vrijdag 29 december 2017

Baarn in de tijd van het gaslicht



de lantaarnopstekers van Baarn
G. Hooyer Sr. schreef: Uit mijn kindertijd herinner ik me nog, dat mijn moeder 's avonds als het begon te schemeren, de petroleumlamp ging verzorgen. Als de katoenen pit van de lamp niet gelijk was, nam zij een breinaald, stak die in het haardvuur en wachtte tot deze naald roodgloeiend werd.

Dan streek ze daarmede net zo lang over de peer van de lamp, tot de pit gelijk op brandde. Er mocht nooit een oneffenheid aan die pit voorkomen, want dan ging de lamp walmen; het gevolg was een roetaanslag. Tegenwoordig draai je het knopje om en een zee van licht verspreidt zich over de kamer. We vinden dat heel gewoon, maar vroeger, in het begin van  deze eeuw, had moeder naast haar al omvangrijke huishoudelijke taak er de zorg voor de verlichting ook nog bij. Tegenwoordig zijn die petroleumlampen weer erg in trek, maar met de herin­nering aan die vieze petroleumlucht kan ik - hoe zeer antiek mij overi­gens ook boeit - deze lampen nog steeds niet uitstaan.
Gelukkig was, toen ik in Baarn kwam wonen zo omstreeks 1905, hier reeds gaslicht; niet reukloos maar toch veel zindelijker dan petroleum. In het jaar 1877, werd hier een particuliere gasfabriek gesticht. Door de heren Ed. J. Teixera de Mat­tos en Jhr. J. Hartsen werd een ver­zoek ingediend bij het gemeentebestuur om hen een stuk grond te willen verkopen aan de Westerheide (nu Gas­laan-Lindenlaan), om aldaar een gas­fabriek te bouwen.

Op de 8ste april van datzelfde jaar reeds nam de raad het besluit de beide heren deze vergunning te verlenen en hen de daarvoor benodigde grond te verkopen.
Met enige verwondering lees je dan hoe snel die fabriek tot stand kwám, want op 1 januari 1878 brandden reeds de straatlantaarns.  Het waren de z.g. vleermuisbranders, die we uit onze jeugd nog goed herinneren. Toch voldeed dit alles nog niet. In 1896 plaatste men een proef met 30 straatlantaarns, voorzien van een gloeikousje.

Die gloeikousjes hadden een sigaarvormig model; net een linnen haakwerkje; een op vitrage gelijkend gevalletje. Boven aan de punt een lusje, dat op de staande pen met een gaffeltje werd geplaatst. Vervolgens het lampenglas erop, een lucifer aangestoken, welke men onder 't kousje hield en die dan keurig afbrandde tot boven toe. Even daarna kon men het gaskraantje openzetten, weer werd een lucifer aangestreken en boven de lamp gehouden en floep de lamp brandde.
De gasvlam, nu gebonden door het gloeilampje, verspreidde een zee van licht. Dat de ontwikkeling van deze uitvinding veel tijd heeft gekost, laat zich denken; je moet maar op zo'n idee komen. We gingen trouwens de eeuw van allerlei uitvindingen tegemoet. Een overstelpende produktie volgde, plus de ellende van de twee wereldoorlogen.

Tenslotte nu een tijd, dat men de produktiekraan wat toe zou willen draaien, om wat meer op handenarbeid over te gaan, teneinde de werkloosheid te bestrijden. Of dat de oplossing van de moeilijkheden zal zijn, waar we dagelijks mee geconfronteerd worden, is aan grote twijfel onderhevig.
Dat onze generatie in deze eeuw een uiterst interessante tijd heeft beleefd is een feit. Laten we hopen, dat de Arabieren de oliekraan niet dicht draaien en we niet weer naar die gloeikousjestijd terug moeten keren.

De Gemeenteraad van die tijd was zuinig
Op 3 maart 1897 werd er een raadsvergadering gehouden, waarop eens breed gepraat werd over "om alle straatlantaarns van een gloeikousje te voorzien". Het voorstel werd met 6 tégen 3 verworpen.

Ja, men sprong zuinig met de belastingpenningen om, er moest kennelijk te hard voor gewerkt worden. Ook groeiden er toen in de tuin van de Ontvanger in de Kerkstraat nog geen boompjes, waar gouden appeltjes aan groeiden.
Voorts vergat men bij lichte maan nogal eens de lantaarns op tijd uit te doen Later zijn die gloeikousjes er toch gekomen, want er dreigde concurrentie van de zijde van de particuliere electrische centrale, die gebouwd was naast de gasfabriek. We schrijven 20 juli 1898 wanneer voor het eerst hier in Baarn in één van de villa's het electrische licht brandde.

Deze uitvinding was Amerika overgewaaid naar Europa. Ja, zo’n doodgewone krantenjongen fikste het maar en deed de ene uitvinding na de andere. Maar we gaan nog even terug naar de bewoners van ons dorp, die nu pas van de misère van de petroleumlampen af waren. Een leiding vanaf de straat naar huis, een muntenmeter, lampen en zelfs een kooktoestel kon geplaatst worden. Klaar was Kees. Jonge, jonge, ’s ochtends als je, je werk moest, geen kachel meer aan maken om theewater te maken kooktoestel bracht wel uitkomst!  Moeder de vrouw kreeg het maar gemakkelijk, zo vond men.
Overheidsinstellingen poffen niet!

Bij de gewone man - boter bij de vis! Meermalen heb ik geschreven over de armoede die er destijds heerste onder de burgerbevolking en dat 's winters velen op krediet kochten en in de zomer, wanneer de huisvader weer werk had, moeder de vrouw de rekening weer aanzuiverde. De kruidenier zorgde voor de distributie van de gaspenningen, dat waren jarenlang de gewone z.g. vierduiten of 2 ½ centsstukken.

Om als een sleuteltje te passen in de gleuf van het gasstel had men er op de fabriek een gekarteld randje uitgeponst. Die kruideniers verdienden weinig aan die gaspenningen, dat herinner ik me nog goed. Maar zij moesten toch enigszins schadeloosgesteld worden, want zij derfden immers inkomsten van de verkoop van de petroleum. Als de incasseerder van de gasfabriek kwam, rolde hij de munten in grijze papiertjes, in rolletjes van tien. De kruideniers, de man of de vrouw die de zaak dreef, waren eigenlijk de weldoeners van de buurt, want ook de gaspenningen gingen op krediet.
Je hoort nu nog in gedachten het pruttelend geluid van de lamp, wanneer de penning op was en de gastoevoer onherroepelijk werd afgesloten. Dan ging moeder de vrouw in haar beurs zoeken of ze er soms nog een muntstukje had zitten, hoewel ze drommels goed wist dat ze nog geen cent rijk was. Had je dan nog een stompje kaars, dan stak je dat maar aan en als dat opge­brand was, ging je naar bed. Dergelijke toestanden behoren gelukkig tot het verleden - gelukkig wel - daar­om is een beetje dankbaarheid voor de bijstandswet van tegenwoordig zeker op zijn plaats!

Bron:  Baarnsche Courant rond 1930


 Geplaatst door L.J.A.Bakker

http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  

Kom in actie en deel ook uw Baarnse herinneringen op Groenegraf.nl

Geen opmerkingen:

Een reactie posten