 |
| Jachthaven bij Restaurant Eemlust/ Piet Kuijer |
Het is woensdag 31 januari 1979
De Eem
"Vooruit Barend, we hebben dat verhaal van jou
over de naam van de Eem nog tegoed", waren mijn woorden om mijn goede
vriend uit zijn „historische'' tent te lokken. Wat evenwel niet zo noodzakelijk
leek, want Barend popelde gewoon zijn kennis van onze plaatselijke geschiedenis
te kunnen spuien.
In zijn uitlegging hij zelfs
terug tot het jaar 777, want zo'n 12 eeuwen geleden schonk niemand minder dan
Karel de Grote vier bossen aan de Kerk van Sint Maarten te Trecht. In deze
schenking aan de Utrechse bisschop werd met nadruk verklaard, dat die bossen
gelegen waren ter weerszijden van de Hemi, Een naam voor onze rivier, waarvan
later het definitieve Eem afgeleid zou worden, aldus Barend.
Verscheidene kleine beekjes en watertjes, die van de
hoge heide of het Gelderse „gebergte" naar beneden kwamen, vormden de
oorsprong van deze Hemi, legde Barend uit. Vooral de Lunterse Beek was zo'n
"waterleverancier". Overigens vloeide al dat water als Amer naar het
lagergelegen land rond Renswoude en Woudenberg, voegde hij er aan toe.
Versterkt door de Rhenense wateren tot een flinke stroom. Waar de samenvoeging
tot stand kwam vormde zich Amersvoorde.
Pluim
„In het boek van Pluim wordt de rivier anders een
mogelijke overblijfsel van een zeer oude Rijnarm genoemd", probeerde ik
Barend bij deze uitleg beentje te lichten. Bij wat nu de Grebbeberg is zou deze
arm de hoofdstroom hebben verlaten om een weg daar de Gelderse Vallei te
zoeken. Pluim oppert daarbij als naam Flie, die dan via het vroegere meer Flevo
bij het huidige Vlieland, in de Noordzee zou uitmonden. Wat weer de naam
Flehite (o.a. terug te vinden in de huidige naam van het Amersfoortse museum)
voor deze regio kan verklaren.
Barend keek me wat verdwaasd aan en ik haastte me hem
met iets positiefs weer gunstig te stemmen. „Overigens vermeldt dat boek van
Pluim ook die ordonnantie van Karel die Vijfde uit 1554, die tot verdieping en
verbreding van de Eem moest leiden", complimenteerde ik Barend in verband
met zijn verhaal van vorige week. Mijn wantrouwen om zijn uitleg in Pluim na te slaan,
viel kennelijk niet in goede aarde. Zijn antwoord was ontnuchterend: “Dat het klopte is niet zo verwonderlijk. Het
is, allemaal zwart op wilt te vinden in het Archief voor Kerkelijke en Wereldse
Geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht. Namelijk in het in 1843 uitgegeven
derde deel".
Vervuiling
Gelukkig was Barend desondanks bereid me meer te
vertellen over die ordonnantie („Oircondt") van 1554. De vervuiling van de
Eem was in die jaren maar vaar een klein deel toe te schrijven aan de mensen,
die zich langs de oevers vestigden. De veelvuldige overstromingen speelden
minstens een even grote rol. Maar voornamelijk het uit de Veluwse beken
meegespoelde zand zorgde voor de steeds toenemende klachten. Waarbij - er is
dus helemaal niets veranderd! - het ene dorp steeds de schuld op het andere
gooide. Amersfoort zelf had reeds de nodige maatregelen genomen om het vuil te
keren. Vooral tussen Koppelpoort en de Melm (bij Soest) echter werden de
klachten steeds talrijker. De noodzaak van afwatering (Gelderse Vallei) en
scheepvaart (de boten konden zo uit de zee tot aan de Melm bij Soest komen)
woog zwaar genoeg om tot maatregelen te komen.
De in 1554 in het Utrechtse
kantoor ten huize van Mr. Jan van Montfoort opgestelde „Oircondt"
(tegenwoordig zouden we van een verordening spreken) was zeer uitgebreid en
geprecisiëerd. Er werd in bepaald dat beken, buiten- en binnengrachten moesten
worden verdiept. De gebruikers van de landen langs de met name genoemde waterenmoesten
de op te hogen oevers („seven of ses voeten vanden oppercanten vanden
water") met groenvoorzieningen gaan onderhouden.
Zandbank
Tevens werd verordend dat bij de stad Amersfoort in de
rivier een schutting geplaatst moes worden, een halve voet boven de grond. Dit
om het zand tegen te houden, dat drie of viermaal moest warden weggenomen en
gezuiverd. Ook werd verboden aarde of vuiligheid in de genoemde
wateren te werpen of te storten. Barend wees me met enig leedvermaak naar de boeteclausule,
die daarvoor in de ordonnantie ongenomen was: „op peene van 't elcker reyse te
verbeuren twaalf stuyvers, d' een helft tot profijt vanden aanbrengher en de
andere helft tot, profijt vanden officier van den plaetse".
Het profijtbeginsel deed in die dagen ook al opgeld.
Want om de "verdiepinge te becostigen ende het, werck ende de gravinge te
doen" moesten de belanghebbende gemeenten geld bijdragen en gravers
leveren. Dat ging evenredig aan de grootte van de gemeenten.
Met moeite wilde mijn vriend op die verdeling ingaan,
want het aandeel van Baarn bleek in die jaren maar uiterst bescheiden te zijn.
Samen met, de Vuursche (of met, „de Vurse met die Venen", zoals toen
omschreven werd) behoefde Baarn maar 5 gravers te leveren. Tegen Eembrugge bijvoorbeeld
6, Soest (omschreven als Birckt, Zoest ende Nederseldert met die Venen) 10 en
Eemnes-Binnen 4. Opvallend hoge kontingenten gravers daarentegen moesten
Eemnes-Buiten (Eemnesse buytendijks) met 15 en Bunschoten met 16 op een totaal
van 143 gravers optrommelen.
Milieubelasting
Ook een particulier als Gellebert
van Schoonebeecke werd in die verordening flink aangeslagen. Zijn belang was
duidelijk: het afgraven en afvoeren van het veen bij Veenendaal. Zelf moest hij
drie honderd gulden betalen en zijn "Compagnie" nog eens zeven
honderd gulden. „In die Oircondt van 1554 zijn nog vele interessante
détails te vinden", zo wilde Barend zijn verhaal voortzetten. Als
voorbeeld gaf hij ene Roelof van Wijkersloot, in dit stuk genoemd als
Maarschalk van Eemland. „Was dat een voorloper van de huidige voorzitter van
het gewest Eemland", vroeg ik om ook eens grappig te zijn. Maar het bleek
een stadhouder van de Bisschop van Utrecht voor deze regio te zijn. Zo'n
bisschop had toen wel heel wat meer in de melk te brokkelen, dan nu onze
Commissaris van de Koningin. Dat staat vast.
Bron:
Willem de Schrijver
BAARNSCHE COURANT VAN WOENSDAG 31 JANUARI 1979
Geplaatst door L.J.A.Bakker