis.  Mijn moeder heeft er vreselijk om gelachen wat Bert vreselijk vond. Ik heb nu nog medelijden met haar. Er was geen wasmachine of droger. Bij dat soort weer moest de waterleiding ’s nachts worden afgesloten. Eerst water tappen, kranen dicht, hoofdkraan dicht, laatste beetje water eruit laten lopen en de volgende morgen de boel weer openzetten. Op de ramen zaten prachtige ijsbloemen en de pegels hingen aan de dakgoten.

Tromplaan

Om de hoek op nr. 5 woonde de heer Lezer in dat mooie witte huis ZOAR. Ik schaam me nu nog dat wij juist deze man najouwden. Dat hij van Joodse huize moest zijn, van antisemitisme en Jodenvervolging en kampen wisten wij toen niets, maar toch. Er was ook een jonge vrouw die op de Tromplaan werkte. Zij liep door de Heemskerklaan naar de bus of de trein. Ook zij werd nagejouwd. Ben ik ook helemaal niet trots op maar wil het ook niet weglaten omdat dit ook bij mijn jeugdherinneringen hoort.

Na het mailcontact met Lydus, mijn oud buurjongen, gaf hij aan ook zijn herinneringen te willen delen. Deze kunt u hieronder lezen.

Met hulp van een aantal mensen, waarvoor mijn hartelijke dank, las u mijn herinneringen. Misschien komen uw herinneringen ook weer boven en wilt u reageren.  Reacties zijn zeer welkom.

Joke van Reenen-Kalf


Hieronder volgen de herinneringen van Lydus Kramer aan de Heemskerklaan. Lydus woont en werkt in Midden Portugal. Hij geeft trainingen Communicatieve Vaardigheden, coaching en/of psychologische begeleiding, zijn specialiteit, samen met zijn vrouw, Maaike Niemantsverdriet. Zij is Welzijnoloog en organiseert retreats, het nuttige koppelen aan het aangename. 

De Heemskerklaan

door Lydus Kramer


Baarn, Heemskerklaan 64
Eind 1950 begin jaren zestig, Heemskerklaan 64, mijn geboortehuis. Sociale samenleving en veel buiten spelen.

Achter ons, rusthuis Schoonoord, met vijf wat oudere jongens controleerden we of de aardbeien goed genoeg voor de oudjes waren. Eveneens proefden we of het fruit rijp was en gebruikten de kool als voetbal. Tuinman Sip, Sip kale kip noemden we hem, probeerde ons weg te houden, lukte meestal niet. Hij had een gat onder de muur doorgegraven om ons te pakken.
Het liefste en braafste meisje, Wilma, werd aan haar been vastgegrepen. Werkelijk, ze had niets te maken met onze baldadigheid.

Sociaal

De deuren stonden open en iedereen, als het nodig was, hielp elkaar. Zo ook mijn moeder, 2 huizen verderop woonde de dove juffrouw. Stokdoof, heel lief, leerde ons klokkijken en met Pasen kregen alle buurtkinderen een chocolade-ei van haar. Maar één keer per jaar werd er een uitje voor bejaarden georganiseerd, volgens mij door het UWV. Hoe kan een alleen levend doof iemand gewekt worden?
Heel simpel, touwtje aan haar grote teen en uit het raam hangen. Mijn moeder wekte haar door aan dit touwtje te trekken.
Zo ook sinaasappelsap voor een zieke buurvrouw, vers geperst maar wel water erbij, lijkt het een beetje meer.
De kruidenier kwam het “Het Boekje” halen, later op de dag werden de boodschappen gebracht.
De melkboer kwam met melkbussen op een kar de melk in een pan scheppen en om de hoek bij de Javalaan stond de groenteman op blote voeten in zijn winkel de verse spullen te verkopen. In de geur van de tegenoverliggende bakkerij.

Buitenspelen

Vredig, sociaal en slechts drie auto’s in de hele Heemskerklaan aan het Cantonspark. Meisjes speelden met de meisjes en wij met zes andere jongens. Ik was vaak de jongste, ontdekten, na 17.00 uur, als de tuinmannen wegwaren, hoe de mandarijnen in het Cantonspark smaakten. Ook de noten waren heerlijk. Spelen met vleesetende plantjes was een beetje eng, spannend maar ook heel leuk. Beheerder, de heer Muyser, wist dit natuurlijk, maar greep niet in. Later oefende de band van zijn zonen, Les Baroques, op zaterdagmiddag, in dezelfde kas, konden we gratis legaal meegenieten.

In die tijd had ik overal mijn contacten. Bij mevrouw Assink op nummer 72 schepte ik kolen en mocht mede daarom bij haar televisie kijken, toen nieuw en heel uniek. Bij de familie Egels kreeg ik een banaan, wat in die tijd een luxe was. Mijn moeder had achterop mijn jas een briefje gespeld: na 16.00 uur niets meer te eten geven. Gewoon kindermishandeling.
We speelden met vijf of zes jongens veel buiten. Op de hoek van de Heemskerklaan/Piet Heinlaan was of is waarschijnlijk nog een boerderij. Konden toekijken hoe, letterlijk, de kippen de nek werden omgedraaid, lopen als een kip zonder kop zagen we met eigen ogen. Als cadeautje kregen we de pootjes mee. De mevrouw die onze bal niet terug wilde geven zeiden we gedag door aan de spiertjes te trekken, het pootje trok dan samen. Ze vond dit niet leuk maar wij wel.

De buurt

In de zomer kwam er soms, aan het eind van de middag een relatief kleine auto aanrijden. Een emmer vol centen, stuivers, dubbeltjes en kwartjes kwam dan uit de kofferbak, maar vooral overgebleven snoepgoed. De familie Vollebregt kwam terug van de zwembadkiosk. Gelukkig was er veel over om te snoepen, ze waren altijd zeer gul. Later is de familie verhuisd naar het bekende, door hen opgerichte, jazz café Vollebregt in Laren.

Winterse taferelen

De winters waren toen kouder, meer sneeuw, alles wit en veel buiten zijn. Pekelen of sneeuwschuiven werd niet gedaan. Bij de beslist vriendelijke- en spraakmakende familie Lettenmeijer stond dan soms een heuse takelwagen voor de deur. De kans dat er in Baarn of omgeving weggesleept diende te worden was, bij deze gladheid, groot. De Heemskerklaan was een grote ijsbaan. Met een sliert sleeën werden we gesleept achter dit hele grote voertuig. Best eng maar ook heel erg leuk. Zal nooit meer kunnen, maar niemand neemt ons dit plezier meer af.

Leuke tijd?

Mijn opa en oma verhuisden begin 1960 naar Bilthoven van groot naar klein. Uit de overtollige huisraad haalde ik een echt vossenvel. Op een zomeravond bonden we er een touw aan vast. Vanaf de tuinmuur van de familie Kalf naar het Cantonspark lieten we hem heen en weer lopen. Dat er een puzzeltocht was en we deelnemers vroegen de vos een kusje te geven, maakte ons wereldberoemd in Baarn. De Lieverdjes van de Heemskerklaan zijn weer aan de gang stond in de Baarnsche Courant.

Als ik thuis kwam van het buitenspelen moest ik mij buiten uitkleden. In de keuken stond een teil met lauwwarm water. Na daar ingezeten te hebben kreeg ik mijn pyjama aan en mocht ik naar binnen.
Draadomroep, zondagsrust, simpel kwalitatief goed eten, ondeugd en plezier, veel buitenspelen.
Zo denk ik terug aan de heerlijke jaren op de Heemskerklaan.

Lydus Kramer

vrijdag 12 juni 2020

Nieuw boek over “Baarnsche Boeren & Families”



Voor veel mensen is Baarn een prachtige gemeente om in te wonen, te werken of gewoon om er te zijn. Veel minder mensen weten dat Baarn in oorsprong een tamelijk arme, agrarische gemeente was, waar vooral veel kleine boerderijen stonden.  Pas in de 19de eeuw, toen de spoorlijn tussen Hilversum en Amersfoort (de zogeheten Gooilijn) is aangelegd, veranderde Baarn ingrijpend. In de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw zijn vrijwel alle boerderijen uit de bebouwde kom verdwenen. Alle boerderijen? Nee, gelukkig niet. Zowel in als buiten het dorp zijn nog mooie voorbeelden zichtbaar van het Baarns historisch erfgoed. In dit boek staan verhalen en anekdotes geschreven door en over 20 boerenfamilies die in Baarn nog op de boerderij wonen of gewoond hebben tussen 1850 en 2020. Daarmee krijgt u een uniek inkijkje in ons eigen historisch erfgoed, en krijgt u een beter beeld van onze Baarnse geschiedenis. De combinatie van beelden en verhalen maakt dit boek van blijvende waarde.

Het boek heeft de afmetingen van 23 x 23 cm en telt ± 170 pagina’s. Het boek bestaat uit 20 hoofdstukken met als onderwerp de “Baarnsche Boeren & Families” van de navolgende boerderijen, De Koekoek,  Groenesteijn, Ravenstein, Schothorst, Boerderij bij Drakensteyn, Brandenburg, Grimmestein, Gerarda’s Hoeve, Van de Wardt, Daatselaar (zandvoortweg), Franken, Wegerif,  Daatselaar (schoolstraat), Staal, Wolkenberg, De Eult, Paridon, Haarman, Hilhorst & van Romen en Schimmel.

Hoofdstuk 21 bestaat uit 42 afbeeldingen van Baarnsche Boeren en Boerderijen zonder een verhaal. Daarnaast is er nog een overzicht gemaakt van 152 mogelijke adressen van Baarnsche boerderijen, boerenknechten en veeartsen.

Het boek is geschreven door Leen Bakker en Eric van der Ent. Het ontwerp is van Leen Bakker. Het boek is taalkundig gecorrigeerd door 2 medewerkers van de Historische Kring Baerne. De boekverzorging is uitgevoerd door Leen Bakker. Tevens is het boek voorzien van het ISBN no: 9789090328966.

Het boek is qua uitvoering gelijk aan het recentelijk uitgekomen boek “Op de stoep van Soestdijk” en kost € 22,50. Het boek is voorzien van een harde kaft en is ALLEEN maar te bestellen. De oplage is zeer beperkt.

Het boek wordt uitgegeven door Hoeve Ravenstein en gedrukt bij Nabij Producties te Nijkerk.

Het boek zal in augustus gedrukt worden en in oktober af te halen zijn bij Hoeve Ravenstein. Diegene die het boek besteld heeft krijg in augustus een berichtje, voorzien van een bestelnummer, via e-mail, met de exacte datums wanneer het boek af te halen is. Hierbij wordt rekening gehouden met de RIVM voorwaarden die op dat moment van toepassing zijn.

Een boek laten drukken kost veel geld. We hebben al een groot deel in de kosten kunnen besparen door het ontwerp zelf uit te voeren. Daarom willen we graag het gehele bedrag vooruit laten betalen bij inschrijving. Hiermee spreiden we het financiële risico.  

Wilt u verzekerd zijn van een boek dan kan dit maar op één manier t.w.:


Verzenden kan ook. De kosten voor het boek en het verzenden bedragen € 30,50. Het boek wordt dan verzonden in een speciale kartonnenverpakking. Indien u dit bedrag overmaakt op bankrekeningnummer NL56 RABO 0351 2427 40 t.n.v. J. K. Tupker, voorzien van adres en e-mailadres verzorgen wij de rest.

Nadere informatie over het boek kunt u verkrijgen door te bellen met Leen Bakker

tel. 06-30127717.

Enkele pagina's uit het boek:





dinsdag 9 juni 2020

RTV Baarn en het boek Baarnsche Boeren & Families



Op 5 juni jongsleden is RTV Baarn op bezoek geweest bij Hoeve Ravenstein. Ans van Egdom en Jan Smit hebben tv opnames gemaakt over het uit te geven boek over de Baarnsche Boeren & Families.


Dit boek kunt u alleen maar bestellen door:

Het boek is qua uitvoering gelijk aan het recentelijk uitgekomen boek “Op de stoep van Soestdijk” en kost € 22,50. Het boek is voorzien van een harde kaft. De oplage is zeer beperkt.



Het boek wordt uitgegeven door Hoeve Ravenstein en gedrukt bij Nabij Producties te Nijkerk.



Het boek zal in augustus gedrukt worden en in oktober af te halen zijn bij Hoeve Ravenstein. Diegene die het boek besteld heeft krijg in augustus een berichtje, voorzien van een bestelnummer, via e-mail, met de exacte datums wanneer het boek af te halen is. Hierbij wordt rekening gehouden met de RIVM voorwaarden die op dat moment van toepassing zijn.



Een boek laten drukken kost veel geld. We hebben al een groot deel in de kosten kunnen besparen door het ontwerp zelf uit te voeren. Daarom willen we graag het gehele bedrag vooruit laten betalen bij inschrijving. Hiermee spreiden we het financiële risico.

Wilt u verzekerd zijn van een boek dan kan dit maar op één manier t.w.:






Verzenden kan ook. De kosten voor het boek en het verzenden bedragen € 30,50. Het boek wordt dan verzonden in een speciale kartonnenverpakking. Indien u dit bedrag overmaakt op bankrekeningnummer NL56 RABO 0351 2427 40 t.n.v. J. K. Tupker, voorzien van adres en e-mailadres verzorgen wij de rest.



Nadere informatie over het boek kunt u verkrijgen door te bellen met Leen Bakker

tel. 06-30127717.

vrijdag 5 juni 2020

Gerrit Johannis Geijsendorpher een Baarnse luchtvaartpionier



Hij is niet in Baarn geboren, hij is niet in Baarn overleden, maar toch mogen we hem een beetje Baarnaar noemen. En met trots, want Gerrit Johannis Geijsendorpher (of Geysendorffer, zoals hij zichzelf noemde) was een zoon van de Baarnse bloemist Franciscus Geijsendorpher en Derkje van Kernebeek. Gerrit werd geboren op 1 april 1892 in Sliedrecht als vijfde kind in het gezin Geijsendorpher-Van Kernebeek. Hij woonde na Sliedrecht onder andere in 's-Gravenhage, Baarn, Soest, Rotterdam en Aerdenhout. Hij volgde een vliegopleiding als militair vlieger en behaalde het "Groot militair brevet". Na de Eerste Wereldoorlog stapte hij over naar de burgerluchtvaart. Op 1 maart 1921 trad hij in dienst bij de K.L.M. Als voormalig jachtvlieger moest hij leren het wat rustiger aan te doen, nu hij met passagiers ging vliegen. Op 15 april 1921 was hij de eerste Nederlander die het verkeersvliegerbrevet haalde.


De eerste jaren waren als avonturen uit een jongensboek. De piloten gingen op weg in een dikke leren jas en met gevoerde laarzen. Aan boord geen instrumenten of radio. Kerktorens, rivieren en spoorwegen werden gebruikt als richtingaanwijzers. De horizon was de enige koers. In die tijd waren de vluchten wereldnieuws, helemaal als ze over grotere afstanden afgelegd werden. In 1922 maakten de nationale kranten melding van het feit, dat onze oud-plaatsgenoot Geysendorffer Nederlandse bloemen per vliegtuig naar H.M. de Koningin in Kopenhagen bracht. Maar liefst 360 kg bloemen werden vervoerd, waaronder rozen uit Boskoop en Aalsmeer en dahlia's uit alle oorden des lands, waaronder exemplaren van Baarnse kwekerijen. Het vliegtuig vertrok op woensdag om 9 uur 40 en ze zijn om 4 uur 10 Deense tijd, nog geen 6 uur later, fris en wel in Kopenhagen aangekomen. En dat met tegenwind en een tussenstop in Hamburg om benzine in te nemen. Voor die tijd was dat supersnel! De snelste treinverbinding naar Kopenhagen duurde immers wel 24 uur. Vergeleken met de vliegtijd van tegenwoordig is 6 uur vliegen naar Kopenhagen natuurlijk wel erg lang.


In 1924 werd voor het eerst in de geschiedenis van Amsterdam naar Nederlands Indië gevlogen. Maar door een scheur in de radiator moest het vliegtuig een noodlanding maken en het kon pas verder nadat een nieuwe motor ingebouwd werd. Na 55 dagen arriveerde het toestel pas in Batavia. Van een geslaagde vlucht was dus nauwelijks sprake. Drie jaar lang werd geen poging meer ondernomen, totdat in 1927 de miljonair Van Lear Black, eigenaar van de krant The Sun, dit ook wel eens wilde proberen. Black had al eerder Europese vluchten via de KLM ondernomen en gebruikte daarbij de vaste bemanning Geysendorffer, Scholten en Weber. Op 15 juni 1927 vertrok de groep voor de vlucht naar Batavia. In de wereldpers werd deze onderneming breed uitgemeten. De aandacht die André Kuipers bij zijn ruimtevlucht kreeg, verbleekt bij de aandacht die Geysendorffer en zijn bemanning kreeg. 


Elke tussenlanding werd als een hoogtepunt gezien. Ondanks technische problemen, moessonregens en onweersbuien landde het vliegtuig op 30 juni in Batavia. Een vlucht van 16 dagen dus. In Bandung werd de groep door hoogwaardigheidsbekleders ontvangen en verwend. Het was wereldnieuws! De mannen waren helden! Op 6 juli werd de terugvlucht begonnen. Aangekomen in Nederland stond voor de waaghalzen een heldenonthaal te wachten. Vele onderscheidingen en trofeeën vielen hen ten deel. Een zegetocht in open wagen door Amsterdam door een grote menigte publiek! Talloze interviews voor internationale bladen en kranten moesten gegeven worden. Ook in zijn oude woonplaats Baarn, waar zijn ouders nog steeds woonden, volgde op 13 augustus een heldenontvangst.

Voor de KLM was het slagen van deze vlucht ook een sprong voorwaarts. De maatschappij kon in de jaren daarna met zijn lijnvluchten op Nederlands Indië groeien. Er werd in die tijd veel geld verdiend. Ook Van Lear Black had de smaak te pakken. Hij kocht zijn eigen Fokker-vliegtuig en nam Geysendorffer en Scholte in dienst als zijn piloten. In die tijd trouwde Geysendorffer met de Deense Tofa Spandet. Uit het huwelijk werden twee dochters geboren. In 1930 verongelukte Van Lear Black, toen hij op zijn luxe-jacht, tijdens het roken, op de reling was gaan zitten, viel hij van het schip en verdronk. Van hem werd alleen zijn pet teruggevonden, die op New Jersey Beach aanspoelde. Geysendorffer en Scholte keerden daarop weer terug in dienst van KLM.


Als meest ervaren piloot van de KLM maakte Geysendorffer vele vliegkilometers. 

Hij werd ingezet bij de moeilijkste klussen en vliegwedstrijden en dat liep niet altijd goed af.
Op 20 oktober 1934 deed hij mee aan de Melbourne Race. Er werd gestart vanaf vliegveld Mildenhall in Engeland, met als bemanning Geysendorffer, Asjes en marconist Pronk. Het vliegtuig (De Pander) moest in Duitsland al direct een reparatie ondergaan, maar vervolgde zijn reis als derde in de race. In India kreeg het toestel storing aan het inklapbare onderstel, waardoor het geen kans meer maakte op een prijs in de race. Na reparatie werd de vlucht wel vervolgd maar bij de start botste het toestel tegen een tractor die over het veld reed. Het vliegtuig vloog in brand. De bemanning kon zich redden en ook de bestuurder van de tractor werd uit de vlammenzee gered.
kort voor het ongeval Pronk, Gijssendorffer en Asjes 


Ook na de tweede wereldoorlog bleef Geysendorffer vliegen. Had hij in 1934 nog geluk door levend uit een gecrasht vliegtuig te komen, op zondag 26 januari 1947 liep het niet goed af. Direct na de start van vliegveld Kastrup in Denemarken, stortte zijn Douglas Dakota PH-TCR neer. Alle 22 inzittenden kwamen daarbij om het leven waaronder Gerrit Johannis Geysendorffer. Onder de passagiers waren ook Prins Gustaaf Adolf van Zweden, de Amerikaanse zangeres Grace Moore (naar wie Elvis Presley zijn landgoed Graceland vernoemde) en de actrice Gerda Neumann. Onderzoek naar de ramp wees al snel uit dat een 19-jarige leerjongen vergeten was om vóór de start, de klamp die het hoogteroer verankert (de zogenaamde elevator locking pin), weg te nemen. Geysendorffer startte dus met een vliegtuig met een geblokkeerd hoogteroer en was dus volslagen kansloos om het toestel onder controle te krijgen. Het ongeluk in Kastrup leidde ertoe dat voortaan de klampen van het hoogte- en richtingsroer door middel van een staalkabeltje aan elkaar werden bevestigd, zodat het onmogelijk werd om er één te vergeten te verwijderen. Ook zouden de klampen van een felgekleurde wimpel worden voorzien zodat ze meer opvielen, maar voor Geysendorffer kwamen die maatregelen te laat…