donderdag 26 juli 2018

Voor de goede orde deel 4


GOED DAT ER POLITIE IS

De verschijning in 1912 van twee particuliere nachtveilig­heidsdiensten in Baarn leverde de gemeentepolitie onver­wachts de nodige adhesie op. De toen nog tienduizend inwo­ners tellende gemeenschap toonde grote weerstand tegen de nieuwkomer en verklaarde best door het eigen plaatselijk politiekorps bediend te worden.

Direct toen er nog maar over gesproken werd, dacht de gemiddelde Baarnaar al dat zo'n activiteit niets voor zijn gemeente kon betekenen. De voorspelling was dan ook dat dit initiatief gedoemd was een vroege dood te sterven.
Rechts en links was te horen, dat zo'n nieuwigheid niets voor een rustige plaats als Baarn kon zijn. Een speciale nachtveiligheidsdienst had men hier niet nodig, omdat er immers nooit wat gebeurde.

Als bewijs voerde men aan, dat in de voorgaande 25 jaren slechts eenmaal in Baarn een inbraak van enige betekenis voorgekomen was. De vestiging van zo'n particuliere nacht­veiligheidsdienst zou daarom alleen maar slechte reclame voor ons dorp maken, aldus een verontwaardigd standpunt.

Gevreesd werd dat de niet-Baarnaars zich onwillekeurig af zouden vragen, of het soms in Baarn niet pluis zou zijn. Met andere woorden, het kon belangstellenden afschrikken zich hier te vestigen. Daarbij kwamen ernstige klachten tegen de wijze, waarop die particuliere veiligheidsagenten aan het werk waren. Het aantal klachten over onbescheiden, ja zelfs opdringerige manieren van optreden van die nachtwakers stapelden zich op.

Zo klaagde een Baarnse inwoonster, die 's nachts een visite bij een dokter wilde afleggen, over haar allesbehalve prettig verlopen ontmoeting met zo'n functionaris. Zij was niet de enige, ook andere 'hoogst achtbare' Baarnse ingezetenen beklaagden zich dat zij plotseling 's avonds het volle licht van een lantaarn op zich gericht kregen. Sommigen voelden zich tot vervelens toe bespied met zo'n licht. Steeds vaker hoorde men de beschuldiging, dat die nachtvei­ligheidsdienst zo maar controle over anderen uitoefende, zonder daarvoor enige opdracht gekregen te hebben.

'Dat doet, mede in verband met andere dingen die wij vernamen, het vermoeden rijzen dat de ondernemers van die nachtveiligheidsdienst op al te doortastende wijze de noodza­kelijkheid van hun instelling trachten te bewijzen. Omdat doodeenvoudig die noodzakelijkheid niet bestaat', schreef destijds de plaatselijke pers.

In een zo uitgestrekt dorp als Baarn betekent de aanwezig­heid van een paar nachtwakers geen grotere zekerheid, dan hoe men zich voor die tijd voelde, luidde het verwijt. Zelfs het tegendeel werd beweerd, bij een wijze van op­treden als verweten werd, zou het voor de Baarnse ge­meenschap eerder onveiliger worden, beweerden sommi­gen.

Het kreeg allemaal zelfs een wat officieel tintje, toen burge­meester d' Aulnis een heuse waarschuwing uitgaf. Wie meende zich bij een van deze particuliere nachtveiligheids­diensten te moeten aansluiten, kreeg het advies eerst bij hem inlichtingen te vragen. Kennelijk was deze raadgeving voor­namelijk gericht tegen één van die nieuw opgerichte firma's, die niet eens in Baarn gevestigd was.

* * *

En zo belandde Baarn in die Eerste Wereldoorlogtijd. De krappe gasvoorziening in Baarn tijdens de winter 1917 / 18 was er de oorzaak van, dat ook in ons dorp de etalages niet verlicht mochten worden. De Baarnse winkeliers maakten van de nood een deugd en sloten hun zaken in vele gevallen 'reeds' om acht uur 's avonds. Met uitzondering dan van de zaterdagavonden.

Na de oorlog kon men het er hier niet onderling over eens worden, dat zo'n regeling eigenlijk voortgezet moest worden. Daarom wendde men zich tot ons gemeentebestuur om er maar een wettelijk voorschrift over uit te vaardigen, maar de gemeenteraad voelde er niets voor.

Alleen de kappers gingen een stapje verder. Zij vroegen om een gemeentelijke verordening, dat het de barbiers­zaken in Baarn verboden zou worden ook op zondag voor het publiek klaar te staan. Wat lukte ... en dan te bedenken dat die figaro's op zaterdagavond al tot elf uur open waren!

Baarn telde in die jaren een paardetram-verbinding met Soest. Begin juni 1918 gebeurde daarmee bij de Oranjeboom een dodelijk ongeval. Een inwoner van Soest viel van het achterbalkon van de eerste wagen. De aanhangwagen reed over zijn hoofd en het slachtoffer bleek op slag dood. Of de aanwezigheid van wissels bij die kruising om van tramrails te kunnen veranderen daar iets mee te maken kon hebben, was lange tijd het gesprek in Baarn.

* * *
Ongeveer gelijkertijd gebeurde er trouwens bij de Oosterhei iets, waarover minstens evenveel nagepraat werd. Het was omstreeks half acht op een zondagavond, toen er op de Pekinglaan - zoals toen de huidige Torenlaan nog heette - een wild-westsituatie ontstond.

Een tilbury kwam in behoorlijke draf de spoorwegovergang richting Baarns kern overgereden. Op de bok zat een Baarnaar (we noemen geen namen, maar 't was v.d. Kamp, zou Wim Kan gezegd hebben) met een mooi meisje naast zich.

Onverwacht kwam uit het wachthuisje bij de spoorlijn de politieagent Struik te voorschijn. Geen macho-figuur, maar wel kordaat genoeg om de berijder te sommeren te stoppen. Kennelijk had de neus van de ijverige agent wat geroken. Onraad, jawel, maar dan in de vorm van vlees. Dat liet hij v.d. Kamp duidelijk merken, want hij riep iets van illegaal varkensvlees naar de bestuurder.

Die daarin echter een aanmoediging zag nog sneller door te rijden. 't Is natuurlijk mogelijk dat de man op de bok dacht dat een struikrover hem staande wilde houden, vooral toen plotseling een heus revolverschot klonk.

Grote schrik niet alleen bij de berijder, maar ook bij het paard, dat het op een lopen zette. Zeg maar puur op hol. Wat er niet beter op werd, toen er nog een tweede schot gelost werd, ja zelfs een derde.
Ver voorbij de spoorwegovergang kreeg v.d. Kamp weer vat op zijn viervoeter, liet het dier de Balistraat inslaan, waar het paard nog trillend van emotie tot stilstand kwam. En toen gebeurde er iets, dat niet alleen de Oosterhei, maar heel Baarn nog nooit meegemaakt had, zelfs niet op een Sinterklaas­avond.

Door de schoten waren van alle kanten belangstellenden naar buiten gekomen en hun verrassing was compleet, toen zij niet alleen de tilbury zagen, maar ook nog hammen in hun rich­ting gegooid werden. Geen houten, maar heuse gerookte exemplaren, waarvan zij in die oorlogstijd alleen maar gedroomd hadden.

De werkelijkheid was, dat zij het vlees keurig opvingen en zich zonder afte vragen waar dit wel van afkomstig kon zijn, snel uit de voeten maakten. Zo maar in een schaarse distribu­tietijd een ham in de schoot gegooid krijgen ... geen wonder dat alles in een mum van tijd verdwenen was.

Toen het wagentje leeg was, wilde v.d. Kamp zijn reis lang­zaam voortzetten. Prompt werd hij echter achterhaald door een opgewonden Struik, die wel eens weten wilde wat er in dat karretje verborgen was. Toen hij op zijn vraag 'niets' als antwoord kreeg, nam hij daar dan ook geen genoegen mee.

Hij keek in de wagen ... maar zag inderdaad niets. 'Toch ruik ik vlees. Varkensvlees', brulde hij de berijder toe. 'Dat kan wel', was het antwoord van v.d. Kamp. 'Misschien ruik je wel mensenvlees, maar dat is toch niet verboden. Je hebt er niets mee te maken'.

Wat door andere toegeschoten omstanders volledig beaamd werd. Zodat de agent niet beter wist te doen, dan de tilbury gewoon zijn reis te laten vervolgen.

Maar dat schieten! Dat werd de volijverige agent door iedereen goed kwalijk genomen. Er had eens een kogel een verkeerde richting moeten nemen. Of het op hol geslagen paard had eens iemand moeten verwonden. Pure wild-west en dat. .. op de Oosterhei.

In december 1918 werd ook in Baarn opgeroepen een burgerwacht te vormen. Tal van gemeenten waren daartoe reeds voorgegaan. Na het beëindigen van die wereldoorlog braken in vele landen van Europa revoluties uit en verschillende vorstenhuizen moesten het veld ruimen.

Ook in Holland gistte het, denk maar aan een man als Troelstra. Toch zou het in Baarn niet tot een burgerwacht komen. Zo'n actie was' hier niet nodig, het wettig gezag behoefde die steun niet. Evenmin als het nodig was te helpen de orde in onze gemeente te handhaven. Het Baarns gemeen­tebestuur had geen behoefte aan zo'n bijstand.

••••

GEWOON VERGETEN
'Wat ben je vroeg man', verwelkomde agent v.d. Goot op die 25ste maart 1924 zijn onverwacht bezoek in het (toen nog nieuwe, maar inmiddels gesloopte) politiebureau. Hij haalde een horloge aan de ketting uit de zak en was toen helemaal verbaasd. 'Hier, 't is pas kwart over vijf en jouw logeerkamer doen we eerst om negen uur vanavond open'.

Het is nu niet bepaald gisteren gebeurd en daarom kan het geen kwaad even wat precieser te vertellen, waar het hier om ging. Baarn had om arrestanten onderdak te verlenen de be­schikking over een cachot onder de toren van de Pauluskerk (die toen overigens nog niet zo genoemd werd). Plus over twee cellen aan het Stationsplein, toen daar een politiepost werd gerealiseerd.

Een situatie welke op z'n zachtst gezegd niet ideaal mocht worden genoemd, ook al omdat het aan die achterzijde van de politiepost nogal stonk. In 1914 werd al in de Baarnse ge­meenteraad gesproken over een 'onhoudbare toestand', waarbij aangedrongen werd op een betere ruimte voor ar­restanten.
  
Dat had succes, want aan het einde van dat jaar werd al ach­ter het gemeentehuis voor zo'n kleine 2500 gulden een nieuw arrestantenverblijf gebouwd. Toen enkele jaren later aan de Stationsweg een nieuw politiebureau neergezet werd, stond dat arrestantenhuisje dus tussen beide gebouwen.

Veel geriefelijker dan die bekritiseerde toestand en daarom kreeg het nieuwe gebouwtje er nog een functie bij. Ook dakloze zwervers konden bij de Baarnse politie aanklop­pen en op verzoek tijdelijk onderdak in dat huisje krijgen. Met die bedoeling was op die lentedag ook de 56-jarige zwerver Pieter Rigter bij het politiebureau binnen gelopen.

Aan de Stationsweg werd achter in de tuin van het gemeentehuis in 1921/22 een nieuw politiebureau gebouwd.

Moet je het eens zien regenen', verontschuldigde hij zich bij de wachtpost en inderdaad, het kostte hem maar weinig moeite zijn gastheer te overtuigen. Zijn doornatte kleding sprak voor zichzelf. In zo'n weer stuur je niemand terug de straat op.

Volgens de dienstvoorschriften werd Rigter eerst nog wel gefouilleerd, maar v.d. Goot deed dat werkje heel wat plicht­matiger en minder serieus dan bij een gewone arrestant gebeurd zou zijn.
Vervolgens kreeg de nieuwkomer alle tijd voor een sanitaire stop en om zich wat te drogen en op te knappen. Maar het was eerlijk gezegd abnormaal, toen hij na wat gedronken te hebben v.d. Goot verzocht hem maar naar zijn logies te brengen.
Boterhammen bleek hij ook al bij zich te hebben, zodat geen voorzieningen voor de avond of de volgende morgen getroffen behoefden te worden. Zelfs waren ze zo vroeg bij het gebouwtje, dat v.d. Goot ook geen licht behoefde aan te steken. Wat later van grote invloed op het verdere verloop zou hebben.
Terug in zijn wachtruimte in het politiebureau deed v.d. Goot ook nog, wat in zijn dienstvoorschrift stond voorgeschreven. Hij schreef de naam van Rigter in het register, dat inspecteur du Cellié Müller speciaal voor deze 'vrijwillige' gasten ingesteld had.

Op de lei, die voor zijn aflossing bijgehouden werd, schreef v.d. Goot niets. Och, het was zo'n beetje de gewoonte geworden boodschappen aan de volgende wacht schriftelijk door te geven. Nog eerder had men daar losse papiertjes voor gebruikt, maar met zo'n lei kon niets wegraken. Verplicht in de dienstorder was deze door de agenten zelf ingestelde melding evenwel niet.

Evenmin stond er in de voorschriften vermeld, dat de politieman, die de dienst overnam, dat gastenregister moest raadplegen. Wat dan ook prompt niet gebeurde, toen agent W. Huisman het werk van v.d. Goot overnam. Bovendien zag niemand van de nieuwe ploeg licht in het huisje branden.
Hoofdagent P. Straatman, die boven het bureau woonde en de volgende morgen wat later op zijn werk kwam, omdat hij zich eerlijk gezegd wat verslapen had, keek ook niet in het register. Iedereen deed gewoon zijn werk, onwetend van de schromelijke nalatigheid die Pieter Rigter noodlottig zou worden.

Eerst op donderdag 10 april- dus na 16 dagen! -toen agent Terpstra met drie nieuwe daklozen voor het eerst weer bij het huisje verscheen, ontdekte men het verschrikkelijke gebeuren. In het huisje lag het in verre staat van ontbinding verkerende lijk van Rigter. Het lag onder een deken.
Onmiddellijk werd alarm geslagen, eerst bij hoofdagent Straatman boven het bureau. Die schakelde de inspecteur in en ook gemeentearts Heijbroek spoedde zich naar de Stati­onsweg. Samengingen zij burgemeester van Reenen op de hoogte brengen.

Het vaststellen van het overlijden gaf de dokter uiteraard weinig of geen moeilijkheden. Wat het precieze tijdstip en de doodsoorzaak waren, daarop moest hij vooreerst het antwoord schuldig blijven.

* * *
Eén ding was iedereen duidelijk, daarvoor was een gerechtelijk onderzoek noodzakelijk, dus werd de Officier van Justitie op de hoogte gebracht. De man spoedde zich naar Baarn en in overleg met hem werd het lijk in een verzegelde kist naar Utrecht overgebracht.

Hangende het onderzoek werd wachtcommandant Huisman door de burgemeester geschorst. Later bleek Mr van Reenen ook disciplinaire straffen uitgedeeld te hebben aan hoofda­gent Straatman en agent v.d. Goot.
In de tegenwoordige tijd zou dat onmogelijk zijn, maar in 1924 duurde het tot dinsdag 15 april voor het eerste pers­bulletin over dit gebeurde uitgegeven werd. Veel te laat natuurlijk en er ontstonden in die vijf dagen de wildste geruchten, wat weer tot publikaties in landelijke dagbladen leidde.
De Baarnsche Courant kwam pas op donderdag 17 april 1924 met het eerste bericht over deze gruwelijke zaak. Zeker in de beginperiode moesten de verslaggevers alleen afgaan op geruchten, wat soms tot huiveringwekkende mededelingen aanleiding gaf. Zo schreef een sensatieblad - ja, ze waren er al in die tijd - over een vondst van een lijk met afgekloven handen. Wat pertinent verzonnen bleek.

Over een rijk villadorp als Baarn schrijven was natuurlijk voor iedere krantenredactie een extra uitdaging. Dat heeft zich in latere jaren (na de oorlog) nog wel herhaald. In Baarn zelf concentreerde men zich vooral op een extra raadsvergadering, welke op donderdag 17 april van dat jaar uitgeschreven werd. Waarvoor bijzonder grote belangstelling bestond, niet in de laatste plaats van de zijde van de politieagenten zelf.

Tijdens die gemeenteraadsvergadering waren er natuurlijk verwijten over en weer, plus waar nodig verweer. De burge­meester bijvoorbeeld verklaarde nadrukkelijk niets geheim te hebben willen houden. 'Waar mij door de pers inlichtingen gevraagd werden, heb ik die zo volledig mogelijk verstrekt'.

De kritiek richtte zich op alles, behalve op de agenten zelf. Veel positiefs over het personeel, geen goed woord evenwel voor het systeem. De ambtelijke instructies werden ten ene male onvoldoende genoemd.

Er stond in die regelgeving alleen iets vermeld over het tijdig ontslaan van opgesloten mensen. Niets over controle over dat insluiten, of hoe de nachtverblijvers konden vertrekken. Geen verplichtingen met betrekking tot de overgave van de wacht. Niets van dat alles. Pas na dit spijtig ongeval werd het reglement uitvoerig aangevuld.
  
Maar toen de put dus gedempt werd, was het kalf al verdronken. Tot dan geen instructies van hoog tot laag en bijvoorbeeld ook geen richtlijnen, dat met name door een inspecteur of hoofdagent wel eens een nachtdienst zou moeten worden gelopen.

Wat toch het minste zou zijn, een voorschrift dat de eerstvolgende wachtcommandant het nachtregister zou moeten raadplegen bestond niet eens. Later bij het gerechtelijk onderzoek verklaarde een van de agenten eerlijk, dat hij dit register alleen inkeek om te zien, hoe iemands naam gespeld diende te worden.

Er blijft overigens wel een brandende vraag onbeantwoord. Na de gruwelijke ontdekking werden op grote schaal proeven genomen, of mogelijke geluiden uit het huisje in de directe omgeving gehoord hadden moeten worden. En inderdaad, zowel in de Laanstraat als bij de zijingang van het politiebureau had dit moeten gebeuren.

Ook bij de rijwielstalling voor het personeel van het gemeentehuis zouden die geluiden hoorbaar moeten zijn geweest en zelfs de echtgenote van de hoofdagent, die boven het politiebureau woonde, had zoiets kunnen 'horen.

Niets van dat alles. Zowel de conciërge van het gemeentehuis als mevr. Straatman waren in de eerste week van april regelmatig dicht in de buurt van dat bewuste huisje geweest. Maar niets gehoord. Alleen op de ochtend van 6 op 7 april meende de conciërge iets gehoord te hebben, maar dacht toen dat daar een vogel schuldig aan was.

Bij de rechtszitting kwam de Officier van Justitie dan ook tot de uitspraak, te vermoeden dat Richter wellicht niet helemaal normaal geweest zou zijn. Schreeuwen of enig ander lawaai had zonder meer de aandacht moeten hebben getrokken.

Toegegeven, v.d. Goot had niets op de lei geschreven en ook geen licht in het gebouwtje ontstoken. Als verdachte werd evenwel agent W. Huisman - die er al 17 dienstjaren op had zitten - gedagvaard. Ondanks dat hij er zich op beriep, dat er geen enkel voorschrift was, dat de wachtcommandant bij het overnemen van de dienst ook het nachtregister moest raadplegen.

Een cruciaal punt, waardoor het publiek eigenlijk nooit wraakgevoelens tegen de agenten zelf had. Er zat een duide­lijk hiaat in de regels: hoe moest een volgende wacht iets van een ingeslotene in dat apart gelegen huisje afweten? Niemand was verplicht daarover iets op die bewuste lei te schrijven, dat was een extraatje dat de agenten zelf ingesteld hadden.

* * *
Op 12 april, dus twee dagen na de verschrikkelijke vondst, hebben twee professoren (Dr R. de Josselin de Jong en Dr J .M. Baart de la Faille) in het Pathologisch Instituut te Utrecht sectie verricht op het lijk. Het rapport van deze deskundigen kwam natuurlijk aan de orde bij de rechtszitting in de Utrechtse Arrondissementsrechtbank. Die vond op dinsdagmiddag 27 mei 1924 onder zeer grote belangstelling plaats. Uit dat medisch rapport bleek onder­meer, dat er geen ziekelijke afwijking gevonden was, welke een natuurlijke dood zou kunnen verklaren.

Geen spoor verder van een gewelddadige dood, zij het dan dat na het brood op die eerste dag in de daaropvolgende 16 dagen geen eten meer genuttigd was. Maag en ingewanden waren leeg, zodat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gezegd kon worden, dat het slachtoffer gestorven was aan uitputting en volkomen gemis aan spijs en drank.

Het tijdstip waarop de dood ingetreden moet zijn, was door dit onderzoek niet nauwkeurig vast te stellen. De deskundigen waagden zich niet verder dan de conclusie, dat dit enkele dagen tot hoogstens één week vóór die 1 Ode april - de datum waarop het lijk gevonden werd - het geval moet zijn geweest.
Kortom, over dat rapport was men het tijdens die rechtszitting snel eens. Moeilijker lag dat met de schuldvraag, waarbij de Officier van Justitie uitging van nalatigheid. Maar de verdediger pleitte voor vrijspraak, omdat in Baarn onvoldoende ambtelijke instructies aanwezig zouden zijn geweest.

Niets stond voorgeschreven, noch betreffende de overdracht aan de volgende wacht, noch of er licht in de cellen moest worden aangestoken, of wat ook. Geen verplichting het
register in te zien, om te lezen of er een nachtverblijver kon zijn. Geen boodschap over voedsel brengen. Terwijl iedereen die bij het bureau arriveerde op geen enkel idee gebracht kon worden, omdat er immers geen licht in de cellen brandde.

Algemeen positief waren de getuigen dan ook in hun lof bij het rechtsgeding voor collega Huisman die, zo verklaarden zij, goed bij hen stond aangeschreven. Stuk voor stuk erkenden zij dat het voor 't zelfde geld ook hen had kunnen gebeuren. Er stond immers niets op de lei (op de zitting omschreven als een 'gewoonte' van de agenten zelf, geen voorschrift), niemand had licht zien branden of dat omstreden nachtregister ingekeken.

* * *
In Baarn nam men onmiddellijk maatregelen. Het aparte cellengebouwtje werd voorgoed gesloten en al gauw gesloopt. Het reglement werd uitvoerig aangevuld en noem maar op. Nachtverblijvers dienden voortaan op het bureau zelf te blijven en in iedere cel moest een bel aanwezig zijn. Er werd zelfs een plan gemaakt een flink nachtverblijf in een van de lokalen van het bureau in te richten.

Werd er dan onvoldoende schoongemaakt, vroegen sommigen zich af? Het aparte cellengebouw was het laatst van 14 op 15 maart aan de beurt geweest en hoofdagent Straatman verklaarde het gebouw nog op 20 maart geïnspec­teerd te hebben.

Het Baarnse voorval haalde met gemak de Tweede Kamer in Den Haag, waar de heer van Hall de minister van Binnen­landse Zaken (die trouwens ook nog Landbouw in zijn porte­feuille had) vragen stelde. Met name of de burgemeesters elders voor soortgelijke gevallen wel voldoende geïnstrueerd waren.

Preventief diende overal een onderzoek naar dergelijke arrestantenverblijven ingesteld te worden. Opdat er zekerheid kon zijn, dat zij aan de meest strenge eisen van veiligheid zouden voldoen.

Bij het rechtsgeding in Utrecht eiste de Officier van Justitie gezien de ernst van de zaak geen voorwaardelijke straf, maar één maand hechtenis. Er volgde evenwel vrijspraak, wat voor hem aanleiding was Hoger Beroep aan te tekenen. Daardoor kwam de zaak opnieuw voor, nu bij het Gerechtshof in Amsterdam.

Daar werd op 30 september arrest gewezen en overeenkomstig de vraag van procureur-generaal Mr Bijleveld klonk weer op 15 oktober vrijspraak voor agent Huisman uit Baarn. Weinig opwinding daarover in onze gemeente, waar immers niets anders verwacht werd. Niet de persoon, maar het systeem kreeg alle kritiek.

Toen alles achter de rug was, heeft agent W. Huisman, die inmiddels weer in de roulerende dienstregeling werd opgenomen, maar tijdens het Hoger Beroep in Amsterdam opnieuw geschorst was, zich tot de Baarnse gemeenteraad gewend.

Het was een verzoek hem de kosten van de rechtsbijstand (fl. 600,-) te vergoeden. Hij beriep zich op zijn vrijspraak en het feit dat in het vonnis vastgesteld werd, dat de schuld in sterker mate te wijten was aan een of meer anderen dan aan hem.

Huisman was echter door de schorsing en de vervolging het zwaarst getroffen en meende daarom aanspraak op deze vergoeding te mogen maken. En inderdaad besloot de Baarnse gemeenteraad- hoewel B&W, zij het niet unaniem, met een andersluidend advies gekomen waren - hem de kosten te vergoeden. De tegenstanders vreesden een precedent geschapen te hebben.

Geruime tijd werden jaarlijks nog bloemen (vooral vergeet­me-nietjes) gebracht naar de plaats, waar de zwerver vergeten was. Wat was de bedoeling van dat publiek? Piëteit? Eerbe­toon? Een stille aanklacht? Of gewoon pesterij, want tot vandaag de dag wordt er weinig vlijend over zoveel nalatig­heid gesproken.


EEN GEHUCHT
Als er 250 mensen wonen is het veel, maar Lage Vuursche is een belangrijk onderdeel voor Baarn. In negen honderd zoveel wordt de Furs al genoemd, tot 1811 is het een zelfstandige gemeente gebleven. Bij keizerlijk decreet in de Franse tijd bij Baarn gevoegd, na de bevrijding in 1813 weer zelfstandig geworden, zij het dat de burgemeester van Baarn van die tijd af ook de eerste man in de Vuursche was.

Grondeigenaren uit beide gemeenten vergaderden in 1845 nog eens gezamenlijk, maar men voelde toen niets voor een aansluiting. Zeven jaar later kwam die samenvoeging op­nieuw aan de orde, er werd door delegaties uit beide ge­meenten over gepraat. Uit de Vuursche wilde men wel, maar
de Baarnaars (Beukeboom, v. Dapperen, v. Klaarwater, Schothorst, Terhorst, Timmer en Verhagen) vreesden grote nadelen en verzetten zich er tegen.

Op 27 juni 1857 werd tenslotte de knoop doorgehakt en kwam Lage Vuursche - tot dan met een eigen 'Geregt' en als gemeentewapen Johannes de Doper met lam - bij Baarn. Onze commissieleden hadden het niet verkeerd bekeken en toch ... mopperen juist de Vuurschenaren nog altijd, dat men zich in Baarn niet veel aan wat toen dus een 'buurtschap' werd gelegen laat liggen.

In 1940 kreeg Baarn er maar al te veel mee te maken, toen het gemeentelijk overheidsapparaat (inclusief de politie) naar Lage Vuursche uitweek. Tussen beide delen kon men in die tijd zelfs niet anders passeren - rijkspolitie en militairen bewaakten controleposten - dan met een door de burgemeester persoonlijk ondertekende brief.

In de vroege ochtend van donderdag 16 mei arriveerden de eerste Duitsers. Nog in 1940 verscheen er ook al het eerste munitielager in de bossen, dat de toepasselijke naam van 'Wald' kreeg.
De bosachtige omgeving was buitengewoon geschikt voor schuilmogelijkheden in de oorlog. In Bilthoven werden uit de villa 'Sursum Corda' 26 joden bevrijd en op de Vuursche ondergebracht. Daar werd een onderduikkas ingericht, in­clusief een systeem om alle onderduikers in de kortst moge­lijke tijd te waarschuwen.

Lage Vuursche toen er nog geen auto's waren.

Bekend gebleven is de razzia op 29 december 1942 in het aan de Kloosterlaan gevestigde Elisabeth-gesticht. Nu een verpleeghuis van de Zusters van Onze Lieve Vrouw. Toen uitgekamd op zoek naar onderduikers en omdat die niet gevonden werden, nam men maar levensmiddelen en de inhoud van de linnenkast mee. Dein Lage Vuursche wonende hoofdagent Oskam, alsmede de rector, moeder-overste en conciërge van het huis verdwenen die dag eveneens als een soort strafmaatregel voor drie tot zes maanden achter de tralies.

In 1943 moest in een bos van Staatsbosbeheer onderdak verleend worden aan een verzetsgroep. Daar kwam een houten keet van ongeveer 10 m2 voor te staan, waarin dat jaar ook nog twee geallieerde piloten opgenomen werden. Zij konden in november 1943 naar Engeland uitwijken, recente­lijk zijn er nog levenstekens en contacten geweest.

Op 28 december 1943 werd deze keet in de Lage Vuursche door de Feldgendarmerie en Nederlandse S.S. ontdekt. De in Lage Vuursche woonachtige hoofdagent Oskam -die inder­daad bemoeienissen met deze schuilplaats had - werd gear­resteerd. Maar in de keet werd geen mens gevonden, iedereen kon daar op tijd worden gewaarschuwd.
  
Een ander opmerkelijk wapenfeit was in de Vuursche, dat men later wist te voorkomen, dat de Duitsers er een munitie­depot opbliezen.
Oskam was al na 17 dagen weer vrijgekomen. Hij had aan de Weteringschans in Amsterdam vastgezeten. Omdat er diverse klachten uit de bevolking tegen hem ingebracht waren, werd na de oorlog door de Politieke Recherche Dienst een onderzoek ingesteld. Waarbij de meeste klachten ongegrond bleken.

Terug in politiedienst had deze hoofdagent op maandag 15 augustus 1949 's morgens nog een vreemde ervaring. Al wandelend met zijn zoon in het bos stuitte hij ter hoogte van de kapel daar op een wonderlijk groepje. Het bleken achteraf leerlingen van een Haarlemse HBS te zijn, die bij een boer­derij logeerden en gezamenlijk een toneelspel ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van hun school instudeerden.
Bij die boerderij van v. Meerveld, waar zij ook tenten hadden opgesteld, werd de volgende dag een kampvuur aangestoken. Een van de bewoners waarschuwde uit angst voor brand de politie. Het leek wel of de 'sterke arm' nog het belangrijkste vond, dat het vuur was aangelegd zonder vergunning. Want de benodigde twee kwartjes daarvoor werden later keurig geïnd.

* * *
Oskam woonde, voor zijn verhuizing naar Lage Vuursche, boven het politiebureau aan de Stationsweg. Hij volgde in onze buurtschap de vertrekkende rijksveldwachter Bos op. Na het vertrek van agent Stap naar Bussum kwam agent J. v. Barneveld in Lage Vuursche wonen en werd zijn huis een soort politiepost. Een kamer werd als bureau ingericht. Daar vonden ook de verhoren van verdachten plaats, werden confrontaties en administratieve werkzaamheden verricht.

Ook het gebouw van de Chr. School in Lage Vuursche, waar­heen in de meidagen van 1940 bestuur en politie van Baarn evacueerde, viel onder de slopershamer.

Duidelijk dat de buurt als vanzelfsprekend aannam, dat v. Barneveld eigenlijk doorlopend 'in dienst' was. Wat niet gold voor hoofdagent Mommers, die dagelijks op de fiets assistentie in zijn bewakingsgebied kwam verlenen.

Het niet doorlopend bereikbaar zijn van zo'n politiepost riep steeds grotere weerstand op. Nu gebeuren er in Lage Vuur­sche niet zoveel grote aanrijdingen, aanrandingen, branden of schennis van eerbaarheid. Toch irriteerde het horen van een antwoordapparaat bij telefoneren. Zeker gezien de groei van het toeristisch verkeer en de toename van recreatiemoge­lijkheden in Lage Vuursche.
Van 3 januari 1972 af heeft gedurende acht maanden een politie-ambtenaar uit Baarn op maandag, dinsdag en donderdag 's middags van 14-15 uur nog zitting gehouden in de serre van deze woning in de Eikenlaan. Onbekenden klaagden het adres moeilijk te kunnen vinden.
  
Maar toen na 4 september van dat jaar die zitting verlegd werd naar achtereenvolgens een kamer in een groot hotel daar, de brandweerkazerne en tenslotte een ruimte in dorpshuis De Furs, was van enige vergroting van de belangstelling nauwelijks sprake.

Naast dat spreekuur werden ook ambtelijke stukken, welke ter kennis van de plaatselijke gemeenschap moesten worden gebracht, in een publicatiekastje opgehangen. Maar zoals gezegd, het haalde allemaal niet veel uit.

Ronduit vervelend was het, wanneer arrestanten bij die politieman thuis 'in bewaring' moesten worden gesteld. Een apart celgebouwtje bleek in 1951 in staat van verwaarlozing te verkeren (vervuild en niet meer schoongemaakt, de vloer bedekt met afval, stenen en zand). De schel in de cel bleek stuk te zijn. Ook al volgde veelal een zo spoedig mogelijke overbrenging naar Baarn. Dat zoiets een ingreep in het gezinsleven (waar kleinere kinderen aanwezig waren) betekende, behoeft geen betoog.

* * *
De promotie van Kasteel Drakensteijn tot Koninklijk verblijf, heeft enige tijd aanleiding gegeven tot een 'hotlijn' tussen dat 'paleisje' en het politiebureau in Baarn. Daar had de PTT overigens geen bemoeienissen mee. Het was zo'n militaire veldtelefoon-verbinding, waarbij eerst met een slinger moest worden gedraaid. Wat natuurlijk (bij gebruik of niet) iedere week even gecontroleerd moest worden. 

Over de telefoonaansluiting van Lage Vuursche is wanneer we nog even terug in tijd gaan trouwens nog wel het een en ander te vertellen. Bij de komst van die apparatuur kon Baarn zelf snel aangesloten worden, maar met de Vuursche was dit niet het geval.

Wat de betaling betreft moest immers de gemeente Baarn voor de kosten opdraaien en een voorstel daartoe werd verworpen. Dat zou namelijk wel even fl. 207,- gaan kosten, wat men in die tijd - we praten over het begin van deze eeuw - teveel van het goede vond. Ook werd gevreesd, dat het publiek daar zo'n telefoon als een soort openbare post zou gaan gebruiken.

Wanneer die aanleg nu nog te combineren zou zijn met een tweede belangstellende ... ! Inderdaad leek die gevonden te worden, want mevrouw Bosch van Drakensteijn in Lage Vuursche toonde interesse. Alleen ... voelde zij meer voor een aansluiting op het telefoonnet van Hilversum en dat betekende definitief, dat de politie toen geen telefoon in Lage Vuursche kreeg.

Ach, zuinigheid is wel vaker een deugd in Baarn geweest. Toen op 26 november 1926 bijvoorbeeld de gemeenteraad om een bedrag van fl. 175,- gevraagd werd voor een eenvoudige radio-ontvanger op het politiebureau, bracht men dat krediet terug tot fl. 35,-. Een kristal met koptelefoon om de Hilver­sumse uitzendingen toch te kunnen ontvangen, werd voldoende geacht.

Bronnen:
Uitgegeven in verband met de reorganisatie van de Nederlandse politie en het opgaan van de Gemeentepolitie Baarn in Regiopolitie Utrecht District Eemland-Noord.

Tekst:  S.N.  Zwiep 


Illustraties:  Historische  Kring  Baerne  Politiearchief, Baarnsche Courant en vele particulieren
Druk:  Bakker  Baarn 


Geplaatst door L.J.A.Bakker

http://www.grijsvuur.nl

Vragen, opmerkingen of tips? Neem gerust contact op. Uiteraard kunt u groenegraf.nl ook volgen op Facebook en Twitter  



Geen opmerkingen:

Een reactie posten