dinsdag 9 februari 2016

Herinneringen van Hans (12): Mijn lagere school jaren op de St. Aloysiusschool (1953-1959) deel 1

door Hans Smeekes

Het was in 1953 dat ik voor het eerst naar de grote school, zoals we dat toen noemden, kon gaan. We waren datzelfde jaar in het voorjaar verhuisd van de Zandvoortweg naar de Lepelaarstraat. Ik kan me niet herinneren dat mijn moeder me ooit heeft gebracht.
In feite zette ik en ook later mijn broers de familietraditie voort. Ook mijn vader en mijn ooms en tante hadden op de St. Aloysiusschool gezeten.



In 1995 werd het 100 jarig bestaan gevierd en werd er ter gelegenheid hiervan een fraai boekwerk uitgegeven.
Er waren diverse fases. In de tijd van mijn vader (dat was voor de tweede wereldoorlog) was er ook nog een St. Bonifaciusschool (een lagere school en een ULO), dat was in wat we nu het oude, hoewel gerestaureerde gebouw met de twee vleugels zouden noemen.
Een school voor de beter gesitueerden. Beide scholen strict gescheiden door een schutting dwars over de huidige binnenplaats. 
De school van mijn vader (de oorspronkelijke St. Aloysius dus) werd de  klompenschool genoemd. Dat was wel duidelijk waarom. Er was toen dus nog scheiding tussen arm en rijk. Mijn vader kon zich daarover nog wel eens opwinden.


Tante Corrie, Oom Jan en mijn vader Joop Smeekes
Volgens bovengenoemd boekwerk zaten de kinderen tijdens de schoolmis streng gescheiden en het vermeldt ook dat er wel eens ruzie was tussen de jongens van de twee scholen. Maar als de schoenenjongens over de schutting probeerden te klimmen, werden ze met de klompen door de klompenjongens op de vingers geslagen.
Na de tweede wereldoorlog gaan beide scholen samen in elkaar op. Er is dan nog maar één lagere school de St. Aloysiusschool. De naam Bonifacius wordt dan alleen nog gebezigd in de naam van de ULO.
Beide gebouwen worden dan door de St. Aloysiusschool gebruikt. 
Van de eerste klas heb ik een deel niet meegemaakt. Ik was vaak ziek, soms had ik zelfs twee ziektes tegelijk. Zo herinner ik me dat ik met geelzucht in bed lag en daarbij ook nog de mazelen had. Nou was dat laatste iets dat je toch eens moest krijgen, maar toch. 
Ik had ook last van bronchitis en toen kreeg ik ineens longontsteking. Dubbele ook nog. Het kon niet op. Ik heb toen zes weken in het ziekenhuis gelegen. Dat was nog in het oude ziekenhuis aan de Torenlaan. 


Het ziekenhuis aan de Torenlaan
Voor een deel van de tijd ook nog in quarantaine. Dat weet ik nog, aan de ene kant kon je naar buiten (in de tuin achter het ziekenhuis) kijken en aan de andere kant had ik zicht op de andere patiënten in de grote zaal. Aanvankelijk reageerde ik nergens op. Elke dag kwam de zuster met een grote spuit aanzetten die dan ook nog niet bleek te helpen. Tot men een nieuw pas ontwikkeld antibioticum (penicilline) als laatste redmiddel ging uitproberen en dat bleek wonderwel te helpen. Zodra het toen een beetje ging met mij, mocht ik op de grote zaal liggen, waar ik eerst op uitkeek. Wat ik me ook nog herinner uit die tijd, was de soep. Een soort dikke groentesoep, misschien helemaal niet zo speciaal, maar ik vond het lekker en thuis kregen we die niet.
Juffrouw Veldhuizen


Nadat ik weer thuis was gekomen, kwam de schoolklas met de onderwijzeres juffrouw Veldhuizen voorop bij mij in de Lepelaarstraat op bezoek. 
Geweldig natuurlijk. Maar soms vraag ik me wel af of dat wel echt gebeurd is. Want 40 kinderen bij ons thuis in de huiskamer, dat kon toch helemaal niet. Bij nader inzien zal het wel een afvaardiging zijn geweest. Vaag herinner ik me dat mijn moeder rondging met glaasjes ranja.
Zo zwak als ik toen eigenlijk was, zo sterk ben ik nu. Want zoals de dokters toen al hadden aangekondigd aan mijn moeder: het kon vergroeien. En dat is ook gebeurd. Vanaf mijn twaalfde ben ik eigenlijk nooit meer ziek geweest. Zelfs griepjes gaan aan mij voorbij. En tegen hepatitis A en B hoef ik niet ingeënt te worden. Dat is steeds handig gebleken met het op reis gaan. Eigenlijk had mijn moeder zo’n zelfde verschijnsel. Ze had in haar jonge jaren Engelse ziekte, zoals dat werd genoemd. Iets aan de botten. Maar is er toch mooi 92 jaar mee geworden en ook bijna nooit ziek geweest.

Hoe dan ook de gezondheidsperikelen in die tijd stonden een overgaan naar de tweede klas niet in de weg, ik had goede cijfers.









We kregen elk trimester een fraai klein rapportboekje mee naar huis, dat we mee terug moesten nemen met de handtekening van één der ouders erin (mijn vader had een fraaie handtekening!). 

Aan de binnenkant van het boekje stond een tekst met aanbevelingen aan de ouders. Echt iets van die tijd.




In de 2e klas staan er geen cijfers ingevuld bij het vak lichamelijke oefening. Dus kennelijk had ik nog wat nasleep van mijn ziektes en heb ik daaraan niet (of nauwelijks) deelgenomen (vreemd genoeg had ik bij nader inzien wel cijfers voor gymnastiek in de 1e klas).


In dit verband weet ik nog goed, dat als er in de pauzes spelletjes als krijgertje werden gedaan op de binnenplaats, ik alleen mee mocht doen op de conditie van ‘spek en bonen’. Dat was een vreemd fenomeen, je deed wel mee, maar ook weer niet echt. Maar last had ik er niet van.
Ik ben er ook nooit om gepest. Een verschijnsel dat überhaupt niet voorkwam. Er was eerder een grote solidariteit. Ik weet niet meer in welke klas dat voorkwam, maar ik heb er beeld van dat strafregels meestal in de prullenmand terechtkwamen, die er weer door één van ons werden uitgevist. 
Speciaal enkele heel slimme meisjes hielden zich daarmee bezig. Zo hadden ze een hele voorraad. En zodra iemand strafregels kreeg opgedragen, werd gekeken of die er tussen zaten.




Ik denk dat we nog hebben leren lezen met behulp van het bekende aap-noot-mies dat vooraan in de klas hing.
Het schrijven met het kroonpennetje was een ware crime. Dit vanwege het vlekken.



Het was oppassen voor stoten tegen het lessenaartje. 

Vooral als het inktkokertje net was bijgevuld. Ik herinner me dat het penhoudertje aardig door mij was afgekluifd en ik was niet de enige.

Het boek ‘Het tovervisje’ is volgens mij het eerste boek dat ik thuis las. Het lag onder in de boekenkast en vaak kroop ik in een hoekje met het boekje en was ik voorlopig onzichtbaar en onhoorbaar. 



De leuke tekeningetjes  van Nans van Leeuwen en de eerste regels zijn me altijd bijgebleven. 
Dat het dwergenpaartje in een keulse pot woonde, vond ik fascinerend, want een dergelijke pot hadden we bij ons thuis achter in de tuin staan. 


Hoewel niet omgekeerd, maar toch keek ik of ik iets van de dwergjes kon ontwaren. En waar ik nu woon, in het zuiden van het land met mijn partner Fifi, staat er zowaar ook een keulse pot achter in de tuin ... met het dwergenpaartje. 


Dat zijn wij dus.

In dit verband is het ook grappig om te vertellen dat toen ik in Friesland (in Hindeloopen) als nieuwbakken beheerder van het gemeenschapscentrum voor het eerst achter de bar stond, iemand begon te roepen: ‘Hé, het is precies Piggelmee.!’ En vanaf dat moment werd ik zo genoemd. Dat vond ik eigenlijk best wel toepasselijk want Pigggelmee is zo’n beetje mijn alter ego. En betekende gelijk dat ik erbij hoorde, want iedereen had in dat Friese stadje een bijnaam.

De St. Nicolaaskerk




Het zal wel in de eerste klas geweest zijn dat ik aan de z.g. eerste H. Communie heb deelgenomen.


Hans in zijn communiepak met broers Gerard en Henk


Mijn opa in Hilversum, de vader van mijn moeder, die kleermaker was, had het communiepak deskundig genaaid. 

Korte broek met colbertje in dito stof. Heel sjiek. 




Het was in de tijd dat Pastoor Kaarsgaren de scepter zwaaide in de St. Nicolaaskerk.


Pastoor Kaarsgaren met kapelaans en acolieten


Ik vond het wel imponerend om nu eens helemaal vooraan te zitten, voor het eerst had ik goed zicht op het tabernakel en zo. Want normaliter op de zondag konden we slechts een plaatsje veroveren ergens helemaal achteraan en dan ook nog achter één van de dikke pilaren. 

Dat kwam voornamelijk omdat we meestal aan de late kant binnenkwamen. Mijn vader was daar voornamelijk debet aan, want hij had meestal niet zo’n zin. En: we moesten er allemaal goed opgedoft uitzien. Dus dat nam tijd.
Bovendien puilde de kerk uit door een toename aan gelovigen. Het is daarom dat er toen voorzichtig werd gedacht aan een nieuwe parochie, dat dus later is geresulteerd in de bouw van de Mariakerk. 
Alvorens we aan de eerste communie mochten meedoen, moesten we voor het eerst biechten. 


Met de hele klas gingen we dan naar de kerk, daarvoor hoefden we slechts de Kerkstraat over te steken. We stoeiden dan in de banken en schoven één voor één op tot je aan de beurt was en dat enge hokje in moest. Dan schoof de kapelaan het gordijntje dicht en zat je in het pikkedonker op je knieën door een gaasje naar het onduidelijke hoofd van de kapelaan te kijken. Net als alle anderen wist ik gewoon niet wat ik op te biechten had. Dus verzon ik snel maar wat, bijvoorbeeld dat ik een snoepje had gepikt. Nou hield ik nog niet eens van zoetigheid in die tijd, maar ja je moest wat zeggen. En ook later is dat altijd zo gebleven, je zei maar wat tot tevredenheid van de kapelaan. En dan moest je een gebedje doen voor de absolutie en vloog je weer naar buiten.

Na de communieceremonie was het een drukte van belang bij ons thuis aan de Lepelaarstraat. 

Mijn beide opa’s en oma’s waren er en diverse ooms en tantes. 





Ik werd aardig gefêteerd, maar de cadeautjes waren allemaal 
religieus gerelateerd. Zoals een mariabeeldje, rozenkrans, een wijwaterbakje en 'last but not least' een kindermissaaltje, dat ik nog heb.


Het moet in de eerste of tweede klas geweest zijn dat we ook een tijdje zijn ondergebracht in het St. Nicolaasgebouw. Ik denk vanwege een verbouwing. Ik herinner me het beheerdersechtpaar nog goed. De Heer en Mevrouw Hecker. Volgens mijn gevoel waren zij al sinds mensenheugenis verbonden met het St. Nicolaasgebouw. Dat ze er ook woonden zal daar wel toe hebben bijgedragen. Zij waren één en hetzelfde.
St. Nicolaasgebouw

Het leslokaal was op de bovenverdieping. Ik vond het een gebouw met historie. Ik herinner me de brede statige trap met veel hout naar boven nog heel goed. 


En ook de de oude lessenaartjes. Die waren nog van voor de tweede wereldoorlog. 

Voor de gymnastieklessen moesten we naar de oude school. En dan moesten we keurig in de pas twee aan twee over het trottoir van de Brinkstraat lopen.
Gezien mijn zwakke gezondheid had ik het overigens niet op die gymnastiek (als ik er al aan deelnam). Vooral het klimrek haatte ik. Ik was er echt bang van om naar boven te klimmen. Maar er viel vaak niet aan te ontkomen. Als ik dan eindelijk boven was en naar beneden keek, dan begon het me te draaien. En vogelnestjes maken aan de ringen, wat de anderen zo leuk vonden, ik had het er niet op. 
Van de onderwijzer in de tweede klas de heer Ram weet ik me totaal niets te herinneren.
Meneer Jessurun


Zo veel te meer van de onderwijzer in de derde klas, meneer Jessurun. 



Ik heb van die klas een fraaie foto, diverse medeleerlingen herinner ik me nog goed. Te meer omdat ze steeds mee promoveerden tot aan de zesde klas toe.


Op de foto staan:
1e (voorste) rij van links naar rechts: Leo Lodenstijn, Hans Smeekes, Egied Hartman, Cees Schothorst, Nol Molenaar, Jan v.d. Werf, Theo v.d. Voort.
2e rij: Ineke Schouten, Bea Flapper, Emmy van Diermen, Mieke van Wegen, onbekend, Carla de Haan, Ria van Remmerden, Willie Smeets, Thea v.d. Ploeg, Martha Hilhorst, Joan Sterneberg, Hannie Schouten.
3e rij: Leontien van Liempt, Gonnie Vredendaal, Rudi Betsman, Annette Kraakman, Hans Hunting, Monica de Groot, Marcus v.d. Steenen, onbekend, Hans Tijhuis, Marianne Kok, onbekend, Mieke v.d. Zwaan.
4e (achterste) rij: Meneer van Gisbergen (hoofd van de school), Nannie Gieskens, Henri Verhoef, Joke Kieft, Jan Kuijer, Rietje Luif, Hennie Westerveld, Gerda Dorrestijn, Ko de Leeuw, Nellie ..., Thomas ..., Meneer Jessurun.

Met Hans Tijhuis was ik vriendjes toen we nog op de Zandvoortweg woonden.
Rietje Luif woonde twee huizen verder bij ons aan de Lepelaarstraat. Bij Hans Hunting kwam ik wel eens thuis, hij woonde vlakbij de speeltuin, in de Begoniastraat, denk ik.
En ik was bevriend met Leo Lodenstijn, die woonde in de Gruttostraat of Kievitstraat. Zijn vader was een bekend politieman in Baarn.
Egied Hartman, zijn vader had een fotozaak in de Oranjestraat, heb ik vooral gekend toen we samen op het zangkoor zaten.

Opmerkelijk is, dat ik de enige leerling ben met een stropdas om en keurig wit overhemd. 
Dat was echt iets van mijn moeder. Want op foto’s moest ik er netjes uitzien.
Sinds jaren heb ik al geen stropdas meer aangeraakt. Ik heb er nog één (een zwarte), voor je weet maar nooit.  

Van meneer Jessurun herinner ik me dat hij geweldig verhalen kon vertellen. Die verhalen speelden zich vaak af in verre oorden. Indonesië en zo. Ik denk dat hij deels Indisch bloed had, maar dat is echt een vermoeden. Hij had in elk geval wel heel donker haar. 
Maar hoe het ook zij, het is absoluut zo, dat hij mede de zaadjes heeft gelegd, dat ik belangstelling voor oosterse landen heb gekregen. 
Het zal ook in die tijd geweest zijn, dat ik mijn eerste fiets tot mijn beschikking kreeg. Mijn vader, die voor hij bij de PPI ging werken, enige jaren als rijwielhersteller bij de gebroeders Karhof in de Nieuwstraat in dienst was geweest, had van de bruikbare onderdelen van drie oude fietsen een ‘nieuwe’ fiets voor mij gefabriceerd. Een damesfiets weliswaar maar dat mocht de pret niet drukken. Mét bagagedrager en dat was belangrijk want ik moest mijn twee jaar jongere broer Henk daarop naar school brengen.


Voor die tijd had ik dat dus nog lopend moeten doen. Ik kan de route nog dromen:



Lepelaarstraat-Reigerstraat-Oosterstraat-Noorderstraat-Faas Eliaslaan-Kerkstraat.










In de Oosterstraat ter hoogte van de openbare school (de Oosterschool) rechtsaf de Noorderstraat in. 


Daar was een kolenboer rechts geloof ik. Schattige kleine huisjes. Een leuk wijkje inclusief een groenteboer en bakker. 

En de kruidenier op de hoek met de Javalaan. 



En dan de statige Faas Eliaslaan in. Ik herinner me de prachtige schaduwrijke bomen, die de laan een heel oud en magisch aanzien gaven.
Ja het was een hele tocht, vier keer op een dag. Want tussen de middag gingen we allemaal naar huis. Maar dat was geen probleem, dat deed je gewoon. Geen brengen en ophalen door de ouders zoals dat heden ten dage vaak gebeurt. Natuurlijk was er toen minder verkeer, maar toch. Het gaf je al heel jong een zeker verantwoordelijkheidsgevoel. En er was onderweg nog wel eens wat te beleven. In elk geval te zien en dat prikkelde dan weer mijn fantasie. 


Luchtfoto Noorderstraat, Oosterstraat, Javalaan 1949

Wordt vervolgd met deel 2.

Hans Smeekes  















Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter

3 opmerkingen:

  1. Als zoon van de bovenmeester heb ik de beide scholen natuurlijk ook heel goed gekend, maar ik zou wel eens willen weten hoe het toch komt, dat mijn vader altijd GIESBERGEN werd genoemd, nu dus zelfs zwart op wit. Ik kan me dit goed herinneren en heb het nooit begrepen. De vader van mijn beste vriendje was goed bevriend met mijn nader en ook hij deed dat.

    Joost van GISBERGEN

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. Sorry Joost, dit is een stomme fout. Want ik wist het eigenlijk wel. Ik heb de naam nog speciaal opgezocht in het boekwerk dat is uitgegeven tgv het 100 jarig bestaan. In deel van mijn lagere school belevenissen (dat nog moet worden gepubliceerd) komt de naam van je vader nog enkele malen voor en daar staat het goed. Alleen bij de foto in dit deel ben ik ben ik toch de fout ingegaan. Nogmaals sorry.
      Hans Smeekes

      Verwijderen
  2. Hi,

    Ik vindt dit artikel heel erg leuk en geeft mij veel goede herinneting van mijn vader en de school. Van harte bedankt...Frank van Gisbergen..

    BeantwoordenVerwijderen