donderdag 2 november 2017

De vervuiling van de Eem (1)






Het is woensdag 24 januari 1979 

De Eem

Bij de op- en afritten van Rijksweg No. 1 ter hoogte van het Eemviadukt kunnen we al enige tijd de werkzaamheden opmerken, die het woonwagenkamp “Bisschopswaai" een aansluiting gaan geven op het Baarnse rioolafvoernet. Wellicht herinnert U zich nog, dat de Baarnse gemeenteraad het enkele jaren geleden oneens was met het Utrechtse provinciale bestuur, dat uitging van de veronderstelling dat de fecaliën van deze kampbewoners best rechtstreeks in de Eem geloosd zouden kunnen worden.


Onze plaatselijke vroede vaderen zagen daar echter een mogelijke vervuiling van onze rivier in en hadden er een flink bedrag voor over, om ook voor de „Bisschopswaai" eerst de zuiveringsinstallatie aan de Maatweg in te schakelen. Of dit terecht gebeurde, dan wel van een wat overdreven bezorgdheid getuigde, is misschien wel een historische vraag. Want de zorg rond de vervuiling van onze Eem is een eeuwenoude bron van steeds weer opduikende maatregelen. 

Karel V
Wanneer ik tenminste mijn goede vriend Barend D. geloven mag - en hij gaf me nooit enige reden dat niet te doen - heeft zelfs Keizer Karel de Vijfde er zich mee bezig gehouden. Jawel, mijn goede Barendje weet het nodige van onze regionale geschiedenis af. Maar nu eerst Keizer Karel V en zijn bemoeienissen rond ons Eem-milieu van meer dan vier eeuwen geleden.

De klachten over de vervuiling van deze rivier werden ook toen van jaar tot jaar erger. Zo zelfs, dat zij Keizer Karel ter ore kwamen, zegt Barend. Al dat praten leverde eerst de uitvaardiging van een ordonnantie op, maar helpen deed dat niets. In die tijd was er natuurlijk ook nog geen Baarnsche of andere Courant, waarin zoiets gepubliceerd kon worden. Dus eigenlijk is het niet zo verwonderlijk dat het nuttig effekt van zo'n ordonnantie uitbleef.
 
Nieuwe oircondt van 1554
Toen nu Keizer Karel in maart 1554 in Antwerpen verbleef, werd hij - zo wil het verhaal dat Barend mij vertelde - door enige inwoners van Amersfoort, waaronder vermoedelijk de schout Vincent van der Houwe, opnieuw gewezen op de overlast die de stad van deze Eemvervuiling ondervond. Een dagelijks verdriet dat bovendien zij, die langs de oevers van de Eem woonden op het gedeelte van Amersfoort tot voorbij de Melm, te verwerken kregen. De toestand moet de keizer wel duidelijk als onhoudbaar geschilderd zijn. Want er schijnt gelijk een brief uitgegaan te zijn aan „onzen lieven ende getrouwen, die Stadthouder, praesident ende luyden van onsen rade t'Utrecht". Na de gebruikelijke „saluyt ende dilectie" kwam de keizerlijke briefschrijver al spoedig ter zake en wees er op, dat er „al van overlang" geklaagd was dat de rivier de Eem van haar begin en oorsprong (de beken) tot de uitmonding in de Zuiderzee zeer ondiep en vervuild was. Vooral tussen „die stadt Amersfoort ende die Mullum" (nu dus Melm geheten) wat tot grote schade, nadeel en hinder van de navigatie leidde.
 
Vrachtschepen
Waarachtig, zelfs toen kwam de scheepvaart op de Eern al om de hoek kijken. Eenzelfde argument als nu weer gebruikt werd om de jongste reconstructie van de Eem mede te rechtvaardigen. Uiteraard vermeld de geschiedenis niet om hoeveel bruto- of registertonnen het toen bij de boten ging. Maar herhalen doet de geschiedenis zich in ieder geval wel.

Want ook in die jaren werd gewezen op de noodzaak een onderzoek in te laten stellen, opdat eventuele schade voorkomen zou kunnen worden. Zelfs zou de letterlijke tekst van een nieuwe in 1554 uitgevaardigde ordonnantie spreken over „verdiept tot op den ouden bodem ende wijden tusschen die voorszijde stadt ende plaets van Mullum". Voorgeschreven werd dat het gedaan moest worden met afdammingen, met de schop gegraven en het opwerpen van de modder.
 
Eme
Letterlijk wordt als oorzaak vermeld: „Wij verstaan de vervullinghe meest te procederen van 't sant ende eerde, comende uyt die beecken boven A'foort, vallende inde buyten- en binnengarften derselve stadt ende soo voorts inde Eme".

Dat woord Eme zorgde overigens voor een fikse woordenwisseling tussen Barend en mij. Omdat ik altijd over de Amer heb horen spreken als voorloper van onze huidige benaming. Barend was - uiteraard, zou ik bijna zeggen - niet voor één gat gevangen en kwam met een historische uitleg, waarbij hij zelfs tot een nog veel vroegere Karel, namelijk Karel de Grote, terugging.
 
Bron:
Willem de Schrijver
BAARNSCHE COURANT VAN WOENSDAG 24 JANUARI 1979


Geplaatst door L.J.A.Bakker
http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  

Kom in actie en deel ook uw Baarnse herinneringen op Groenegraf.nl





Geen opmerkingen:

Een reactie posten